2. De uitverkoren gelovigen naar de voorkennis 1) of het besluit (
Handelingen 2:23 Romeinen 8:29) van God de Vader, om hen namelijk van de heidenwereld af te zonderen, in de heiligmaking van de Geest 2), die zij ontvangen hebben, tot een eigen volk gewijd (
Hoofdstuk 2:9), tot gehoorzaamheid en a) besprenging van het bloed van Jezus Christus3) en aldus, ondanks de uitwendige verstrooiing tot een eenheid of tot een gemeente verbonden b) Genade en vrede zij u vermenigvuldigd! 4) U, die reeds zo grote zegen is toegedeeld, wordt steeds meer heil geschonken (
2 Petrus 1:2 Judas 1:2
Daniël 4:1).
a) Hebreeën 12:24 b) Romeinen 1:7. 1 Corinthiërs 1:3 Galaten 1:3 Galaten 4:3 Efeze 1:2
1) In plaats van voorkennis, leest een van de handschriften van Stefanus, "voornemen" en Augustinus leest "voorbeschikking. " De apostel Petrus had waarschijnlijk te voren te kennen gegeven, dat het roepen van de heidenen door God, om Zijn volk te zijn, onder het Evangelie geen onverwacht ding was, maar door God voorzien en voorspeld door de profeten, als iets, dat gebeuren zou te zijner tijd overeenkomstig de wil van God. Als Joodse gelovigen de Christenen uit de Heidenen te eniger tijd mochten tegenwerpen, dat zij indringers waren, dat zij zich te veel aanmatigden en zichzelf met hen gelijkstelden, die vanouds het volk van God waren, omdat zij naar het volk van God waren van gisteren of eergisteren, legt Petrus hun hier een antwoord in de mond, dat het was volgens de voorkennis van God, dat Hij het voldoende had te kennen gegeven door Zijn profeten vele eeuwen te voren en zij het daarom moeten aanmerken als iets, dat overeenkomstig was met de wil van God. Het was volgens de voorkennis van God de Vader: de eerste oorzaak van hun verlossing door Jezus Christus was de liefde van God de Vader, die aangenomen had, vele eeuwen vóór de komst van Christus in de wereld, niet alleen de Joden te roepen, maar ook om zich een verkoren volk aan te nemen uit de Heidenen (Handelingen 15:14-18 Romeinen 8:28-30; 9:24-26; 11:2. 1 Petrus 2:9, 10). Het was geenszins toe te schrijven aan de verdienste van zodanige Heidenen, of hun geschonken als een vergelding voor hun werken van rechtvaardigheid, vóór hun bekering gedaan, dat het Evangelie tot hen gezonden was, maar aan de voorkennis en liefde van God de Vader (Romeinen 9:11 Efeze 1:2-13. 2 Timotheus 1:9 Titus 3:4, 5).
2) Let op de vereniging van de drie goddelijke personen in al hun genadige werkingen. Hoe dwaas spreken zulke gelovigen, die verkiezingen maken in de personen van de Drie-eenheid, die van Jezus denken, dat Hij de verpersoonlijking is van alles, wat liefelijk en genadig is, terwijl zij zich de Vader voorstellen als streng rechtvaardig, maar zonder enige goedheid. Zij, die de verzoening van de Zoon en het besluit van de Vader zo verheerlijken, dat zij het werk van de Geest minder achten, hebben evenzeer ongelijk. In het werk van de genade handelt geen van de personen van de Drie-eenheid afzonderlijk. Zij zijn evenzeer verenigd in hun werken als in hun wezen. Zij zijn één in hun liefde tot de uitverkorenen en ook in de daden, voortvloeiend uit die grote hoofdbron, zijn zij onafscheidelijk. Let hierop bijzonder in het werk van de heiligmaking. Terwijl wij zonder misvatting van de heiligmaking als van het werk van de Geest mogen spreken, moeten wij ons wel wachten, om dat werk te beschouwen, alsof noch de Vader noch de Zoon daaraan deel had. Het is juist om de heiligmaking als het werk van de Vader, van de Zoon en van de Geest te beschouwen. Daarenboven zegt de Heere: laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis, dus zijn wij Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God voorbereid heeft, opdat wij in deze zouden wandelen. Zie de waarde, die God aan wezenlijke heiligheid hecht, omdat de drie personen van de Drie-eenheid voorgesteld worden, als samenwerkende om een gemeente, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, daar te stellen. En u dan, gelovige, behoort als navolger van Christus, ook een grote waarde aan heiligheid, aan reinheid van het leven en aan godzaligheid in uwen wandel te hechten. Schat het bloed van Christus als de grond van uw hoop, maar spreek nooit licht over het werk van de Geest, die u bereidt voor de erfenis van de heiligen in het licht. Laat ons heden aldus leven, dat wij het werk van de drie-enige God in ons openbaren.
