Lukas 1:26-38
Hier wordt ons bericht alles wat voor ons gepast is te weten betreffende de menswording en ontvangenis van onzen gezegenden Zaligmaker zes maanden na de ontvangenis van Johannes. Dezelfde engel Gabriël, die gebruikt werd om aan Zacharias Gods raadsbesluit bekend te maken omtrent zijn zoon, wordt ook hiervoor gebruikt, want het heerlijke werk der verlossing, hetwelk daarin begonnen werd, wordt hierin voortgezet. Gelijk de boze engelen geen verlosten zijn, zo zijn de goede engelen ook geen verlossers, maar zij worden door den Verlosser gebruikt als Zijne boodschappers, en blijmoedig volvoeren zij Zijne boodschappen, omdat zij de ootmoedige dienaren zijn Zijns Vaders en de hartelijke vrienden Zijner kinderen, en die hun welzijn begeren.
I. Er wordt ons hier een bericht gegeven omtrent de moeder onzes Heeren, uit wie Hij geboren zou worden, en schoon wij haar niet moeten aanbidden, behoren wij wel God voor haar te loven.
1. Haar naam was Maria, dezelfde naam als Mirjam, de zuster van Mozes en Aäron. De naam betekent verhoogd, en wèl was het een grote verheffing voor haar om aldus bevoorrecht te zijn boven alle dochters uit het huis van David.
2. Zij was ene dochter uit het koninklijk geslacht, in rechte lijn afstammende van David, en zij zelf en al hare vrienden wisten dit, want zij was bekend onder den titel en de hoedanigheid van het huis David's, hoewel zij arm en gering was in de wereld. Door Gods voorzienigheid en de zorg der Joden om hun geslachtsregisters bij te houden, is zij instaat geweest om dit uit te maken en te bewijzen, en zolang de belofte van den Messias nog vervuld moest worden, was het der moeite waard om de gedachtenis aan die afkomst te bewaren, maar voor hen, die thans tot een lagen staat in de wereld gebracht zijn, is het niet der moeite waard om van hoge afkomst te spreken.
3. Zij was ene maagd, zuiver en onbevlekt, maar ondertrouwd aan een man uit dezelfden koninklijken stam, maar evenals zij in geringe omstandigheden, zodat om beide deze redenen er (gelijk dit ook voegde) gelijkheid tussen hen was. Zijn naam was Jozef, en ook hij was uit het huis van David, Mattheus 1:20. De moeder van Christus was ene maagd, omdat Hij niet door gewone generatie, maar door een wonder geboren moest worden. Dit was nodig, want Hij moest wel der menselijke natuur deelachtig worden, maar niet het bederf dier natuur. Maar Hij werd geboren uit een ondertrouwde maagd, die zich bereidde om in het huwelijk te treden, ten einde den huwelijken staat aldus te eren en datgene niet in minachting te brengen, hetwelk ene instelling was uit den staat der onschuld, doordat de Verlosser uit ene maagd werd geboren.
4. Zij woonde te Nazareth, ene stad in Galilea, een afgelegen hoek des lands, zonder vermaardheid wegens Godsdienstzin of geleerdheid, maar grenzende aan de heidenen, waarom het "Galilea der heidenen" genoemd werd. Dat Christus aldaar bloedverwanten heeft wonen duidt aan, dat er voor de heidenwereld gunst en genade is weggelegd. En Dr. Ligthtfoot merkt, op, dat Jona een geboren Galileër was, en dat Elia en Elisa welbekend waren in Galilea, en deze allen waren vermaarde profeten der heidenen. De engel werd tot haar gezonden te Nazareth. Geen afstand of ongunstige omstandigheid ener plaats zal nadeel opleveren voor hen, aan wie God gunst wil schenken. De engel Gabriël brengt zijne boodschap even blijmoedig aan Maria te Nazareth in Galilea, als aan Zacharias in den tempel te Jeruzalem. II. De toespraak van den engel tot haar vers 28. Er wordt ons niet gezegd, wat zij deed, of waarmee zij zich bezighield, toen de engel tot haar kwam, maar hij verraste haar met zijne groetenis: Wees gegroet, gij begenadigde. Dit was bedoeld om in haar op te wekken:
1. Ene waardering van zichzelve, en hoewel het zeer zelden nodig is om met dit doel zo iets in het gemoed der mensen op te wekken, is het soms, en voor de zodanige die, gelijk Maria, slechts ogen hebben voor hun nederigheid, nuttig en nodig.
