35. Daarom, om ten slotte het oordeel, dat over u komt, nog in ene korte uitspraak zaam te vatten, alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij Mijner a) vergeten, en Mij achter uwen rug geworpen hebt (
1 Koningen 14:9), zo draagt gij ook uwe schandelijkheid en uwe hoererijen en de rechtvaardige straf, die daarom over u komt (
Hoofdstuk 16:52).
a) Jeremia 2:32; 3:21; 13:25; 18:15. Ezechiel 22:12.
Vergetenheid van God en verachting van Hem, van Zijn opzicht over ons en van Zijn zien op ons, is op den grond van alle onze verraderlijke en overspelige afwijkingen van Hem. Daarom wandelen de mensen de afgoden na, omdat zij God en hun verplichtingen aan Hem vergeten. Ook zouden zij met zulk een begeerte en vermaak niet op de verlokselen der ziel kunnen zien, indien zij God niet eerst achter hunnen rug geworpen hadden als niet waardig aangezien te worden.
Op Oholiba's zonde volgt nu de straf. God zal juist deze Chaldeën, met welke Juda eerst geboeleerd heeft en van welke het zo trouweloos was gescheiden, over haar laten komen; zij zullen met dezelfde wereldmacht, die Juda eerst begeerd heeft, op haar aanvallen, om het verdiende loon te geven tot vernietiging toe.
De Profeet hoopt de namen opeen, om de grote legermacht aan te duiden, die het kleine Juda overvalt.
Op sarkastische wijze beschrijft hij de Chaldeën met dezelfde uitdrukkingen, met welke hij ze vroeger (Vers 12) als de door Juda geliefde beschreef.
Deze uitdrukkingen waren vroeger, in den tijd van het boeleren in aller mond geweest; nu zagen zij die heren gaarne weg, maar zij komen hen nu op den hals; met de Chaldeën verschijnen echter ook de oude boelen, de Assyriërs weer, nu hun vazallen, en deze vroeger zo geliefde jongelingen zullen hun nu den helderen dag duister maken.
Gelijk de menigte talrijk is, zo rijk zal ook hun toerusting zijn om het hun opgedragen oordeel te volvoeren. Om ons sterfbed is dikwijls ene grote vergadering uit vorige dagen; onze zonden en degenen, met wie wij gezondigd hebben, komen allen tot ons van rondom.
Wij moeten niet wachten totdat God ons met geweld van de zonde aftrekt. Wanneer Gods goedheid en geduld niet heeft kunnen teweegbrengen, wat Hij wilde, zo zal Zijne gerechtigheid door de onbarmhartigheid der mensen uit den weg brengen, waarmee wij Hem vertoornden.
De ontkleding door straf doet zien, wat vroeger de bekleding door genade geweest is.
Die den beker des heils met aanneemt, moet daarvoor den beker des toorns drinken.
De gehele geschiedenis des volks van den uittocht uit Egypte tot nu was een voortdurend vertoornen van God, daarom moet het ten laatste een beker vol toorn drinken.
Uitgedronken moet worden; als wij ons aan de begeerlijkheid overgeven, komt God met de straf.
"Gij zult de scherven verbrijzelen en uwe borsten zult gij afrukken; " de poging, die uit den sterksten afschuw tegen het treurige lot voortvloeit, om zich er van te ontdoen, brengt nu uw ongeluk aan; tot geschiedkundige opheldering dient, wat volgens Jeremia 41 de Joden aan Gedalia, den Chaldeeuwsen stadhouder, over de in het land achtergeblevenen deden, en daarvoor moesten lijden.
De zondares moet in wanhoop aan zich zelf vergelding doen, en juist aan die delen van haar lichaam, waarmee zij volgens Vers 3 in wellust begon te zondigen.
Aan God denken is het korte begrip der gehele godzaligheid, evenals het tegendeel God vergeten, een kort begrip van de gehele goddeloosheid; daarom neemt God aan het slot van dit zondenregister ook alles in dit ene te zamen.