Rijk, schoon en krachtvol is het voorstel van de apostel Petrus in de aanvang van deze eerste brief. Daarin bepaalt hij al meteen het standpunt, waarin de gemeente van de Heere, zal zij dat echt zijn, staat en staan moet, zonder daarmee echter te willen zeggen, dat elk van haar belijders zo stond, omdat toch ook de apostelen geen hartenkenners waren en gewoon waren de leden van de gemeente naar de aard van de liefde te beoordelen. Zij beslaat als een gemeente, overeenkomstig Gods eeuwig en genadig ontwerp, uitverkoren uit een wereld, die in het boze ligt, tot het genot van de herstelling, die in Jezus Christus is en de daaraan verbonden zaligheid; daartoe had de Heilige Geest haar onder en door het woord van het Evangelie aangetrokken, bewerkt en geheiligd, zodat een nieuwe zin en keus in haar leeft en werkt; dat was geschied tot bevordering van gehoorzaamheid aan God, om Hem als Zijn eigen volk te dienen; en daartoe had zij dan ook door de besprenging met het water van de Doop het teken en zegel van de verzoening door Christus' bloed ontvangen en stond zo in de gemeenschap met God de Vader in Christus Jezus door de Heilige Geest. Dat is het echte beeld, de ware tekening van de gemeente van de Heere, zodanig is zij en behoort zij door alle tijden te zijn en elk van haar leden moet zich daaraan toetsen, zal zij zich daarin verblijden en daarin delen mogen, waartoe dan ook genade en vrede nodig is, die door ene apostel haar wordt toegebeden. Als wij toch met zo'n waarachtig voorstel onze gemeenten vergelijken en onszelf beoordelen, bij hoevelen zal er dan stof tot droefheid en schaamte bestaan en hoezeer hebben wij er dan behoefte aan om Gods genade te zoeken en over ons in te roepen.
Zoals wij uit Handelingen 16:6, 18:23, 19:1 gezien, waren de gemeenten in Galatië en Cappadocië door Paulus zelf gesticht; die in Pontus, Bithynië en Azië, waaronder wij hier wel in het bijzonder Mysië moeten verstaan, had volgens de Aanm. bij Handelingen Ac 16:3 Silas gesticht, die van Corinthiërs daarheen gezonden was. De laatste nu is naar Petrus, tot wie hij eens te Jeruzalem in nauwe betrekking had gestaan (Handelingen 15:32), naar Babylon gekomen (Hoofdstuk 5:12 v.) en heeft hem meegedeeld, hoe grote behoefte al deze gemeenten hadden aan versterking, omdat zij deels lijdend waren onder de nawerkingen van de vroegere strijd tussen Petrinisme en Paulinisme. Zij durfden nog niet ten volle het hun medegedeelde Paulinische Christendom als even waar aannemen als het Petrinisme en dat in alle opzichten betrouwbaar en echt houden, als iets, waarop men zich kon verlaten. Zij werden tevens door hatelijke laster van hun Heidense medeburgers zwaar gedrukt, waardoor zij in verzoeking kwamen, om of tot het Heidendom terug te keren, of toch tenminste een meer Joodse leefwijze aan te nemen, in plaats van verder zich voor de ogen van de heidenen te openbaren als een godsdienstige vereniging, onderscheiden van de Joden. De tijd was namelijk reeds nu gekomen, dat men in de Heidenwereld de Christenen niet meer beschouwde als een van de vele Joodse sekten (Handelingen 18:11, v. ; 24:5, 14; 25:19), maar als een bijzonder, nieuw godsdienstig genootschap (Hoofdstuk 4:16) aanmerkte. Het Heidendom had zich tegenover hen geplaatst en hadden reeds de Joden tot hiertoe vaak een minachtende behandeling van hen zich moeten laten welgevallen (Handelingen 19:34), het was zelfs haat en verachting, verdenking en vijandschap, die men tegen de Christenen voelde, zoals dat ook in de aard van de zaak lag (vgl. Hoofdstuk 4:4; 5:9). Men sprak van hen als van misdadigers (Hoofdstuk 2:12), verdacht hen als degenen, die in hun godsdienstige bijeenkomsten allerlei verkeerde dingen deden en zei veel kwaad van hen, hetzij uit onwetendheid