Ezechiël 27:1-25
Hier,
I. Wordt de profeet bevolen, een klaaglied op te heffen over Tyrus, vers 2. Het was toen nog in de gouden tijd van zijn voorspoed, en nog niet het minste teken van zijn naderende val. Toch moet de profeet het beklagen, omdat die voorspoed zijn valstrik en de oorzaak van zijn hoogmoed en zekerheid is, waardoor zijn val te smartelijker zijn zal. Zelfs zij, die gerust leven, zijn te beklagen, als zij zich op tegenspoed voorbereiden. Hij moest de stad beklagen, omdat ze snel haar verderf tegemoet ging, zeker en nabij was dat, en, hoezeer de profeet het voorzegt en er God in rechtvaardigt, moet hij er een klaaglied over aanheffen. Zie, wij moeten treuren over de ellende van andere volken zowel als over onze eigen ellende, uit genegenheid voor het mensdom in het algemeen. Het is een deel van de eer, die wij allen mensen schuldig zijn, hun rampen te bewenen, zelfs van hen, welke die rampen door hun eigen dwaasheid zich berokkend hebben.
II. Wordt hem meegedeeld wat hij zeggen moet "in de naam des Heeren Heeren", een naam in Tyrus niet onbekend, en die er beter bekend zou worden, Hoofdstuk 26:6.
1. Hij moet Tyrus om zijn hoogmoed bestraffen: O Tyrus, gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid, vers 3, van universele schoonheid (gelijk de grondtekst letterlijk luidt), in ieder opzicht schoon, en daarom overal bewonderd. Zion, dat "de volkomenheid van de schoonheid heet, Psalm 50:2, en de schoonheid van de heiligheid bezat, toonde de schoonheid des Heeren." Maar Tyrus, omdat het welgebouwd en vol was met geld en handel, acht zich een volkomen schoonheid. Zie, het is de dwaasheid van van de mensen kinderen, zelf de praal en het genoegen, waarin zij leven, te schatten, ze om zichzelf schoonheid te noemen, en als ze andere overtreffen, ze voor volmaakt te houden. Maar God geeft acht op de zotte verwaandheid, die de mens in zijn voorspoed koestert, wanneer de geest zich met de omstandigheden verheft. Om die trots te vernederen, vindt Hij dan een middel om die voorspoed te doen tanen. Laat niemand zich schoon noemen dan voor zoverre hij geheiligd is, noch van volkomen schoonheid spreken totdat hij in de hemel komt.
2. Hij moet Tyrus bestraffen om zijn voorspoed, wijl daarin de grond voor zijn hoogmoed lag. In lofliederen pleegt men veel heerlijkste vertellen van degenen, wier val men beklaagt, zo prijst ook de profeet Tyrus voor alles wat het prijzenswaardig bevat. Hij heeft niets te melden omtrent zijn godsdienst vroomheid, milddadigheid, zijn bereidvaardigheid om verdrukten te beschermen of zijn invloed te gebruiken ten dienste van naburen. Het leefde in grootheid, had een uitgebreide handel, en overal werd de stad gehuldigd. De profeet moet zijn hoogte en pracht beschrijven, opdat God te meer in zijn val verheerlijkt worde, als de God, "die ziet allen hoogmoedige en brengt hem ten onder, verbergt ze tezamen in het stof, verbindt hun aangezichten in het verborgen," Job 40:7, 8.