2. Ene verwachting van een belangrijke tijding, niet van verre, maar van boven. Ongetwijfeld bestemt de hemel ongemene gunsten voor ene, aan wie een engel zulk een eerbied betoont. "Wees gegroet", Chaire - verheug u. Het was de gewone vorm van begroeting, zij drukt achting uit voor haar, en welwillendheid jegens haar en haar welzijn.
a. Zij is verwaardigd: Gij begenadigde of gij hoog-bevoorrechte. God heeft door u te verkiezen om de moeder van den Messias te zijn, u een bijzondere eer aangedaan, boven die van Eva om de moeder aller levenden te zijn." De Vulgata vertaalt dit door gratiâ plena -vol van genade, en leidt hieruit af, dat zij meer dan iemand anders de aangeboren of inwonende genadegaven des Geestes had, terwijl het zeker is, dat hier niets anders mede aangeduid wordt dan de bijzondere gunst, haar bewezen in haar te verkiezen om onzen gezegenden Heere te ontvangen en te baren, ene eer, die, daar Hij het Zaad der vrouw moest wezen, aan ene vrouw moest aangedaan worden, niet om haar persoonlijke verdienste, maar zuiver en alleen uit vrije genade, en daartoe werd zij door God uitverkoren. Ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
b. Zij geniet de tegenwoordigheid Gods. "De Heere is met u, hoewel gij arm en gering zijt, en wellicht thans overlegt hoe aan een levensonderhoud te komen in uw gehuwden staat." Met dit woord heeft de engel het geloof van Gideon opgewekt, Richteren 6:12. De Heere is met u. Aan niets moeten wij wanhopen, aan geen vervulling van enigerlei dienst of werk, aan geen verkrijgen van enigerlei gunst, hoe groot ook, als God met ons is. Dit woord kan haar herinneren aan EMMANUEL, God met ons, dien ene maagd zal ontvangen en baren, Jesaja 7:14, en waarom zal zij deze maagd niet zijn?
c. De zegen Gods is op haar: Gij zijt gezegend onder de vrouwen. Gij zult niet slechts als zodanig door de mensen worden beschouwd, maar gij zult het zijn. Gij, die in deze zaak zo hoog bevoorrecht zijt, kunt verwachten dat gij in andere dingen gezegend zult zijn.. Zij zelve verklaart dit aldus, vers 48, Van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. Vergelijk dit met hetgeen Debora zegt van Jael, een andere vrouw, die de roem van hare sekse is geweest, Richteren 5:24.
Gezegend zij zij boven de vrouwen in de tent.
III. De ontsteltenis, die deze toespraak in haar teweegbracht, vers 29. Als zij hem zag, hem en de heerlijkheid, die hem omstraalde, werd zij ontroerd, maar meer nog toen zij hoorde, wat hij tot haar sprak. Indien deze jonge vrouw hoogmoedig en eerzuchtig ware geweest, iemand die naar hoge dingen stond en zich vleide met verwachtingen van deze wereld, dan zou zij gestreeld zijn door zijn woord, er opgeblazen door zijn geworden, en-daar zij, naar wij reden hebben te geloven, een jonge vrouw was met vele gaven van verstand-zou zij ook wel een antwoord gereed hebben gehad, waarin dit te kennen werd gegeven. Doch in plaats hiervan is zij beschaamd en verlegen, daar zij zich niet bewust is van iets, dat zulke grote dingen verdiende of beloofde, en zij overlegde hoedanig deze groetenis mocht zijn. Was zij van den hemel, of van de mensen? Was het om met haar te schertsen? Was het om haar te verstrikken? Of was er iets wezenlijks en gewichtigs in? Maar wat zij nu ook omtrent deze groetenis gedacht moge hebben, ik geloof niet dat het denkbeeld bij haar is opgekomen, dat zij ooit bestemd of bedoeld was om haar als een gebed te gebruiken, zoals zij eeuwenlang door verdorven, ontaarde en anti-christelijke geslachten in de kerk is gebruikt, nu nog gebruikt wordt, en tienmaal opgezegd wordt tegen eenmaal het gebed des Heeren, in de kerk van Rome. Maar haar nadenken bij deze gelegenheid is een zeer nuttige wenk voor jeugdige personen van haar sekse, als er toespraken tot haar geschieden, om na te denken en te overleggen hoedanig de groetenissen mochten zijn, en vanwaar zij komen en wat zij beogen, ten einde ze dienovereenkomstig aan te nemen, en steeds op hare hoede te kunnen zijn.
