3. En die daarop zat, wiens naam ik echter niet uitspreken kan
Deuteronomium 7:12 was tot zinnebeeldige uitdrukking van zijn licht en heilig wezen (
Psalm 104:2.
1 Timotheus 6:16) en van zijn verterende gerechtigheid (
Deuteronomium 4:24 Hebreeën 12:29 b), in het aanzien de steen Jaspis, niet de gewone van dofrode kleur (
Exodus 28:20), maar de edele, de kristalheldere en aan de diamant gelijkende Jaspis (
Hoofdstuk 21:11) en aan de vuur- of bloedrode (
Exodus 28:17) Sardius of Carneool gelijk. En een regenboog, het zinnebeeld van de genade, die na het onweer van de goddelijke oordelen terugkeert (
Genesis 9:12,
Ezechiel 1:28), was rondom de troon en omgaf die van boven in een kring, in het aanzien, volgens de voornaamste, de hoofd-kleur, de steen Smaragd gelijk, die van groene kleur is (
Exodus 28:17), want Gods ongenaakbare heerlijkheid en straffende gerechtigheid is niet verschrikkelijk en verderfelijk, integendeel liefelijk en weldadig voordegenen, die in het bereik van Zijn verbond staan (
Jesaja 54:10).
Dat het de Vader is, wiens majesteit hier schittert op de troon, blijkt duidelijk genoeg daaruit, dat Hij zowel hier als elders duidelijk wordt onderscheiden van het Lam en de zeven geesten: het rijk is oorspronkelijk en blijft het rijk van de Vader.
Wel zegt de Heere, dat niemand de Vader gezien heeft behalve Hij, die in de schoot van de Vader is (Johannes 6:46). Johannes ziet ook de Vader niet als Vader, zo min als hij Jezus ziet in de gedaante, die Hij werkelijk heeft: hij ziet Hem in een gezicht, zoals hij schrijft een op de troon.
Zoals Johannes in Hoofdstuk 1 de Mensenzoon niet zo zag, als Hij werkelijk is, maar zoals Hij tegenover de zeven gemeenten treedt, eveneens ziet hij de allerhoogste God hier slechts zo, als die tegenover de wereld als de heilige Heerser en Rechter Zich openbaart.
Hier, waar de eeuwige en persoonlijke grond van al het volgende wordt afgebeeld, vertoont zich de heerlijkheid en gerechtigheid van God met haar onveranderlijke, vriendelijke genade in het nauwste verband, zodat de hele volgende ontwikkeling van het rijk van God en van de wereld tot aan het laatste einde, zoals zij door dat wonderbare enige wezen van de heilige, rechtvaardige en genadige God bepaald is, zowel wat haar verloop als haar doel betreft, met deze drievoudige heerlijkheid van de levende God moet overeenkomen. Zo bevat dit fundamenteel visioen alles wat dient tot verschrikking van de vijanden en tot vertroosting van de vrienden.
Johannes ziet hier de troon van God en op de troon een Zittende of Tronende, wiens naam hij uit heilig ontzag niet noemt. De Tronende is God de Vader, of wel de Drie-enige God. De troon en het zitten daarop is een zinnebeeld van koninklijke majesteit en heerschappij; de Vader wordt hier als Koning voorgesteld (1 Timotheus 1:17). Aan de edelgesteenten jaspis en sardius is al wat van Hem zichtbaar is gelijk. De steen jaspis wordt ook Openbaring 1:11 als het kostbaarste edelgesteente genoemd, om de heerlijkheid van God en de lichtglans van het nieuwe Jeruzalem te schilderen. Ik versta door de jaspis, een kleurloze steen, helder als water, die met onuitsprekelijke heerlijkheid het licht naar alle zijden in de wereld verspreidt. Deze edele steen is het beeld van de kleurlozen zonlicht straal en een aards beeld van het ongeschapen licht. Evenzo wordt de Vader ook op een andere plaats geschilderd: God woont in een ontoegankelijk licht, dat niemand gezien heeft, noch zien kan. En in Psalm 104:1 : "Heere, mijn God, U bent zeer groot. U bent bekleed met majesteit en heerlijkheid; U bedekt U met het licht als met een kleed. " De steen sardius is een vuurrood gesteente en is dus een beeld van de roodvervige vuurvlam zelf. De verschijning van de heerlijkheid van God wordt in de Schrift menigmaal als een vuur geschilderd. Zo verschijnt de Heere aan Mozes in een brandende braambos; evenzo Exodus 24:17 : "En het aanzien van de heerlijkheid van de Heere was als een verterend vuur, op het opperste van die berg, in de ogen van de kinderen van Israël. " Zoals een vuur zelf een rode gloed vertoont en een kleurloze lichtschijn rondom zich verspreidt, zo zijn deze beide edelgesteenten zinnebeelden van het helder stralende licht en het roodvlammige vuur van de heiligheid en heerlijkheid van God. Rondom de troon was een lichtboog, grasgroen van verf, zoals een grasgroene smaragd. Omdat de regenboog de zeven kleuren van de ongedeelde verfloze zonlichtstraal afspiegelt, maar hier als van één kleur en