Handelingen 10:34-43
Wij hebben hier de rede, uitgesproken door Petrus voor Cornelius en zijne vrienden, dat is: een uittreksel, of de hoofdsom er van, want wij hebben reden te geloven, dat hij met veel meer andere woorden betuigde, en hen vermaande. Door de zinsnede: Petrus, den mond opendoende, zei, vers 34, wordt te kennen gegeven, dat hij met groten ernst en plechtigheid heeft gesproken, maar ook met grote vrijheid en uitvoerigheid. Onze mond is opengedaan tegen u, o Corinthiërs! zegt Paulus, 2 Corinthiërs 6:11. "Gij zult ons mededeelzaam bevinden, zo wij u slechts onderzoekend bevinden." Tot nu toe was de mond der apostelen gesloten voor de onbesnedene Heidenen, hun hadden zij niets te zeggen, maar nu heeft God hun, evenals aan Ezechiël, opening des monds gegeven. Deze voortreffelijke rede van Petrus is bewonderenswaardig gepast voor de omstandigheden van hen, voor wie zij werd uitgesproken, want het was ene nieuwe rede.
I. Omdat het Heidenen waren voor wie zij werd uitgesproken, hij toont aan, dat zij, hoewel zij Heidenen waren, toch belang hadden bij het Evangelie van Christus, dat hij had te prediken, en dat zij recht hadden op de weldaden er van, op gelijken voet met de Joden. Het was nodig dat dit helder en klaar uitgesproken zou worden, want hoe zou hij anders met vrijheid kunnen prediken, of zij met enigerlei vertroosting voor hen zelven kunnen horen? Daarom stelt hij het als een ontwijfelbaar beginsel vast, dat God geen aannemer des persoons is, dat Hij het aangezicht in het gericht niet kent, zoals de Hebreeuwse uitdrukking is, hetgeen aan overheidspersonen verboden werd, Deuteronomium 1:17, 16:19, Spreuken 24:23, en waarvoor zij gelaakt werden, als zij het deden, Psalm 82:2. En het wordt dikwijls van God gezegd, dat Hij het aangezicht niet aanneemt, Deuteronomium 10:17, 2 Kronieken 19:7, Job 34:19, Romeinen 2:11, Colossenzen 3:25, 1 Petrus 1:17. Hij oordeelt niet ten gunste van een mens, om den wille van een uitwendig goed, dat echter niets met de zaak uitstaande heeft. God verkeert het recht niet vanwege enig persoonlijk aanzien, noch zal Hij den slechte steunen in ene slechte zaak, om den wille van zijne schoonheid, of statuur, of om zijn landaard, zijne bloedverwanten of vrienden, zijn rijkdom, eer en aanzien in de wereld. Als Weldoener geeft God gunsten naar Zijn welgevallen en oppermachtig, Deuteronomium 7:7, 8, 9:5, 6, Mattheus 20:10, maar als Rechter geeft Hij niet aldus Zijne oordelen, maar in allen volke, en in ed ere gemeenschap, is wie Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam, vers 35. De zaak staat eenvoudig zo:
1. God heeft nooit een goddelozen Jood, die in onboetvaardigheid heeft geleefd en onboetvaardig is gestorven, gerechtvaardigd, al was hij ook van het zaad Abrahams, en een Hebreeër uit de Hebreeën, en al heeft hij ook al de eer genoten, en de voorrechten, die aan de besnijdenis zijn verbonden, en nooit zal Hij zo iemand rechtvaardigen. Maar toorn, verdrukking en benauwdheid zal Hij alle ziel des mensen vergelden, die het kwade werkt, eerst van den Jood, wiens voorrechten en belijdenis, in plaats van hem te beschutten tegen het oordeel Gods, zijne schuld en verdoemenis slechts zullen verzwaren, zie Romeinen 2:3, 8, 9, 17. Hoewel God de Joden boven andere natiën bevoorrecht heeft met de waardigheid van het lidmaatschap der zichtbare kerk, zal Hem toch niemand van hen, die deze waardigheid bezitten, welbehaaglijk zijn, indien zij zich, in strijd met hun belijdenis, overgeven aan zedeloosheid, inzonderheid aan vervolging, hetgeen nu, meer dan iets anders, de nationale zonde der Joden was.
