Openbaring 6:9-17
In het vervolg van dit hoofdstuk hebben wij de opening van het vijfde en het zesde zegel.
I. Het vijfde zegel. Hier wordt geen melding gemaakt van iemand, die den apostel opriep om te komen en te zien, waarschijnlijk omdat de plechtigheid van het visioen vanzelf in het oog viel, en omdat elk van de vier dieren zijn werk van oproeping vervuld had, en de gebeurtenissen, die nu kwamen, buiten den leeftijd en dus buiten den gezichtskring van de toenmalige dienaren der gemeente lagen. Ook wellicht omdat die opening geen profetie van nieuwe aanstaande gebeurtenissen bevat, maar veeleer de bron van ondersteuning en vertroosting voor hen, die geweest waren en nog verkeerden onder grote beproeving voor de zaak van Christus. Merk op:
1. Het gezicht, dat den apostel ten dele viel bij de opening van het vijfde zegel, dat zeer aandoenlijk was, vers 9. Ik zag onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het woord Gods en om de getuigenis, die zij hadden. Hij zag de zielen der martelaren. Merk hier op:
A. Waar hij hen zag: onder het altaar, aan den voet van het reukaltaar, in de heiligste plaats, hij zag hen in den hemel, aan de voeten van Christus.
a. Vervolgers kunnen alleen het lichaam doden, en daarna kunnen zij niets meer doen, de zielen blijven leven.
b. God heeft in de betere wereld een goede plaats voor die zielen bestemd, voor hen, die tot den dood getrouw zijn en wie niet toegestaan wordt langer op de aarde te verkeren.
c. De heilige martelaren zijn in den hemel zeer dicht bij Christus, zij hebben daar de hoogste plaats.
d. Niet hun eigen dood, maar de offerande van Christus, geeft hun toegang tot den hemel en een beloning aldaar. Zij wassen hun klederen niet in hun eigen bloed, maar in het bloed des Lams.
B. Wat de oorzaak van hun lijden was.
Het woord Gods en de getuigenis, die zij hadden. Omdat zij in het woord Gods geloofden en de waarheid daarvan beleden en getuigden, deze belijdenis zonder wankelen vasthielden, zelfs tot gedood-wordens toe. Een heerlijke oorzaak, de beste waarvoor ooit iemand zijn leven kan afleggen, het geloof in Gods Woord en de belijdenis van dat geloof.
2. Het geroep dat hij hoorde, het was een luid geroep en bevatte een nederige herinnering aan het lange uitstel, dat de wrekende gerechtigheid aan hun vijanden verleende. Hoe lang, o heilige en rechtvaardige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? vers 10. Merk op:
A. Ook de geesten van de volmaakt rechtvaardigen bewaren een betamelijke gevoeligheid over het onrecht, dat zij van hun wrede vijanden hebben moeten verduren, en ofschoon zij in liefde sterven, biddende, als Christus deed, dat God de zonden moge vergeven, zijn zij toch begerig, ter ere van God en van Christus en van het Evangelie, en ten afschrik en overtuiging van anderen, dat God een rechtvaardige wraak zal nemen over de aangedane vervolging als zonde, ook wanneer Hij de vervolgers vergeeft en redt.
B. Zij bevelen hun zaak aan Hem, wie de wraak toekomt, zij wensen niet zich zelven te wreken, maar laten alles aan God over.
C. Er zal blijdschap in den hemel zijn over de verwoesting van de onverzoenlijke vijanden van Christus en het Christendom, zowel als over de bekering van de overige zondaren. Wanneer Babylon valt wordt er gezegd: Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten! want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld, Hoofdstuk 18:20.
3. Hij hoorde het vriendelijk antwoord, dat op hun kreet gegeven werd, vers 11. Hij zag wat hun gegeven en hoorde wat hun gezegd werd.
A. Hetgeen hun gegeven werd: lange witte klederen, de klederen van overwinning en van eer, hun tegenwoordige gelukzaligheid was overvloedige beloning voor hun vroeger lijden.
B. Hetgeen hun gezegd werd: Zij moesten nog een korten tijd geduld hebben, want het zou niet lang duren eer het aantal van hun deelgenoten in het lijden zou vervuld worden. Dat is een uitspraak meer geschikt voor den onvolmaakten staat der heiligen in deze wereld dan voor hun volmaakten toestand in den hemel, daar is geen ongeduld, geen onaangenaam gevoel, geen behoefte aan vermaning, maar in deze wereld is grote behoefte aan lijdzaamheid.
a. Er is een aantal Christenen, aan God bekend, die zijn aangewezen als schapen ter slachting, afgezonderd om Gods getuigen te zijn.
b. Gelijk de maat der zonden van de vervolgers vervuld wordt, zo ook het getal van de vervolgde dienstknechten van Christus, die den marteldood zullen sterven.
c. Wanneer dat getal vervuld is, zal God een rechtvaardige en schitterende wraak nemen op hun wrede vervolgers, Hij zal verdrukking vergelden aan degenen, die hen verdrukt hebben, en hun, die verdrukt werden, volkomen en onafgebroken rust.