groen geschilderd wordt, komt aan deze plaats de regenboog slechts naar zijn heerlijke vorm en niet naar zijn prachtig vervenspel in aanmerking. De groene kleur van de lichtboog is geenszins toevallig, maar zij is de groene kleur van het kleed van de aarde, van de plantenwereld; en de aarde ligt daar voor God. Zoals zich de verfloze, ongebroken lichstraal van de heerlijke zon in de regenboog zevenvoudig en zevenvervig gedeeld weerspiegelt, zo wordt het ongeschapen licht van God in de schepping teruggespiegeld op de groene aarde. Zoals wij de zon niet kunnen aanschouwen, zonder door haar lichtzee te worden verblind, maar de regenboog, dat kind van de zonnestraal, met zijn zachte en milde licht- en vervenschemering ons oog weldoet, zo kunnen wij de heerlijkheid van God niet aanschouwen of begrijpen, zonder verblind of vernietigd te worden, wel echter de schepping van de heerlijkheid van God, dat uitvloeisel van het gindse ongeschapen licht, als welks hoofdbestanddeel hier de groene aarde wordt genoemd, die ons als onze woonplaats ons het meest van nabij aangaat en waarop groen hulsel het menselijk oog het meest met welgevallen rust, wanneer het de uit het gindse licht in haar overgestorte heerlijkheid, zoals de groene smaragdboog rondom Gods troon aanwijst, aanbiddend bewondert. Soms staat ook aan het stralende licht en het verterende vuur de blauwe verf van de saffiersteen tegenover. Zo zagen de 70 Israëlitische oudsten hun God, namelijk Christus, het afschijnsel van de heerlijkheid van de Vader, die de luister van de Ongeschapenen met een zachter licht te aanschouwen geeft, waardoor het schepsel niet vernietigd wordt. Exodus 24:10 : "En zij zagen de God van Israël en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen en als de gestaltenis van de hemel in zijn klaarheid. " Ezechiël zegt van de troon van God boven het hoofd van de Cherubs (Ezechiel 1:26-28): "En boven het uitspansel, dat boven hun hoofden was, was de gelijkenis van een troon, in het aanzien saffiersteen gelijk; en op die troongedaante was een gedaante als van een mens, daar boven op gezeteld. En ik zag als het ware glinsterend gouderts, met een vertoning van vuur daarin rondom (de van vuur stralende Christus-verschijning kwam de profeet voor als binnen de omtrekken van een menselijke lichaam-vorm begrensd) rondom van zijn lendenen af en opwaarts. En van Zijn lendenen af en neerwaarts zag ik als ware het louter vuur; en rondom Hem was een luistervolle glans. Als de gedaante van de boog, die in de wolken is ten dage van de regen, zo was het aanzien van de luistervolle glans rondom Hem. Dit was het voorkomen van de gedaante van de heerlijkheid van de Heere. " De beide zo-even aangehaalde plaatsen tonen ons de tweede hoofdverf, die wij op aarde het meest zien: het vriendelijk-heldere blauw van de hemel. De groene kleur van de plantenwereld en het blauw van het uitspansels, die beide onuitsprekelijk heerlijk door de spiegelglasvlakte van zeeën en meren, vooral in de nabijheid van het gebergte worden teruggekaatst, zijn de hoofdverven, waardoor het kleurloze zonlicht, dat op aarde neerdaalt, teruggestraald wordt, en dienen zo om de uitstroming van het goddelijke licht in de schepselen, vooral in de mensenwereld te verzienelijken. Om geheel uitsluitend op de aarde heen te wijzen is hier de groene kleur de enige van de lichtboog rondom de troon van de oneindige Vader. In de verschijning van de Heere bij Ezechiël, zijn licht en vuur, in de Apocalyps door de edelgesteenten jaspis en sardius afgebeeld, de in het oog vallende bestanddelen; verder bemerken wij, dat de troonbekleder aldaar, die een menselijke gedaante vertoont, Christus is, evenals bij de oudsten op de Sinaï. De verschijningen van het Oude Verbond durven wij aan deze in de Openbaring elijk stellen. Deze ontving alleen Johannes en als verschijning van God de Vader is zij in de Schrift de uitnemendste. De verschijning van de Zoon, die ook of de Cherubs troont en met de Vader één is, herkennen wij in de Oud-Testamentische visioenen aan de mensengestalte, waarvan de zieners melding maken. Hier schrijft Johannes; enkel: En op de Troon een Zittende, vol licht en vuur, wiens gestalte hij, zoals niemand de Vader kan zien, wegens dat licht en wegens dat vuur, niet in staat was te onderscheiden. De Vader is een Geest. Hij geeft Zich alleen in de Zoon te aanschouwen, van wie de heerlijkheid van de Vader afschijnt, zo krachtig als wij zulks in het verheerlijkte lichaam maar zullen kunnen verdragen.