2. Nooit heeft Hij een oprecht Heiden afgewezen of verworpen, en nooit zal Hij zo iemand afwijzen of verwerpen, die, hoewel hij de voorrechten en voordelen niet had van de Joden, toch, gelijk Cornelius, God vreest, Hem aanbidt en gerechtigheid werkt, rechtvaardig en barmhartig is jegens alle mensen, leeft naar het licht, dat hij heeft, zowel in oprechte Godsvrucht, als in een eerlijken wandel, van welke natie hij ook zijn moge, al is hij dan ook nog zo ver verwijderd van bloedverwantschap met het zaad Abrahams, of al is hij ook nog zo gering, ja zelfs al draagt hij ook nog zulk een slechten naam, dat zal geen schade of nadeel voor hem zijn. God oordeelt de mensen naar hun hart, niet naar hun land en maagschap, en waar Hij een oprechten mens vindt, zal Hij een oprechte God worden bevonden, Psalm 18:26 Merk op: God vrezen en gerechtigheid werken moeten samen gaan, want gelijk gerechtigheid jegens de mensen een tak is van den waren Godsdienst, zo is Godsvrucht een tak van de algemene gerechtigheid. Godsvrucht en oprechtheid moeten samen gaan. het ene verontschuldigt de afwezigheid niet van het andere. Maar waar zij overheersend zijn, daar is niet te twijfelen aan het welbehaaglijk zijn aan God. Niet, alsof, na den val, enig mens de gunst van God anders kan verkrijgen dan door het middelaarschap van Jezus Christus, en door Gods genade in Hem, maar zij, die de kennis niet hebben van Hem, en dus geen bepaalden, bewusten eerbied voor Hem kunnen hebben, kunnen toch om Zijnentwil genade van God verkrijgen, om God te vrezen en gerechtigheid te werken, en waar God genade geeft om dit te doen, zoals Hij die genade aan Cornelius heeft gegeven, zal Hem, door en in Christus, het werk Zijner handen wèl bevallen.
A. Nu is dit, ook voordat Petrus het heeft vernomen, altijd ene waarheid geweest, dat God geen aannemer des persoons is. Het was van den beginne een vaste regel van recht: Is er niet, indien gij wel doet, verhoging? en zo gij niet wel doet, de zonde -en de straf er voor- ligt aan de deur, Genesis 4:7. In den groten dag zal God niet vragen van welk land de mensen waren, maar wat zij waren, wat zij deden, hoe hun houding was tegenover Hem en tegenover hun naasten. En indien het persoonlijk karakter der mensen noch voordeel, noch nadeel ontleende aan het grote verschil, dat er bestond tussen Joden en Heidenen, veel minder zullen zij dan voordeel of nadeel ontlenen aan het mindere verschil van gevoelens en praktijken, die er onder de Christenen zelven kunnen bestaan, zoals ten opzichte van spijzen en van dagen, Romeinen 14. Dit is zeker: het koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest, en hij, die in deze dingen Christus dient, is Gode aangenaam, en behoort ook de goedkeuring der mensen weg te dragen, immers, zouden wij durven verwerpen hen, die God niet verwerpt?
b. Maar nu is zij helderder dan te voren in het licht gesteld. Deze grote waarheid was verduisterd door het eigenaardige verbond, dat met Israël werd gesloten, en de tekenen van onderscheid, die op hen gelegd werden. De ceremoniële wet was een muur des afscheidsels tussen hen en de andere volken. Het is waar, dat God hierin deze natie heeft bevoorrecht, Romeinen 3:1, 2, 9:4, en daaruit hebben bijzondere personen onder hen afgeleid, dat zij zeker waren van Gods welbehagen in hen, al leefden zij dan ook naar het goeddunken van hun eigen hart, en dat geen Heiden Gode aangenaam kon zijn. God heeft door de profeten zeer veel gezegd om deze vergissing te voorkomen en te herstellen, maar nu, ten laatste, doet Hij het krachtig en afdoend, door dit verbond van ceremoniën op te heffen, en aldus Jood en Heiden voor God gelijk te maken. Aan Petrus werd dit hier duidelijk, door het visioen, dat hij had, te vergelijken met het visioen van Cornelius. Het is duidelijk, dat nu, in Christus Jezus noch besnijdenis enige kracht heeft, noch voorhuid, Galaten 5:6, Colossenzen 3:11.