II. Thans wordt het zesde zegel geopend, vers 12. Sommigen menen dat dit betrekking heeft op de grote omwentelingen in het keizerrijk ten tijde van Constantijn de Grote, den val van het heidendom. Anderen, met groter waarschijnlijkheid, zien er in de verwoesting van Jeruzalem, als een afschaduwing van het grote oordeel en de vernietiging van de godlozen aan het einde der wereld. En inderdaad, de ontzagwekkende tekenen van de hier beschreven gebeurtenis hebben zeer veel gelijkenis met de tekenen door onzen Zaligmaker genoemd als voorboden van de verwoesting van Jeruzalem, zodat er weinig plaats is gelaten aan den twijfel of deze gebeurtenis hier wel bedoeld wordt, ofschoon velen menen dat die reeds geschied was. Zie Mattheus 24:29, 30. Merk op:
1. De verschrikkelijke gebeurtenissen, die naderbij spoedden, en hier zijn verscheiden omstandigheden, die samenwerkten om dien dag uitermate vreeslijk te maken. A. Er werd een grote aardbeving. Dat mag opgevat worden in staatkundigen zin, de grondslagen van de kerk en den staat der Joden werden vreeslijk geschud, ofschoon zij zo vast schenen te staan als de aarde zelf.
B. De zon werd zwart als een haren zak, hetzij in de natuur, door een zonsverduistering, of staatkundig, door den val van de voornaamste regeerders en overheden van het land.
C. De maan werd als bloed, de lagere regeringspersonen en krijgshoofden zouden waden in hun eigen bloed.
D. De sterren des hemels vielen op de aarde, en dat wel gelijk een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt. De sterren kunnen alle mensen van aanzien en invloed onder hen betekenen, maar die niet in regeringskringen werkzaam waren, er zal een algemene ontwrichting zijn.
E. De hemel is weggeweken als een boek, dat toegerold wordt. Dit kan betekenen dat hun kerkelijke toestand verloren gaat en voor goed verdwijnt.
F. En alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. De ondergang van het Joodse volk zou allen volken rondom hen belangstelling inboezemen en verschrikken, ook hen, die het hoogst in eer waren en het best bevestigd schenen, het zou een oordeel zijn, dat de gehele wereld verwonderen zou.
2. De vrees en ontzetting, die alle soorten van mensen op dien groten en ontzaglijken dag zouden aangrijpen, vers 15. Geen gezag, of grootheid, of rijkdom, of dapperheid, of kracht, zou instaat zijn de mensen in die ure te ondersteunen, ja zelfs de arme slaven, van welke men denken zou dat die niets te vrezen hadden omdat zij niets te verliezen hadden, zouden op dien dag zich ontzetten. Merk hier op:
A. Den graad van hun schrik en verwondering, die zou zo hoog stijgen, dat zij verbijsterd en wanhopig zouden worden, en uitroepen: "Bergen, valt op ons, en steenrotsen, verbergt ons! Zij zouden wensen niet meer gezien te worden, ja niet meer te bestaan.
B. De oorzaak van hun vertwijfeling, namelijk het aangezicht van Hem, die op den troon zit, en de toorn des Lams. Merk op:
a. Hetgeen een oorzaak van ongenoegen is voor Christus, is het ook voor God, zij zijn zo geheel en al een, dat hetgeen den een behaagt of mishaagt ook den ander behaagt of mishaagt.
b. Ofschoon God onzienlijk is, kan Hij echter de bewoners der wereld onder den indruk brengen van Zijn ontzaglijk aangezicht.
c. Ofschoon Christus het Lam is, kan Hij ontstoken worden, zelfs tot toorn toe, en de toorn des Lams is waarlijk vreselijk, want indien de Verlosser, die den toorn Gods tegen de zonden gedragen heeft, zelf in een toornigen vijand verandert, waar zullen wij dan een vriend hebben om voor ons tussen te treden? Zij, die door den toorn des Lams verloren gaan, gaan reddeloos verloren. d. Gelijk de mensen hun tijd van gelegenheid en hun dag van zaligheid hebben, zo heeft God Zijn dag van rechtvaardigen toorn, en wanneer die dag zal aangebroken zijn, dan zullen ook de stoutmoedigste zondaren niet voor Zijn aangezicht bestaan kunnen. Al deze verschrikkingen overvielen in werkelijkheid de zondaren in Judea en Jeruzalem op den dag hunner verwoesting, en zij zullen allen in den hoogsten graad komen over de onbekeerde zondaren bij het algemene oordeel ten jongsten dage.