A. De stad Tyrus lag hoogst gunstig, aan de ingangen van de zee, vers 3, met verschillende uitnemende havens, niet gelijk steden aan rivieren gelegen, waar de schepen slechts van één zijde komen. Ze lag aan het einde van de Middellandse Zee, zeer gemakkelijk voor de landhandel met de streken om de Levant (het oostelijk deel van die zee), zodat ze "handelde met de volken op veel eilanden. Tussen Griekenland en Azië liggende, werd zij de voornaamste stapelplaats of markt, waar de kooplieden uit alle landen samenkwamen: Uw landpalen zijn in het hart van de zeeën, vers 4. Ze was door water omringd, een ontzaglijk voordeel voor de handel, ze was als de lieveling van de zee, rustte in haar boezem, aan haar hart. Zie, het heeft grote voordelen in meer dan een opzicht, op een eiland te wonen. Zeeën zijn de oudste landgrenzen, die onze vaderen niet hebben gesteld, maar de God van onze vaderen, en die niet, gelijk landgrenzen, verzet kunnen worden. Het volk, dat daar woont, kan te gemakkelijker alleen wonen, als het verkiest, en niet onder de volken gerekend worden. En tegelijk kan het gemakkelijker met het buitenland handel drijven en verbintenissen aanknopen met andere natiën. Wij moeten derhalve erkennen, dat Hij, die de plaats bepaalt van ieders woning, het wel met ons gemaakt heeft.
B. Tyrus was wonderlijk gebouwd, en daar het op een heuvel lag, verschafte het een heerlijk gezicht en nodigde om zo te zeggen de schepen uit, haar havens binnen te varen, vers 4 :Uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt, zij hebben het uit bouwkundig oogpunt zo volkomen gemaakt, dat in alle gebouwen van de stad geen gebrek was aan te wijzen. En toch kon ze niet wedijveren met de volkomenheid van de schoonheid, die God aan Jeruzalem had voorbehouden.
C. Zijn haven lag vol met een overvloed van voortreffelijke schepen, Jesaja 33:21. De scheepsbouwmeesters hadden hun best gedaan, evenzeer als die de huizen hadden gebouwd. Men gelooft dat de Tyriërs het eerst de zeevaartkunst hebben uitgevonden, ze hebben ze in ieder geval verbeterd en tot de hoogste volkomenheid gebracht, voor zover dat toen mogelijk was, zonder kompas en zonder andere ontdekkingen en uitvindingen van de latere tijd.
a. Zij bouwden de dekken en de romp van het schip, uit dennebomen van Senir, een berg in het land Israëls nabij de Hermon, Hooglied 4:8. Dennen planken waren glad en licht, maar niet zo duurzaam als eikenhout.
b. Zij haalden ceders van de Libanon, een ander gebergte in het noorden van Israël, voor hun masten, vers 5. Zij kregen eiken uit Basan, Jesaja 2:13, om riemen te maken, want het is waarschijnlijk, dat hun schepen voor het merendeel galeien waren, door riemen voortbewogen. Het volk Israëls bouwde weinig schepen voor zich zelf, maar het voorzag de Tyriërs van timmerhout om ze te vervaardigen. Zo gebruikt het éne land wat het andere voortbrengt, en zo helpen zij elkaar, zodat geen een tot een ander zeggen kan: Ik heb u niet van node.
c. Zulk een pracht spreidden zij in hun schepen ten toon, dat zij zelfs de banken van elpenbeen maakten hetwelk zij haalden van de eilanden van de Chittieten uit Italië of Griekenland, zij hadden werklieden van de Assurieten of Assyriërs om ze te vervaardigen, zo rijk begeerden zij de kajuiten van hun schepen.
d. Zo verkwistend waren zij zelfs, dat zij hun zeilen maakten van fijn linnen uit Egypte, en dat bovendien stikten, vers 7. Of: daarmee wordt bedoeld hun vlaggen, die zij hesen om hun nationaliteit aan te duiden, en die zeer kostbaar waren.
e. Zij behingen hun scheepsvertrekken met hemelsblauw en purper, de rijkste stoffen en schoonste kleuren, die zij konden verkrijgen op de eilanden, waarmee zij handel dreven. Want, hoewel Tyrus zelf beroemd was om zijn purper, waarom men van Tyrisch purper spreekt, begeerden zij het "wat van verre komt".