II. Omdat zij Heidenen waren, die ene plaats bewoonden binnen de grenzen van het land Israël's, verwijst hij hen naar hetgeen zij zelven wel moesten weten van het leven en de leer, de prediking en de wonderen, den dood en het lijden van onzen Heere Jezus, want het gerucht hiervan was tot alle hoeken des lands doorgedrongen, vers 37 en verder. Het vergemakkelijkt den arbeid van de leraren als zij te doen hebben met mensen, die enige kennis hebben van de dingen Gods, waarop zij zich kunnen beroepen, en waarop zij voort kunnen bouwen.
1. In het algemeen kenden zij het woord, dat is. het Evangelie, dat hij gezonden heeft den kinderen Israël's. Dat woord, zeg ik, kent gij, vers 37 1). Hoewel de Heidenen niet toegelaten werden, om het te horen, (Christus en Zijne discipelen waren niet gezonden dan tot de verlorene schapen van het huis Israël's,) hebben zij er toch wel van moeten horen, want overal in de stad, en op het land, werd er van gesproken. In het Evangelie wordt ons dikwijls gezegd, dat het gerucht van Christus uitging door geheel het land, toen Hij op aarde was, zoals later het gerucht van Zijn Evangelie uitging over de gehele aarde, Romeinen 10:18. Dat woord, dat Goddelijke woord, dat woord van kracht en genade, kent gij.
a. Gij weet wat de strekking was van dat woord. God heeft er de blijde boodschap door verkondigd van vrede door Jezus Christus, euaggelizomenos eirênên. Het is God zelf, die vrede verkondigt, God zelf, die rechtvaardiglijk krijg had kunnen afkondigen, Hij doet kond aan de wereld van het mensdom, dat Hij tot vrede met hen bereid is, door Jezus Christus, in Hem heeft Hij de wereld met zich verzoend.
b. Aan wie het gezonden was, aan de kinderen Israël's, in de eerste plaats, de eerste aanbieding is hun gedaan. Al hun naburen hebben dit gehoord, en zij konden hun die voordelen en voorrechten van het Evangelie wel benijden, meer dan zij hun ooit de voordelen van de wet hebben benijd. Toen zei men onder de Heidenen: de Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan, Psalm 126:2. 2. Zij kenden de onderscheidene feiten betreffende dit woord des Evangelies, aan Israël gezonden.
Zij kenden den doop der bekering, door Johannes gepredikt, bij wijze van inleiding er van, en waarmee het Evangelie het eerst is begonnen, Markus 1:1. Zij wisten welk een buitengewoon man Johannes geweest is, en hoe de strekking, het doel van zijne prediking is geweest: den weg des Heeren te bereiden. Zij wisten welk een grote toeloop er was tot zijn doop, welk een invloed hij gehad heeft, en wat hij gedaan heeft.
b. Zij wisten, dat onmiddellijk na den doop van Johannes het Evangelie van Christus, het woord van vrede, verkondigd is door geheel Judea, en dat het begonnen is van Galilea. De twaalf apostelen, en de zeventig discipelen, en onze Meester zelf, verkondigden deze blijde boodschap in alle delen des lands, zodat wij kunnen onderstellen, dat er in geheel het land Kanaän gene stad of dorp was, waar het Evangelie niet gepredikt is.
c. Zij wisten, dat Jezus van Nazareth toen Hij op aarde was, het land doorging goed doende. Zij wisten welk een Weldoener Hij was voor dat volk, zowel voor de ziel als voor het lichaam der mensen: hoe Hij het tot Zijn levenswerk heeft gemaakt om allen wèl te doen, en nooit aan iemand leed gedaan heeft. Hij was niet traag, maar altijd doende, niet zelfzuchtig, maar goed doende, Hij heeft zich niet bepaald tot ene plaats, en niet gewacht, totdat de mensen Zijne hulp kwamen inroepen, maar is tot hen gegaan, van plaats tot plaats, en overal waar Hij kwam, heeft Hij goed gedaan. Hiermede heeft Hij getoond, dat Hij van God was gezonden, die goed is en goed doende, die goed doet, omdat Hij goed is, en waardoor Hij zich niet onbetuigd heeft gelaten, in de wereld, goed doende van den hemel, Hoofdstuk 14:17. En hierin heeft Hij ons een voorbeeld gesteld van onvermoeibare naarstigheid in het dienen van God en ons geslacht, want wij zijn in de wereld gekomen, om er al het goed in te doen, dat wij kunnen, en, evenals Christus moeten wij hierin blijven en overvloedig zijn.