IV. De boodschap zelf, die de engel haar had te geven. De engel geeft haar enige ogenblikken rust om te kunnen nadenken, doch bemerkende dat hare verlegenheid hierdoor nog toeneemt, gaat hij voort met zijne boodschap te zeggen, vers 30. Op wat hij reeds gezegd had, antwoordde zij niet, daarom bevestigt hij het.
"Vrees niet, Maria! ik heb geen andere bedoeling dan u te verzekeren, dat gij gunst en genade bij God hebt gevonden, meer dan gij denkt, gelijk er anderen zijn, die denken meer door God begunstigd te zijn dan inderdaad het geval is." Zij, die genade bij God hebben gevonden, moeten geen wantrouwende, verontrustende vrees koesteren. Heeft God u begenadigd ? Vrees niet, al is het ook dat de wereld u donker en dreigend aanziet. Is Hij voor u? Dan doet er niet toe wie tegen u is.
1. Hoewel zij ene maagd is, zal haar de eer geschieden om moeder te worden. Gij zult bevrucht worden, en een zoon baren, en zult Zijn naam heten Jezus, vers 31. Over Eva werd het vonnis uitgesproken dat, hoewel zij de eer zal hebben om de moeder van alle levenden te zijn, met die eer de bitterheid gemengd zal wezen, dat hare begeerte tot haar man zal zijn, en dat hij over haar heerschappij zal hebben, Genesis 3:16. Doch Maria heeft de eer zonder bitter bijmengsel gehad.
2. Hoewel zij arm en onbekend is in de wereld, zal zij de eer hebben om de moeder te zijn van den Messias, haar zoon zal genoemd worden Jezus - dat is: Zaligmaker, zodanig een als de wereld behoeft, veeleer dan een zodanige als de Joden verwachtten.
a. Hij zal zeer nauw verbonden zijn aan de bovenwereld. Hij zal groot zijn, waarlijk groot, onbetwistbaar groot, want Hij zal de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden, de Zoon van God, die de Allerhoogste is, van dezelfde natuur, gelijk de zoon van dezelfde natuur is als de vader, en Hem zeer dierbaar, gelijk de zoon den vader dierbaar is. Hij zal genaamd worden-en volkomen terecht, het is geen verkeerde benaming-de Zoon des Allerhoogsten, want Hij is zelf God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, Romeinen 9:5. Zij, die de kinderen Gods zijn, al is het ook slechts door aanneming en wedergeboorte, zijn waarlijk groot, en daarom behoren zij ook zeer goed te zijn, 1 Johannes 3:2.