en dwaling, of uit bewuste, kwaadaardige vijandschap tegen het geloof, waaraan men zelf niet gehoorzaam wilde worden (Hoofdstuk 2:15; 4:17). Wellicht zullen onder de Christenen deze en gene door hun levenswandel in het algemeen, of door hun uittartend en wraakzuchtig gedrag tegenover de Heidenen hun vooroordeel of haat hebben opgewekt (Hoofdstuk 2:13, 3:9 v.) en zo liet men wat persoonlijke schuld van enkele medeleden was, het gehele genootschap ontgelden. Christus' gemeente stond zo aan de drempel van de eerste grote Christen-vervolging, die drie jaren later te Rome door keizer Nero werd begonnen. Deze wist wel, toen hij de volkswoede door hem opgewekt, als hij de stad in brand stak, van zichzelf op de Christenen schoof, dat hij hierdoor aan het volk een voorwerp prijs gaf, waaraan het volk al zijn woede zou tonen, en waarnaar het reeds sinds lange tijd begerig geweest was. Onder zulke omstandigheden kunnen wij het ons wel verklaren, dat in de bovengenoemde gemeenten, waar nog bijzondere omstandigheden meewerkten om de haat van de Heidenen tegen de Christenen te doen losbarsten (men herinnert zich waarop wijze Plinius, de Jongere, stadhouder van Pontus en Bithynië, omstreeks 54 jaren later handelde in de mening, dat hij met een verachtelijke menigte te doen had, die de grootste schandelijkheden aankleefde), de gemoederen verontrust werden door de vraag, of dan werkelijk hun heil en hun zaligheid afhing van het vasthouden aan een Christendom, dat zich van het Jodendom zo scherp afscheidde, zoals dat door Paulus en zijn navolger hen was gepredikt en of het niet meer geraden was, zich te bergen in een meer Joods gewaad, waarin men zeker zonder bestrijding zou zijn (Galaten 5:11). Er waren toch zes jaar daarvoor gelovigen uit Jeruzalem en Galatië werkzaam geweest met het doel, om de gelovigen daar te bekeren van de mening van Paulus en diens medehelpers tot die van Petrus en Jakobus. Deze hadden gezegd, dat de laatsten de eigenlijke pilaren van de kerk waren en de eerste nauwelijks waard was een apostel te heten. Toen deze stand van zaken aan Petrus door Silas werd gemeld, begreep hij zeer goed, dat als iemand de roeping had om hier te spreken, hij het was. Paulus toch was door zijn gevangenschap, waarin hij nu reeds sinds twee jaren te Cesarea was en door zijn daarop volgende wegvoering naar Rome tot verantwoording voor de keizer, verhinderd om zichzelf zijn gemeenten aan te trekken en al was dat niet het geval geweest, dan moest toch een woord van vermaning en terechtwijzing, door Petrus gesproken, veel krachtiger werken dan een woord van hem tegen wiens prediking het wantrouwen was opgewekt. De apostel ondernam dan alleen die taak door de brief, die wij voor ons hebben, maar tevens kwam een andere taak voor zijn geest, namelijk die, waarvan wij hebben gesproken om Markus en Barnabas weer met Paulus te verzoenen en als medehelpers in zijn werk aan hem te verbinden. De vruchten van hetgeen hij in dit opzicht deed, hebben wij reeds in 2 Timotheus 4:11 en Colossenzen 4:10 voor ons gezien en bij de verklaring van beide plaatsen beschouwd. Hier is het daarentegen dadelijk te zien, dat hij op het zelfde standpunt als Paulus staat. Niet het Israël naar het vlees, dat zijn Messias heeft verworpen, is voor hem voortaan het verbondvolk van God, maar het Israël naar de geest (Galaten 4:29) of de gemeenschap van hen, die in Christus gelovig zijn geworden, ook als het grootste deel daarvan oorspronkelijk tot de Heidenen behoort (Hoofdstuk 2:10; 4:3 en niet eerst de Mozaïsche wet aangenomen heeft (Handelingen 15:10 v.). Evenals hij op deze in Hoofdstuk 2:9 de eretitel van Israël, die in Exodus 19:6 aan het Oud-Testamentische verbondsvolk gegeven wordt, overdraagt, zo past hij op deze