d. Zij wisten inzonderheid, dat Hij allen genas die van den duivel overweldigd waren, hen van onder zijne overweldigende macht weg hielp. Hieruit bleek niet slechts, dat Hij van God was gezonden, daar dit ene weldaad was voor de mensen, maar ook, dat Hij gezonden was, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou, want aldus heeft Hij menige overwinning over hem behaald.
e. Zij wisten, dat de Joden Hem ter dood hebben gebracht, zij hebben Hem gedood, Hem hangende aan een hout. Toen Petrus voor de Joden predikte, zei hij, dien gij gedood hebt, maar nu hij voor de Heidenen predikte, is het, dien zij hebben gedood, zij, aan wie Hij zo veel goed gedaan heeft en heeft willen doen. Dit alles wisten zij, maar opdat zij niet zouden denken, dat het slechts een gerucht was, en, zoals dit dikwijls met geruchten het geval is, een gerucht, dat de zaak vergroot en overdreven voorstelt, heeft Petrus het in zijn eigen naam, en in naam der overige apostelen, betuigd en bevestigd, vers 39. Wij zijn getuigen, ooggetuigen, van al hetgeen Hij gedaan heeft, en oorgetuigen van de leer, die Hij heeft gepredikt, beide in het Joodse land en te Jeruzalem, in stad en land. 3. Zij wisten, of konden weten, door dit alles, dat Hij ene opdracht had van den hemel om te prediken en te handelen, zoals Hij gepredikt en gehandeld heeft. Hierbij verwijlt hij nog in zijne rede, dit wil hij vooral voor hen doen uitkomen. Laten zij weten:
a. Dat deze Jezus is een Heere van allen, dat staat in een tussenzin, maar het is het hoofdvoorstel dat bewezen moet worden, nl. dat Jezus Christus, door wie vrede is gemaakt tussen God en den mens, Heere is van allen, niet slechts als God boven allen te prijzen tot in eeuwigheid, maar als Middelaar. Alle macht in hemel en op aarde is in Zijne handen gelegd, en al het oordeel is Hem overgegeven. Hij is Heere van de engelen, zij zijn allen Zijne nederige dienaren. Hij is Heere van de machten der duisternis, want Hij heeft over hen getriomfeerd. Hij is Koning der volken, heeft macht over alle vlees, Hij is Koning der heiligen, al de kinderen Gods zijn Zijne leerlingen, Zijne onderdanen, Zijne krijgsknechten.
b. Dat God Hem gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht. Hij was door ene Goddelijke zalving beide gevolmachtigd en bekwaam gemaakt om te doen wat Hij gedaan heeft, weshalve Hij Christus -de Messias - de Gezalfde genoemd werd. Bij Zijn doop is de Heilige Geest op Hem nedergedaald, en Hij was vol van kracht, beide in Zijne prediking en in Zijn doen van wonderen, hetgeen het zegel was van ene Goddelijke zending.
c. Dat God met Hem was, vers 38. Zijne werken werden gewerkt in God. God heeft Hem niet slechts gezonden, maar is voortdurend met Hem geweest, Hij heeft Hem erkend, Hem bijgestaan en door geholpen in al Zijn arbeid en Zijn lijden. God zal altijd wezen met hen, die Hij zalft, Hij zelf zal wezen met hen, aan wie Hij Zijn Geest geeft.