Deze edelgesteenten zijn een zinnebeeld van twee eigenschappen van de Vader. De jaspis is een aanduiding van Gods oneindige heerlijkheid, waardoor alle schrik wordt weggenomen van de begenadigden, maar ook alle hoop van hen op wie de toorn van de Heere is: de sardius daarentegen van Gods straffende rechtvaardigheid, die aan de vijanden van de Kerk hun verderf voorspelt. De jaspis heeft verschillende kleuren; hier ziet Johannes een, die zo helder is als kristal. Ezechiël beschrijft de aanblik van een goddelijk strafgericht aldus: "Een stormwind kwam van het Noorden af een grote wolk en een vuur daarin vervangen en een glans was rondom die wolk en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur. " Eveneens elders: "Toen zag ik, en zie een gelijkenis als de gedaante van vuur; van de gedaante van zijn lendenen en neerwaarts was vuur; en van zijn lendenen en opwaarts als de gedaante van een klaarheid, als de verf van Hasmal. " Neerwaarts, dat is naar de aarde, verschijnt God aan Ezechiël in de toornegloed als wreker en rechter; maar opwaarts, naar de hemel, in de ruime glans van Zijn eeuwig, ongestoord Godsleven en van Zijn alles te boven gaande heerlijkheid. Daniël aanschouwt hetzelfde, wanneer hij de Oude van dagen ziet met een kleed, wit als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als witte wol; Zijn troon was vuurvonken, de raderen als een brandend vuur. Velen kennen God slechts als de heldere jaspis (hoewel zij Hem in waarheid niet en ook zo niet kennen); zij zeggen dat zij in Hem geloven als de Onveranderlijke, die ver verheven is boven de aarde en haar wisselvalligheid, als de heerlijke God, die zoals zij menen, zich in Zijn oneindige grootheid niet bekommert over hetgeen op aarde gebeurt en die door de woorden en daden van de mensen niet beledigd kan worden. Zij hopen niets van Hem; daarom bidden zij niet, wanend dat zulks helemaal niet baat; zij vrezen niets van Hem, daarom bekommeren zij zich niet over Zijn wil. Maar God is niet alleen aan een jaspis gelijk; maar ook aan de steen sardius, de carneool, die met zijn bloedrode kleur de straffende gerechtigheid van God afbeeldt. Johannes ziet deze vuurrode kleur ongetwijfeld daarom aan het benedeneinde van de verschijning, omdat zij betrekking heeft op de aarde. Wanneer Gods heilige, eeuwige, luisterrijke heerlijkheid boven blinkt als een heldere lichtglans, zoals de jaspis, zo fonkelt de gloed van Zijn toorn naar de aarde heen in het schijnsel van de Sardius. "Want de Heer uw God is een verterend vuur een ijverig God. Maar de stille, onveranderlijke, eeuwige majesteit van God is voor de schuldigen net zo vreselijk als het vuur van Zijn ongenade; zij toont, dat uit Zijn hand geen ontkomen en in Zijn straffen verandering noch einde te hopen is.
De glans en kleuren van deze stenen verwekken bij het aanschouwen zonderlinge bewegingen, zodat hierdoor de ontzaglijke en heerlijke glans van God te kennen wordt gegeven; de stralen van het licht veroorzaken een regenboog, zoals wij in de zon zien, als zij door een luchtige op een dikke wolk schijnt en in een brandende kaars, zo is ook door dit gezicht een regenboog veroorzaakt, vertonend de glans van Hem, die op de troon zat; hetgeen waarschijnlijk ziet op de regenboog van Noach, die tot een altijddurend teken, niet van het genadeverbond, maar van de onveranderlijke belofte, dat de wereld niet meer door water vergaan zou, gegeven is, zodat hier door de regenboog de onveranderlijke bestendigheid van God in het uitvoeren zowel van al Zijn besluiten, als van Zijn beloften, bedreigingen en voorspellingen te kennen gegeven wordt.
Door deze drie kostelijke stenen, waarvan de eerste van verschillende kleuren is, de tweede van blinkende lijfverve en de derde is van levendig groen, wordt hier bekwamelijk afgebeeld, de velerlei heerlijkheid en nochtans onveranderlijkheid van Gods wezen, dat alles ook met Zijn heerlijkheid bestraalt en door Zijn sterkte ondersteunt. Maar hier staat te bemerken dat hier geen gelijkenis of gestalte van Gods aangezicht wordt aangetekend, opdat de mensen hieruit geen oorzaak zouden nemen om Hem af te beelden, zoals Mozes van de verschijning van God op de berg Horeb in het vuur getuigt (Deuteronomium 4:15), waarom ook in de verschijning (Jesaja 6 Ezechiel 1, 10 geen bijzondere gestaltenis van het aanschijn wordt uitgedrukt. Ook hebben de Israëlieten in het Oude Testament onder de dekmantel van zulke verschijning aan de profeten gedaan, nooit God door enig beeld durven afbeelden, zoals de apostelen en eerste Evangelische kerk ook zulks nooit heeft bestaan, zo het strijdt tegen de uitgedrukte bevelen van God (Deuteronomium 4:15, 23 Jesaja 40:18 Handelingen 17:29 Romeinen 1:23).