D. Deze voortreffelijke schepen waren goed bemand, door lieden van grote vlijt en vindingrijkheid. De kapiteins en schippers, die de schepen bestuurden, waren mannen van Tyrus in wie zij vertrouwen konden stellen, vers 8. Uw wijzen, o Tyrus, die in u waren, die waren uw schippers. Maar voor gewoon scheepsvolk hadden ze lieden uit andere landen: de inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers. Die kwamen uit naburige landen, Zion was de zusterstad van Tyrus, geen twee mijlen verder naar het noorden, daar werden bekwame zeelieden gevormd, waarom het in het belang van Tyrus was, die steden te steunen en te vriend te houden. Zij zond naar Gebal in Syrië om wijzen, herstellende haar breuken, om spleten en naden te stoppen, in één woord, om de schepen op te kalfateren, als ze van lange reizen terugkeerden. Daarvoor hadden ze de ouden en wijzen van Gebal nodig, vers 9. Er is namelijk meer behoefte aan wijsheid en overleg om wat gebrekkig geworden is weer in goede staat te herstellen dan om wat nieuws te maken. "In het algemeen moet men oude en wijze mannen hebben om de bressen toe te muren en de paden weer op te maken, om te bewonen," Jesaja 58:12. Ja, alle landen, waarmee zij handel dreven stonden hun ten dienste, waren gewillig om voor loon te arbeiden en hun jongelingen als leerlingen naar Tyrus te zenden of als scheepsvolk aan boord van zijn schepen te plaatsen, zodat alle schepen van de zee en hun zeelieden in haar waren, om onderlinge handel met haar te drijven. Wie goed betaalt, kan handen genoeg voorden arbeid vinden.
E. Hun stad werd door een aanzienlijke krijgsmacht bewaard, vers 10, 11. De Tyriërs zelf gaven zich geheel aan de handel, maar een goed leger te voet was nodig, en daarom wierven zij soldaten uit andere landen, die het best konden verdedigen, al kwamen die ook van verre (wat misschien uit een politiek oogpunt geschiedde), uit Perzië, Lud en Put. Die droegen de wapenen, wanneer daarvoor aanleiding was, en in vredestijd hingen zij hun schilden in het tuighuis als om vrede uit te roepen en van de wereld te verkondigen, dat er voor het ogenblik geen behoefte aan hen was, maar dat zij gereed stonden om ze voor de dag te halen, wanneer daarvoor ook maar de minste reden bestond. Hun muren worden bewaakt door de mannen van Arvad, hun torens door de Gamadieten bezet, forse krijgers met krachtige armen. In plat Latijn wordt het vertaald door "pygmeeën," mannen niet langer dan een arm. Zij hingen hun schilden rondom aan hun muren in de wapenmagazijnen, en aan de stadsmuren, ten teken dat niemand het wagen zou de stad met boze bedoelingen te naderen, ziende hoe flink ze verdedigd werd. Die maakten hun sieraad, vers 10, en maakten hun schoonheid volkomen, vers 11. Het bracht zeer veel aan de roem van Tyrus toe, dat het mannen uit alle omliggende landen in zijn dienst had, uit het land Israëls, of schoon dat aan zijn landpalen grensde, had het wel timmerhout, maar geen mensen, hetgeen aan de vrijheid en waardigheid van de Joodse natie zou te kort gedaan hebben, 2 Kronieken 2:17, 18. Het was ook de roem van Tyrus, zo'n militie te bezitten, zo geschikt voor de dienst, in voortdurende soldij, en zulke wapenen als die van Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, allemaal zijnde schilden van de helden, Hooglied 4:4. Het is van de vermelding waard dat hier en daar het wapentuig gezegd wordt, ook schilden en helmen te bevatten, wapenen ter verdediging, maar geen zwaarden noch spiesen ten aanval, al zijn er waarschijnlijk ook zulke geweest, als om aan te kondigen, dat de krijgsmacht van een volk moet strekken tot zijn verdediging, en niet om aan te vallen of naburig gebied te veroveren om eigen recht te handhaven, maar niet om eens anders recht te verkorten.
