Openbaring 1:9-20
Wij komen nu tot het heerlijke visioen, dat de apostel had van den Heere Jezus Christus, toen deze verscheen om hem Zijne openbaring te geven. Merk hier op:
I. De beschrijving, die gegeven wordt van den persoon, die met dit visioen bevoorrecht werd. Hij beschrijft zichzelf.
1. Zijn tegenwoordige staat en toestand. Hij was de broeder en medegenoot van de gemeenten in de verdrukking, en in het koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus. Hij was toen, evenals alle andere ware Christenen, een vervolgd man, verbannen en wellicht gevangen om zijn aanhangen van Christus. Hij was hun broeder, ofschoon een apostel, hij hechtte meer waarde aan deze zijne betrekking tot de gemeente, dan aan zijn gezag over haar. Judas Iskariot mocht een apostel zijn, maar hij was geen broeder in het gezin Gods. Hij was hun medegenoot, de kinderen van God moeten gemeenschap en gezelschap met elkaar zoeken. Hij was hun medegenoot in de verdrukking, de vervolgde dienstknechten van God leden niet alleen, dezelfde beproevingen werden aan anderen volbracht. Hij was hun medegenoot in de lijdzaamheid, hij deelde niet alleen in hun lijdensomstandigheden, maar ook in hun lijdensgenade. Indien wij de lijdzaamheid der heiligen bezitten, zullen wij niet murmureren wanneer hun beproevingen over ons komen. Hij was hun broeder en medegenoot in de lijdzaamheid van het koninkrijk van Christus, een lijder voor de zaak van Christus, omdat hij diens koninklijke macht over de gemeente en over de wereld erkende en daaraan bleef vasthouden tegenover ieder, die haar wilde bemachtigen. Door deze beschrijving, die hij van zijn tegenwoordigen toestand geeft, erkent hij zijn verplichting om met hen te gevoelen, en zijn vrijmoedigheid om hen door raad en troost te ondersteunen, en bespreekt hij zorgvuldiger aandacht voor hetgeen hij hun te zeggen had van Christus, hunnen Heere.
2. De plaats, waar hij met deze verschijning werd begunstigd: hij was op het eiland genaamd Patmos. Hij zegt niet wie hem daarheen verbannen had. Het betaamt Christenen weinig en zedig over hun eigen lijden te spreken. Patmos is een eiland in de Egeïsche zee, een van de groep die de Cycladen genoemd wordt, ongeveer twaalf uren in omtrek. Gedurende de gevangenschap was de troost des apostels dat hij niet leed als een kwaaddoener, maar dat het was om de getuigenis van Jezus, omdat hij van Christus als de EMMANUEL, de Zaligmaker, getuigde. Deze zaak was lijden waard, en de Geest der heerlijkheid en van God rustte op den vervolgden apostel.
3. De dag, waarop hij deze verschijning genoot, het was de dag des Heeren, welken Christus voor zich zelven heeft afgezonderd, evenals het avondmaal des Heeren avondmaal of de dis des Heeren heet. Zeker dit kan niet anders dan de Christelijke rustdag, de eerste dag der week, zijn, gewijd aan de herdenking van de opstanding van Christus. Laat ons, die hem onzen Heere noemen, Hem op Zijnen dag eren, den dag, dien de Heere gemaakt heeft, opdat wij ons daarop zouden verheugen.
4. De toestand van zijn ziel op dien dag.
Hij was in den Geest. Hij was niet slechts in verrukking toen hij de verschijning ontving, maar ook voor dat ogenblik, hij was in een ernstige, hemelse, geestelijke stemming, onder den gezegenden, genadigen invloed van den Geest Gods. Zij, die op den dag des Heeren gemeenschap met God willen genieten, moeten trachten hun gedachten en genegenheden aan het vlees en de vleselijke dingen te onttrekken en geheel vervuld te zijn met hemelse dingen. God bereidt gewoonlijk de zielen van de Zijnen voor ongewone openbaringen van Hem zelven voor door de verlevendigende, heiligende invloeden van Zijn Geest.
II. De apostel geeft een verslag van hetgeen hij hoorde toen hij dus in den Geest was. Hij werd opgewekt door een geluid als van een bazuin, en toen hoorde hij ene stem, de stem van Christus, die zich noemde met den vroeger vermelden naam: de eerste en de laatste, en den apostel beval op te schrijven de dingen, die nu aan hem zouden geopenbaard worden en de brieven onmiddellijk te zenden aan de zeven gemeenten van Azië, die bij namen genoemd worden. Op die wijze gaf de Heere Jezus, de leidsman onzer zaligheid, aan den apostel kennis van Zijn luisterrijke verschijning met het geluid ener bazuin.
III. Thans volgt de mededeling van hetgeen hij zag. Hij keerde zich om ten einde te zien de stem, wie dat was en vanwaar hij kwam, en toen had hij het wonderbaar visioen voor zich.