b. Hij zal zeer hoog verheven zijn in de lagere wereld, want, hoewel Hij onder zeer ongunstige omstandigheden geboren wordt en in de gestaltenis eens dienstknechts verschijnt, zal toch God, de Heere, Hem den troon van Zijn vader David geven, vers 32. Hij herinnert haar, dat zij uit den huize David's is, en dat bijgevolg, daar geen Salische wet en geen recht van eerstgeboorte het erfrecht op dien troon in den weg stonden, de mogelijkheid niet was buitengesloten, dat zij een erfgenaam van dien troon zou voortbrengen, en zij het dus des te gemakkelijker kon geloven, als haar door een engel van den hemel gezegd werd, dat dit zo zijn zal, dat, nadat de scepter lang van dat aloude en geëerde huis was geweken, hij er nu in terug zal komen, om er in te blijven, niet door opvolging, maar in dezelfde hand en tot in eeuwigheid. Zijn volk wil Hem dien troon niet geven, wil Zijn recht niet erkennen om over hen te heersen, maar de Heere God zal Hem het recht geven om over hen te heersen, Hij heeft Hem gezalfd als koning over Zion, den berg Zijner heiligheid. Hij verzekert haar dat Zijn koninkrijk geestelijk zijn zal, Hij zal over het huis Jakobs koning zijn, niet over Israël naar het vlees, want zij bekommeren zich niet om Hem, en zullen ook niet lang een zelfstandig volk blijven, derhalve moet het een geestelijk koninkrijk zijn, het huis Israël's overeenkomstig de belofte, waarover Hij zal heersen. Dat het eeuwig zijn zal, Hij zal tot in eeuwigheid regeren, en Zijns koninkrijks zal geen einde zijn, zoals er reeds lang een einde was aan de wereldlijke regering van David's huis, en er binnenkort een einde zal komen aan den Israëlitischen staat. Andere kronen zijn niet van geslacht tot geslacht, maar wèl die van Christus, Spreuken 27:24. Het Evangelie is de laatste bedeling, wij hebben geen andere te wachten, naar geen andere uit te zien.
V. De nadere mededeling, die haar gegeven werd in antwoord op hare vraag betreffende de geboorte van dezen vorst.
1. Zij doet een gepaste vraag. "Hoe zal dat wezen?.vers 34. Hoe kan ik thans bevrucht worden? (want dat is het wat de engel bedoelde) dewijl ik geen man bekenne, moet het dan anders dan naar gewone voortteling zijn? Zo ja, laat mij dan weten hoe?" Zij wist dat de Messias uit ene maagd geboren moest worden, indien zij nu Zijne moeder moet zijn, wenst zij te weten hoe. Dit was niet de taal van het wantrouwen, of van twijfel aan hetgeen de engel zei, maar van de begeerte om nader onderricht te worden.
2. Zij ontvangt een bevredigend antwoord, vers 35.
a. Zij zal bevrucht worden door de kracht des Heiligen Geestes, wiens werk en ambt het is te heiligen, en dus de maagd tot dat doel te heiligen of af te zonderen. De Heilige Geest wordt genoemd de kracht des Allerhoogsten. Vraagt zij hoe dit zal wezen? Dit is genoeg om haar over alle moeilijkheden, die er in schijnen te zijn, heen te helpen. Een Goddelijke kracht zal dit ondernemen, niet de kracht eens engels, die er in gebruikt wordt, zoals in andere wonderwerken, maar de kracht van den Heiligen Geest zelven.
b. Zij moet gene vragen doen betreffende het hoe, de wijze waarop, het zal geschieden, want de Heilige Geest, als de kracht des Allerhoogsten, zal haar overschaduwen, zoals de wolk den tabernakel bedekte, toen God er bezit van nam, om hem te verbergen voor hen, die er al te nieuwsgierig de bewegingen van wilden gadeslaan, en er de verborgenheid van wilden begluren. De formering van ieder kindeken in den schoot der moeder, en het binnentreden van den geest des levens er in, is een verborgenheid der natuur. Niemand weet den weg des winds, of hoedanig de beenderen zijn in den schoot ener zwangere vrouw. Prediker 11:5. Wij zijn in het verborgene gemaakt, Psalm 139:15, 16.. En nog zoveel te meer was de formering van het kindeken Jezus ene verborgenheid. Buiten allen twijfel groot was de verborgenheid der Godzaligheid, God geopenbaard in het vlees, 1 Timotheus 3:16. Het is wat nieuws op de aarde geschapen," Jeremia 31:22, waaromtrent wij niet moeten begeren wijs te zijn boven hetgeen geschreven is.
c. Het kind, dat zij in haar schoot zal ontvangen, is iets heiligs, en moet dus niet door gewone voortteling ontvangen worden, omdat Hij niet in het gewone bederf en de verontreiniging der menselijke natuur moet delen. Met groten nadruk wordt van Hem gesproken als van "dat Heilige," zoals er nooit geweest is, en Hij zal Gods Zoon genaamd worden, als de Zoon des Vaders door eeuwige generatie, ter aanduiding waarvan Hij nu geformeerd zal worden door den Heiligen Geest in deze ontvangenis. Zijn menselijke natuur moet zo voortgebracht worden als het betaamde, om in vereniging te zijn met de Goddelijke natuur.
