Hebreeën 10:1-6
De apostel gaat, onder de leiding van Gods Geest, hier voort in het aantonen van de geringheid der Levitische bedeling, want ofschoon die een goddelijke instelling en op haar tijd en plaats zeer uitnemend en nuttig was, toch in vergelijking met Christus, aan wie alleen het opgedragen was het volk te leiden, was het zeer nuttig en nodig haar zwakheid en onvolkomenheid te bewijzen, hetgeen de apostel thans doet met verscheidene gronden.
I. De wet had een schaduw, maar slechts een schaduw, van de toekomende goederen, en wie zou genoegen nemen met een schaduw, zelfs van goede dingen, vooral wanneer het wezen zelf gekomen is?
1. De dingen van Christus en het Evangelie zijn toekomende goederen , zij zijn de beste dingen, zij zijn de beste in zich zelven en de beste voor ons, zij zijn werkelijkheden en van uitnemenden aard.
2. Deze goede dingen waren onder het Oude Testament toekomende goede dingen, niet duidelijk geopenbaard, niet ten volle genoten.
3. De Joden hadden slechts de schaduw van de goede dingen van Christus, enkele afbeeldingen er van, wij onder het Evangelie hebben de werkelijkheid.
II. De wet was niet het beeld zelf der toekomende goederen. Een beeld is een nauwkeurige gelijkenis van het ding, dat het voorstelt. De wet ging zo ver niet, zij was slechts een schaduw, het beeld van een mens in een spiegel is veel beter dan zijn schaduw op den wand. De wet was niet meer dan een ruwe tekening van het grote doel der goddelijke genade, en daardoor niet waard dat men er zo aan gehecht bleef.
III. De wettelijke offers, die van jaar tot jaar gebracht werden, konden nooit heiligen degenen, die daar toe gingen, want dan zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden, vers 1, 2. Indien zij hadden kunnen voldoen aan den eis der gerechtigheid en verzoening aanbrengen voor de ongerechtigheid, de gewetens hadden kunnen reinigen en bevredigen, dan hadden zij opgehouden, want zij zouden voortaan niet meer nodig geweest zijn, omdat de offeraars geen zonden in hun geweten zouden gevoeld hebben. Maar dit was niet het geval, nadat de verzoening een dag geduurd had, viel de zondaar weer in een of andere overtreding, en had hij opnieuw behoefte aan verzoening, en behalve de dagelijkse bedieningen, eenmaal `s jaars. Maar nu, onder het Evangelie, de verzoening volkomen is en niet behoeft herhaald te worden, en de zondaar, die eenmaal vergeving ontvangen heeft, in dien toestand van vergeving blijft en niet nodig heeft dan alleen zijn berouw en zijn geloof te vernieuwen, nu kan hij een vertroostend gevoel van voortdurende vergeving hebben.
IV. De wettelijke offeranden in zich zelven namen de zonden niet weg, want het was onmogelijk dat zij zulks doen konden, vers 4. Zij hadden een onherstelbaar gebrek.
1. Zij waren niet van gelijke natuur als wij, die gezondigd hebben.
2. Zij waren niet van voldoende waarde om voldoening aan te brengen voor de beledigingen, Gods rechtvaardigheid en regering aangedaan. Zij waren niet van dezelfde natuur, die beledigd had, en konden dus geen gevolgen hebben. Veel minder nog waren zij van dezelfde natuur, die beledigd was, en niets dan de natuur, die beledigd was, kon genoegzame voldoening voor de belediging door een offerande aanbrengen.
3. De dieren, die volgens de wet geofferd werden, konden niet door eigen toestemming zich in de plaats van den zondaar stellen. Het verzoenende offer moest bij machte zijn er zelf in toe te stemmen, en moest zich vrijwillig in de plaats van den zondaar stellen. Dat deed Christus.
V. Er was een tijd bepaald en voorzegd door den groten God, en die tijd was nu gekomen, wanneer deze wettelijke offeranden niet meer door Hem aangenomen zouden worden en ze den mens niet meer nutten zouden. God begeerde ze nooit voor zich zelven, en nu schafte Hij ze af, en daarom zou een blijven toegaan tot die offeranden zijn een weerstaan en verwerpen van God. De tijd van de afschaffing van de levitische offeranden was door David voorspeld in Psalm 40:7-8, en wordt daar als reeds gekomen voorgesteld. Een nieuw bewijs voor den apostel van de geringheid der Mozaïsche bedeling.