1. Hij zag een vertegenwoordiging van de gemeente onder het beeld van zeven gouden kandelaren, want zo wordt dat beeld uitgelegd in het laatste vers van dit hoofdstuk. De gemeenten worden vergeleken met kandelaren, omdat uit haar het licht des Evangelies naar buiten schijnt. De gemeenten zijn geen kaarsen, Christus alleen is ons licht en Zijn Evangelie is onze lamp, maar zij ontvangen haar licht van Christus en van Zijn Evangelie en laten het voor anderen schijnen. Zij zijn gouden kandelaren, want zij moeten kostbaar en zuiver zijn, en op fijn goud gelijken, niet enkel de dienaren maar ook de leden der gemeenten behoren zo te zijn, hun licht moet schijnen voor de mensen, opdat dezen dat ziende God mogen verheerlijken.
2. Hij zag den Heere Jezus Christus in het midden van de gouden kandelaren, want Hij heeft beloofd dat Hij met Zijne gemeente zal zijn tot aan het einde der wereld, en haar vervullen met licht, leven en liefde, want Hij is zelf de levendmakende ziel der gemeente. Merk op:
A. De luisterrijke gedaante, waarin Christus verscheen in verschillende bijzonderheden.
a. Hij was bekleed met een lang kleed tot de voeten, een vorstelijk en priesterlijk kleed, aanduidende heerlijkheid en rechtvaardigheid,
b. Omgord aan de borsten met een gouden gordel, de borstplaat van den hogepriester, waarop de namen van Zijn volk waren gegraveerd: Hij was gegord, gereed om het werk van Verlosser uit te voeren,
c. Zijn hoofd en haar was wit, gelijk witte wol, gelijk sneeuw. Hij was de Oude van dagen, Zijn witte hoofdhaar was geen teken van verval, maar een kroon der heerlijkheid,
d. Zijne ogen waren gelijk ene vlam vuurs, doorborend en doordringend in de harten en nieren der mensen, schrikverwekkend voor Zijne vijanden,
e. Zijne voeten waren blinkend koper gelijk, sterk en vaststaande, dragende Zijn eigen belangen, en Zijn vijanden onder houdende en tot poeder tredende, zij gloeiden als in een oven, f. En Zijne stem als ene stem van vele wateren, van alle rivieren, die zich in elkaar storten. Hij kan en zal zich hoorbaar maken voor allen, die nabij en voor allen die verre zijn. Zijn Evangelie is als een bruisende en machtige stroom, gevoed door de bronnen van opperste wijsheid en kennis.
g. En Hij had zeven sterren in Zijne rechterhand, dat is, de dienaren van de zeven gemeenten, die onder Zijne leiding staan, al hun licht en invloed alleen van Hem ontvangen en door Hem verzekerd en bewaard worden.
h. Uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard. Zijn woord, dat heelt zowel als wondt en al de zonden ter rechter- en ter linkerzijde slaat.
i. Zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in hare kracht, met een glans, die te schitterend en te verblindend was voor sterflijke ogen.
B. De indruk, dien deze verschijning op Johannes maakte, vers 17. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijne voeten, hij was overweldigd door de grootsheid van den luister en de heerlijkheid, waarmee Christus verscheen, ofschoon hij vroeger zo vertrouwelijk met hem geweest was. Hoe goed is het voor ons, dat God tot ons spreekt door mensen gelijk wij zijn, wier verschrikkingen ons niet bevreesd maken, want niemand kan God zien en leven.
C. De neerbuigende goedheid van den Heere Jezus Christus voor Zijn discipel: Hij legde Zijne rechterhand op mij, vers 17. Hij richtte hem op, Hij drukte hem niet door Zijn grote macht, maar Hij stortte hem sterkte in en sprak vriendelijke woorden tot hem.
a. Woorden van troost en bemoediging: Vrees niet! Hij onthief Zijn discipel van de slaafse vrees.
b. Woorden van onderrichting, hem mededelende voornamelijk waarom Hij hem aldus verschenen was. En Hij gaf hem te kennen: Ten eerste. Zijn goddelijke natuur: Ik ben de eerste en de laatste. Ten tweede. Zijn vroeger lijden: Ik ben dood geweest, Ik ben dezelfde, dien de discipelen aan het kruis zagen hangen toen Hij stierf voor de zonden der mensen.
Ten derde. Zijn opstanding en leven: Ik ben levend in alle eeuwigheid, want Ik heb den dood overwonnen, het graf geopend, en heb het eeuwige leven.
Ten vierde. Zijn bediening en Zijn gezag: Ik heb de sleutels der hel en des doods, een vrijmachtig opperbevel in en over de onzienlijke wereld, Ik open en niemand kan sluiten, Ik sluit en niemand kan openen, Ik open de poorten des doods wanneer het Mij behaagt, en de poorten der eeuwige wereld, van gelukzaligheid of ellende, als Rechter van allen, van wiens vonnis geen hoger beroep mogelijk is.
Ten vijfde. Zijn wil en welbehagen: Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is en hetgeen geschieden zal na dezen. Ten zesde. De betekenis van de zeven sterren, dat zij zijn de dienaren der gemeente, en van de zeven kandelaren, dat zij zijn de zeven gemeenten, aan welke Christus nu Zijn bijzondere en eigenaardige boodschappen zenden zou.