III. Omdat zij niets zekers meer hadden gehoord van dezen Jezus. verhaalt Petrus hun Zijne opstanding van de doden en geeft er hun de bewijzen van, opdat zij niet zouden geloven, dat er, nadat Hij gedood was, nu een einde met Hem was gemaakt. Zij hadden te Cesarea waarschijnlijk wel iets gehoord van Zijne opstanding, maar het gerucht er van werd spoedig gesmoord door het snode beweren der Joden, dat Zijne discipelen Hem des nachts gestolen hebben. Daarom legt Petrus hier den nadruk op als zijnde de voornaamste steun van het woord, dat vrede predikt door Jezus Christus.
1. De kracht, waardoor Hij is opgestaan, was ontegenzeglijk Goddelijk, vers 40. Dezen heeft God opgewekt ten derden dage, hetgeen niet slechts al den laster tegen Hem, al de beschuldigingen, die de mensen tegen Hem inbrachten, weerlegde, maar krachtig Gods welbehagen in Hem bewees, en Zijne aanneming van de genoegdoening door Hem volbracht voor de zonden der mensen door het bloed Zijns kruizes. Hij is niet uitgebroken uit de gevangenis, Hij is er wettig uit ontslagen.
God heeft Hem opgewekt.
2. De bewijzen van Zijne opstanding waren onbetwistbaar duidelijk, want God heeft Hem openlijk getoond. Hij heeft gegeven, dat Hij openbaar zou worden, -edooken auton emphanê genesthai, zichtbaar te zijn, blijkbaar zichtbaar te zijn, Hij verschijnt zo, dat het ontwijfelbaar blijkt, dat Hij het is, en geen ander. Het was zulk een tonen van Hem, dat het een onbetwistbaar bewijs werd van de waarheid Zijner opstanding. Hij heeft Hem wel niet in het openbaar, niet aan allen, getoond, maar blijkbaar, niet al den volke, die de getuigen zijn geweest van Zijn dood, door hun weerstaan van de bewijzen, die Hij hun had gegeven van Zijne Goddelijke zending in Zijne wonderen, hadden zij de gunst verbeurd om ooggetuigen te zijn van dit grote bewijs er van. Zij, die onmiddellijk de leugen hebben verzonnen en verbreid dat Hij gestolen was, zijn met recht overgegeven aan ene kracht der dwaling, om die leugen te geloven, en zo veel te groter zal ook de zaligheid wezen van hen, die niet gezien, en nochtans geloofd hebben. "Hij heeft zich niet aan het volk in het algemeen getoond, opdat de goddelozen onder hen niet terstond van hun dwaling zouden genezen worden, en opdat het geloof, waarvan de beloning zo groot is, met enige moeilijkheid zou geoefend worden. Tertulliani Apologia, cap. 11. Maar hoewel al het volk Hem niet gezien heeft, is Hij toch door een genoegzaam aantal personen gezien, om van de waarheid Zijner opstanding te getuigen. De verklaring van des testamentmakers laatsten wil en testament behoeft niet voor al het volk te geschieden, het volstaat dat het geschiedt voor een toereikend getal van geloofwaardige getuigen, en zo is ook de opstanding van Christus voor een genoegzaam aantal getuigen gebleken.
a. Het waren gene toevallige getuigen, neen, zij waren van God te voren verkoren om er getuigen van te zijn, en daarom hebben zij hun opvoeding gehad onder den Heere Jezus, hebben zij gemeenzaam omgang met Hem gehad, opdat zij, Hem zo van nabij gekend hebbende, er des te meer zeker van konden wezen, dat Hij het was.