F. Zij hadden een uitgebreide handel en gemeenschap met alle delen van de wereld. Met sommige volken handelden zij in deze waren met andere in wat anders, al naar de voortbrengselen van die landen, hetzij natuurproducten hetzij fabrikaat van nijverheid. Daarover wordt hier veel gezegd, wijl dat de voornaamste glorie van Tyrus was, die al het andere mogelijk maakte. Wij vinden in de Heilige Schrift zoveel volken te zamen vermeld, dat dit hoofdstuk, naar de mening van sommigen, veel licht geeft bij de eerste opsomming van de vestiging van volken na de vloed, Genesis 10. Onderzoekers vinden heel wat werk om de verschillende hier vermelde plaatsen en volken uit te speuren. Aangaande vele zijn hun veronderstellingen uiteenlopend en laten ons in onzekerheid en duisternis, gelukkig hangt daarvan niet veel af. Geografen van onze tijd schieten te kort in de bepaling van de oude aardrijkskunde. En daarom zullen wij ons niet begeven in een onderzoek aangaande de handelaars of de goederen, waarin zij handelden. Wij laten dat aan anderen over en bepalen ons tot hetgeen ons nuttig is.
a. Wij hebben reden om aan te nemen, dat Ezechiël uit zichzelf weinig van de handel van Tyrus wist. Hij was priester, als banneling weggevoerd uit de nabijheid van Tyrus, toen hij waarschijnlijk nog jong was, en was daar nu elf jaren geweest. En toch spreekt hij van de bijzondere handelsartikelen van Tyrus even nauwkeurig als ware hij kommies van het douanekantoor aldaar geweest, waardoor duidelijk blijkt, dat hij door goddelijke ingeving gesproken en geschreven heeft. Het is God, die aldus gesproken heeft, vers 3.
b. Dit verslag van de handel van Tyrus doet ons zien, dat Gods oog over de mensen gaat, dat Hij kennis heeft van hetgeen zij doen, als zij hun wereldse zaken nagaan, niet alleen wanneer zij in de kerk bidden en luisteren, maar ook wanneer zij op de markt of hun kantoor zijn, kopende en verkopende. Een dringende reden dus, om in alle dingen een onergerlijk geweten te bewaren en altijd om Hem te denken, wiens oog altijd op ons gevestigd is.
c. Wij kunnen hier Gods wijsheid en goedheid opmerken als de Vader van het gehele menselijk geslacht, dat Hij het een land doet overvloeien van dit, en een ander van dat voortbrengsel, en alles voor de nooddruft, het gemak of de veredeling van het menselijk leven. "Non omnis fert omnia tellus niet een land brengt alles voort." De Voorzienigheid schenkt haar gaven verschillend, hier deze daar andere, nergens alle, opdat er een gestadige uitwisseling van producten zij onder schepselen die Hij uit één bloed heeft gemaakt, om op de gehele aardbodem te wonen, Handelingen 17:26. Laat daarom ieder volk God danken voor wat zijn bodem oplevert, al zij die opbrengst niet zo rijk als die van andere, toch helpt ze mee voor de behoeften van de wereld.
d. Zie, welk een zegen handel en verkeer voor de mens zijn, vooral wanneer daarbij de vreze Gods voor ogen gehouden wordt, en men niet alleen op zijn eigen belang, maar ook op dat van het algemeen acht geeft. "Het aardrijk is vol van zijn goederen," Psalm 104:24. Daar is een veelheid van allerlei goed, vers 12, verzameld van de oppervlakte van de aarde of opgegraven uit haar ingewanden. Ook is de aarde vol van de voortbrengselen van `s mensen scherpzinnigheid en vlijt, al naar zijn genie hem leidt. Door ruil en koophandel werden die alle meer productief gemaakt en zijn ze van algemeen nut, wat hier overschiet, kan elders dienen, wat nodig is maar hier ontbreekt, is ergens andere te bekomen, soms in de verste landen. Wie niet zelf kooplieden zijn, hebben reden God te danken voor handelaars en fabrikanten, door wie wat andere landen opleveren hierheen wordt gevoerd en bewerkt, gelijk door onze landgenoten wordt verzonden wat onze eigene bodem geeft.
