Spreuken 20:8
1. Hier is de hoedanigheid van een goed regeerder. Hij is een koning, die verdient aldus genoemd te worden, die zit op de troon des gerichts, niet als op een troon van de eer, om er zijn gemak te nemen, in statigheid en waardigheid, en de mensen verplicht zich op een afstand te houden, maar op een troon des gerichts, teneinde gerechtigheid te oefenen, recht te doen aan de beledigden en verongelijkten, en de beledigers, hen die onrecht doen, te straffen, die zich verlustigt in zijn werk, en in vergelijking daarmee geen behagen vindt in ander genoegen of vermaak, die niet al de zorg en moeite op anderen schuift, maar zelf kennis neemt van de zaken, en zoveel mogelijk uit eigen ogen ziet, 1 Koningen 10:9.
2. De gelukkige uitwerking van een goede regering. De tegenwoordigheid van de vorst draagt er veel toe bij om de slechtheid te beschamen. Als hij zelf zijn zaken nagaat, dan zullen zij, die onder hem een ambt bekleden, in ontzag worden gehouden, ervan terug worden gehouden om onrecht te doen. Als voorname mannen Godvruchtige mannen zijn, en hun macht willen gebruiken zoals zij het kunnen en behoren, welk goed kunnen zij dan niet doen, en hoeveel kwaad kunnen zij dan niet voorkomen!