3. Ter verdere bemoediging van haar geloof wordt haar gezegd, dat hare nicht Elizabeth, hoewel ver op hare dagen gekomen, zwanger was, vers 36. Het is ene eeuw van wonderen, die nu begint, wees dus niet verrast of verwonderd, hier is er een onder uw eigen bloedverwanten, dat waarlijk groot is, hoewel niet zo groot als dit. God is gewoon voort te gaan, op te klimmen, in het werken van wonderen. Grotere werken dan deze zult gij doen. Hoewel Elizabeth van vaders zijde een dochter Aärons was, vers 5, kon zij toch van moeders zijde tot het huis David's behoren, want deze twee geslachten zijn meermalen door huwelijken met elkaar verbonden, als een onderpand van de vereniging van het koningschap met het priesterschap in den Messias. Deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde. Dit geeft, naar Dr. Lightfoots mening te kennen, dat al de voorbeelden in het Oude Testament van personen, die kinderen kregen, na lang onvruchtbaar te zijn geweest, hetgeen bovennatuurlijk was, ten doel hadden om de wereld toe te bereiden voor het geloof, dat ene maagd een zoon zal baren, hetgeen tegen de natuur was. Daarom heeft Abraham zelfs in de geboorte van Izaak den dag van Christus gezien, zulk een wonder voorzien, in de geboorte van Christus. De engel geeft aan Maria hier de verzekering van, om haar geloof te bemoedigen, en besluit met deze grote waarheid van ontwijfelbare zekerheid en algemene nuttigheid: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn, vers 37, en, indien geen ding, dan ook dit niet. Daarom heeft Abraham aan de beloftenis Gods niet getwijfeld, maar is gesterkt geweest in zijn geloof aan de macht Gods, Romeinen 4:20, 21. Geen woord van God moet ongelooflijk voor ons zijn, zolang als geen werk van God voor Hem onmogelijk is.
VI. Hare berusting in den wil Gods over haar, vers 38. Zij doet zich kennen:
1. Als een gelovige onderdaan onder het gezag Gods: Zie, de dienstmaagd des Heeren. Heere, ik ben tot Uw dienst, ter Uwer beschikking, om te doen wat Gij mij gebiedt." Zij werpt het gevaar niet tegen dat nu wellicht haar huwelijk niet tot stand zal komen, haar goede naam geschaad zal worden, maar laat de uitkomst over aan God, en onderwerpt zich volkomen aan Zijn wil.
2. Als ene, die gelovig de gunst van God verwacht. Zij is niet slechts tevreden, dat het zo zijn zal, maar zij verlangt ootmoedig, dat het zo zijn moge. Mij geschiede naar Uw woord. Ene gunst als deze moet door haar niet gering worden geschat, niet met onverschilligheid door haar beschouwd worden, en God wil voor hetgeen Hij beloofd heeft, gebeden worden, door ons gebed moeten wij ons amen, ons zo zij het, aan de belofte toevoegen. Gedenk, en vervul, het woord, tot Uwen knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. Wij moeten, gelijk Maria hier deed, onze begeerten regelen naar het woord Gods, en er onze hoop op gronden. Mij geschiede naar Uw woord, zo, en niet anders. Hierop ging de engel van haar weg, de boodschap volbracht hebbende, waarop hij was uitgezonden, keerde hij terug, om er verslag van te doen, en nieuwe instructies te ontvangen. Het verkeer met engelen was altijd iets voorbijgaands en van korten duur, in den toekomstigen staat zal het voortdurend en blijvend wezen. Algemeen wordt verondersteld, dat juist op dit ogenblik de maagd door de overschaduwende kracht des Heiligen Geestes bevrucht werd: dewijl de Schrift hieromtrent echter een heilig stilzwijgen bewaart, betaamt het ons niet er nieuwsgierig naar te zijn, en nog minder om er ons met stelligheid over uit te spreken.