plaats een andere, gewone benaming toe op hen, die zijn brief ontvangen. Zoals bekend is, heten de leden van het Oud-Testamentische verbondsvolk, die sinds de Babylonische ballingschap buiten het heilige land onder de Heidenen hier en daar woonden, de diaspora of verstrooiing). Deze uitdrukking gaf te kennen, dat de Israëliet eigenlijk alleen op de heilige bodem van zijn vaderland een thuis heeft en hij, daarvan verwijderd, zichzelf slechts als vreemdeling en pelgrim kan beschouwen. Nu hebben Judea en Jeruzalem hun betekenis voor het rijk van God verloren. De tijd is nabij gekomen, dat stad en land aan het oordeel en de vloek van God worden prijs gegeven. In de plaats van het aardse Jeruzalem is echter reeds dat rijk gekomen, waarop Paulus in Galaten 4:26 v. heeft gewezen en zo zijn dan zij, wier moeder dit Jeruzalem is, nu de wezenlijke diaspora. Waar zij ook of aarde mogen wonen, overal zijn zij slechts vreemdelingen, een eigenlijk vaderland hebben zij nergens; want hun erfenis wordt nog in de hemelen bewaard; pas in de laatste tijd zal het hen ten deel worden (Vers 4 v. Colossenzen 1:5). Zij zijn tot het verkrijgen van die erfenis verkoren, evenals eens Abrahams zaad tot het bezit van het land Kanaän verkoren was; en wel zijn zij verkozen naar dat voorzien van God de Vader, waardoor Hij, vóór Hij een bepaald getal ten eeuwigen leven verordineert (Handelingen 13:48), weet, wie Hij daartoe verordineren wil (1 Thessalonicenzen 1:4). Toen nu het goddelijke raadsbesluit van hun verkiezing aan hen werd volbracht, werden zij, om als afgezonderden te midden van de zondige mensheid in deze wereld te staan, door de Heilige Geest geheiligd (2 Thessalonicenzen. 2:13). Deze heiligmaking bracht hen in de eerste plaats tot gehoorzaamheid van het bloed van Christus, zodat zij gewillig werden om het geloof aan Jezus Christus, de Gekruisigde, die Zijn bloed voor hen had vergoten (Hoofdstuk 2:24 nemen en zich als Zijn discipelen te begeven tot het navolgen van Zijn voetstappen (Hoofdstuk 2:21), evenals eens Israël bij Zijn roeping tot Gods verbondsvolk aan de Sinaï, toen Mozes het alle woorden en rechten van de Heere meedoelde, met één stem antwoordde (Exodus 24:3): "Al deze woorden, die de Heere gesproken heeft, zullen wij doen. " Evenals nu daar het volk na zo'n verklaring met het bloed van het verbondsoffer werd besprengd en daardoor in het verbond van God opgenomen (Exodus 24:8 Hebreeën 9:19 v. zo zijn ook hier de verkorenen naar de voorkennis van God, die door de heiligmaking van de Geest uit de wereld afgezonderd en tot gehoorzaamheid van het bloed van Christus gebracht zijn, met dit bloed van Christus Jezus besprengd en zo in de daardoor gestichte nieuwe verbondsbetrekking met God opgenomen, zonder onderscheid of zij vroeger Heidenen of Joden waren (Hebreeën 12:24 Jesaja 52:15). De verwezenlijking van die verkiezing is aan de lezers bij hun doop (Titus 3:5) volbracht, waarvan in Hoofdstuk 3:21 gesproken is.
Even als het Hebreeuwse woord "Iada" de betekenis heeft van "voorzien, verzorgen, verkiezen" (Genesis 39:6 Psalm 144:3 Spreuken 27:23. Amos 3:3), zo beduidt het Griekse woord proginwscein, ook bij ongewijde schrijvers niet alleen "vooraf erkennen", maar ook "vooraf besluiten of bepalen" (1 Petrus 1:20 Romeinen 11:2). Voor het woord prognwsiv, dat wij hier vertaald vinden door "voorkennis", wordt in het Griekse woordenboek van Dr. Mehler geen andere betekenis opgegeven, dan het "voorafgenomen besluit. " Zo kan het woord in Handelingen 2:23 ook niet anders betekenen, dan een "voorafgaande overdenking" van Hem, wiens woord daad, wiens gedachte besluit is. Er is dus hier geen verkiezing geleerd op een vooruitgezien geloof, dat vrijwillige en eigenmachtige daad van de mensen zou zijn.