b. Zij hadden geen plotseling gezicht van Hem, dat slechts een ogenblik duurde, en toen voorbij was, maar zij hebben vele gesprekken met Hem gehad, zij zijn met Hem omgegaan, hebben met Hem gegeten en gedronken, nadat Hij uit de doden opgestaan was. Hierin ligt opgesloten, dat zij Hem zagen eten en drinken, getuige hun middagmalen met Hem aan de zee van Tiberias, en getuigen de twee discipelen, met wie Hij het avondmaal gebruikte te Emmaus, en dit bewees, dat Hij waarlijk en wezenlijk een lichaam had. Maar dit was niet alles, zij zagen Hem zonder enige vrees of ontsteltenis te gevoelen, waardoor zij anders onbevoegde getuigen zouden geweest zijn, want zij zagen Hem zo dikwijls, en Hij heeft zo gemeenzaam met hen gesproken, is zo gemeenzaam met hen omgegaan, dat zij met Hem gegeten en gedronken hebben. Het wordt als een bewijs aangevoerd van het heldere gezicht, dat Israël's edelen op de heerlijkheid Gods gehad hebben, Exodus 24:11, dat zij aten en dronken nadat zij God gezien hadden. IV. Hij besluit met uit dit alles de gevolgtrekking af te leiden, dat, wat zij allen nu te doen hadden, was in dezen Jezus te geloven. Hij was gezonden, om aan Cornelius te zeggen wat hij doen moest, en het is dit: zijn bidden en zijn aalmoes geven was heel goed, maar hem ontbrak een ding: hij moet in Christus geloven. Merk op:
1. Waarom hij in Hem moet geloven, geloof heeft betrekking op een getuigenis, en het Christelijk geloof is gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, het is gebouwd op het getuigenis, dat zij hebben gegeven.
a. Dat de apostelen hebben gegeven. Petrus spreekt als woordvoerder voor de overigen, dat God hun geboden heeft, hun den last heeft opgedragen, den volke te prediken en te betuigen van Christus, zodat hun getuigenis niet alleen geloofwaardig, maar authentiek was, en waaraan wij ons kunnen toevertrouwen. Hun getuigenis is Gods getuigenis, en zij zijn Zijne getuigen aan de wereld. Zij zeggen het niet slechts als een nieuwsbericht, maar zij getuigen het als een door oorkonden bewezen feit, waarnaar de mensen geoordeeld moeten worden.
b. Dat de profeten hebben gegeven, de profeten van het Oude Testament, wier getuigenis van te voren, niet alleen betreffende Zijn lijden, maar ook betreffende het doel er van, het getuigenis der apostelen ten zeerste versterkt en bevestigt, vers 43, Dezen geven getuigenis alle de profeten. Wij hebben reden te geloven, dat Cornelius en zijne vrienden gene vreemdelingen waren voor de geschriften der profeten. Uit den mond van deze twee wolken van getuigen, die zo nauwkeurig samenstemmen, zal dit woord bestaan.
2. Wat zij Hem betreffende moeten geloven.
a. Dat wij allen verantwoordelijk zijn aan Christus, als onzen Rechter. Dit was den apostelen geboden aan de wereld te getuigen, nl. dat deze Jezus van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en doden, vers 42. Hij is gemachtigd om de voorwaarden der verlossing voor te schrijven, den regel, naar welken wij geoordeeld moeten worden, wetten te geven beide aan levenden en doden, aan Jood en Heiden, en Hij is verordineerd om op den groten dag den eeuwigen staat te bepalen van al de kinderen der mensen, van hen, die levend zullen gevonden worden, en van hen, die van de doden opgewekt zullen worden. Daarvan heeft Hij ons verzekeringgedaan, dewijl Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, Hoofdstuk 17:31, zodat het voor ons allen de grote zaak is, om, in het geloof hieraan, Zijne gunst te zoeken, en Hem tot onzen Vriend te maken.
b. Dat wij, zo wij in Hem geloven, door Hem, als onze Gerechtigheid, gerechtvaardigd zullen worden, vers 43. De profeten hebben, als zij van den dood van Christus spraken, getuigd, dat door Zijn naam, om Zijnentwil en vanwege Zijne verdienste, een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal. Dat is de grote zaak, die wij nodig hebben, zonder welke wij verloren zijn, en waarnaar het van zonde overtuigd geweten het meest vraagt. De vleselijk gezinde Joden dachten haar te verkrijgen door de ceremoniële offers en reinigingen, ja ook de Heidenen dachten haar te verkrijgen door boete en verzoening, maar te vergeefs, zij is alleen en uitsluitend te verkrijgen door den naam van Christus, en alleen door hen, die in Zijn naam geloven, en die dat doen, kunnen er van verzekerd wezen, hun zonden zullen vergeven worden, en er zal voor hen gene verdoemenis zijn. En de vergeving van zonden legt een fondament voor alle andere gunsten en zegeningen door datgene uit den weg te nemen, dat er ene verhindering voor was. Als de zonde vergeven is, dan is alles wèl en zal tot in eeuwigheid wèl zijn.