Niet van henzelf, maar naar Gods ordening; want wij zullen onszelf niet in de hemel kunnen brengen, of het geloof in ons werken. God zal niet alle mensen in de hemel toelaten; de Zijnen zal Hij nauwkeurig tellen. Zo blijft er niets meer van de menselijke leringen van vrije wil en onze krachten; het ligt niet aan onze wil, maar aan Gods wil en verkiezing.
Petrus houdt zich in zijn groeten aan de wijze van Paulus, hoewel niet geheel en al. U bent nu, wil hij zeggen, in Christus gehoorzaam en gelooft in Hem; omwille van Hem bent u rechtvaardig en heilig en bij God, de hemelse Vader, in genade en omdat u dit weet, heeft u een blij en gerust geweten. Maar de duivel en de hele wereld zullen u om die erkentenis en dat geloof alle leed aandoen, de een door verschrikkingen, de ander door vervolgingen. Daarom wens ik van harte, dat God, de barmhartige Vader, u veel genade en vrede geeft, opdat u u dit niet laat ontroven, maar tegen zo'n gruwelijk aangrijnzen en bij zoveel ergernis u daarmee trooste, dat God u in de hemel genadig is om Christus wil, in wie u een gerust geweten en bestendigen vrede heeft. Is Hij voor u, laat dan de duivel en de wereld verschrikken, toornig zijn, vervolgen. Genade is Gods gunst; deze vangt in ons aan, maar moet ook voor ons werken en krachtiger worden tot in de dood. Die nu dit erkent, dat hij een genadige God heeft, diens hart verkrijgt ook vrede en vreest noch voor de wereld noch voor de duivel; want hij weet dat God, die alle dingen machtig is, zijn vriend is en hem uit dood en hel en alle ellende wil rukken; daarom heeft zijn geweten vrede en vreugde.
B. De inhoud van het hoofddeel van de brief, dat nu volgt, kan worden aangeduid door het woord van de apostel in Hoofdstuk 5:12, waarmee hij zelf het doel van zijn schrijven bepaalt: "vermanend en betuigend, dat deze is de waarachtige genade van God, waarin u staat. " De brief is dus niet zozeer een geschrift ter onderwijzing als wel tot vermaning en vertroosting. Zijn op enige plaatsen zeer belangrijke dogmatische gedachten ingevlochten, deze komen toch niet voor op de eigenlijke wijze van onderwijs, maar dienen alleen om er woorden van vermaning en vertroosting op te bouwen, of die erdoor te bekrachtigen. I. Vers 3-12. De Inleiding. In nauwe aansluiting aan de genadestaat van de lezers, in bovenstaand opschrift reeds uitgedrukt, begint de apostel met verheffing van de zegen, die de Christenen in Jezus Christus ten deel geworden is. Hij vestigt op die het oog, niet zoals Paulus in Efeze 1:3, het oog achterwaarts wendend, naar het eeuwig raadsbesluit van God, welks verwezenlijking het is, maar voorwaarts naar het einde, waarop het uitloopt; want daarop wil hij de gedachten en begeerten van de lezers richten, die hij in hun tijdelijke moeilijkheden wenste te troosten en tot een voorbereiding voor de hun beloofde heerlijkheid wilde aanmanen. Maar evenals Paulus wendt zich ook Petrus dadelijk tot zijn lezers als degenen, die van heidense afkomst zijn. Paulus leert, dat ook zij, aan wie hij schrijft, het woord van de waarheid evengoed hadden gehoord, als die uit de besnijdenis waren en evengoed met de Geest van de belofte verzegeld waren tot de dag van de toekomst. Petrus maakt de Christenen, die hij voor zich heeft, er opmerkzaam op, dat evenzeer de genade, die hen is overkomen, als die het volk van de belofte ten deel geworden is, een voorwerp is geweest van profetische aankondiging, maar bovendien wat tijd en omstandigheden van het verwezenlijkt worden betreft, een onderwerp van bijzonder onderzoek en tevens een middel voor de heilige engelen tot bevrediging van hun weetgierigheid.
EPISTEL OP DE DAG VAN SIMON EN JUDAS. (Vers 3-9).
Joh 14:1