e. Behalve de handel in wat tot levensonderhoud dient, welk een overvloed van dingen worden hier genoemd, die alleen tot vermaak strekken en door smaak en gewoonte op prijs worden gesteld, en toch veroorlooft God ons er gebruik van te maken en er handel in te drijven en ze in te ruilen voor wat wij zelf meer dan genoeg hebben of elders op groteren prijs wordt gesteld. Hier zijn elpenbeen en ebbehout vers 15, die gegeven worden tot een verering te koop of in ruil aangeboden, of, gelijk sommigen menen, aan de stad of haar grote mannen, aangeboden om hun gunst te verwerven. Hier zien smaragden, Ramoth (koraal) en Cadkod (agaat), vers 16, met alle kostelijk gesteente en goud, vers 22, waar de wereld beter buiten kan dan buiten ijzer en gewone stenen. Hier zijn, om de smaak en de reuk te strelen alle hoofdspecerij, vers 22, kassie en kalmus vers 19, en tot versiering, purper en gestikt werk en zijde, vers 16, kostelijke grondstoffen voor wagens vers 20, hemelsblauw (waarom Tyrus vooral beroemd was) en gestikt werk, met schatkisten van schone klederen, gebonden met koorden en in ceder gepakt, een welriekend hout om de daarin geborgen waren te doorgeuren, vers 24. Bij het overzicht van deze inventaris kunnen wij terecht zeggen: Welk een menigte dingen worden hier genoemd, die wij niet nodig hebben, en zonder welke wij heel wel kunnen leven!
f. Het is opmerkenswaardig, dat ook Juda en het land van Israël in die koophandel begrepen waren, als handelaars mochten zij met de heidenen omgaan. Maar zij handelden voornamelijk in tarwe, een noodzakelijk artikel, tarwe van Minnish en van Pannag, twee streken in Kanaän, beroemd om haar uitmuntende tarwe, naar sommigen aannemen. Het gehele land was inderdaad een land van tarwe, Deuteronomium 8:8, het had het vette van de nieren van tarwe (aldus de Eng. vertaling, de onze laat, natuurlijker, het vette van de nieren op het voorafgaande vee terugslaan). Tyrus werd onderhouden door koren uit het land Israëls, Handelingen 12:20 hun land werd gespijzigd van het land van de koning. Zij handelden eveneens in honing, en olie, en balsem, alle nuttige zaken, niet dienende tot weelde of hoogmoed. En het land, waar dit de hoofdproducten waren, was de roem van alle landen, dat God voor Zijn uitverkoren volk had bestemd, geen land van specerijen en kostelijke stenen. Het Israël Gods moest zich welvoorzien rekenen, als het passend voedsel had. Zij, die met de blijdschap van de kinderen Gods bekend zijn, zetten hun hart niet op de wellustigheden van de mensenkinderen en schatten van koningen en landschappen. Wij vinden inderdaad, dat het Nieuwtestamentisch Babylon in dezelfde dingen handelt als Tyrus, Openbaring 18:12,13. Want ondanks zijn roep van heiligheid, het zijn louter menselijke belangen.
g. Ofschoon Tyrus een stad was van grote handel en er overvloed gevonden werd door koop en verkoop, waren van de ene plaats invoerende, en waren naar een andere plaats uitvoerende, toch werd de nijverheid niet verwaarloosd. De veelheid harer werken, haar eigen fabrikaat wordt in vers 16 en 18 genoemd. Het is verstandig van een volk, zo het kunst en nijverheid bevordert en de handwerksman niet bemoeilijkt, want hierdoor wordt welvaart en eer van een natie verhoogd, dat ze haar eigen maaksel naar het buitenland zendt, hetgeen haar allerlei rijkdom toevoert.
h. Dit alles maakte Tyrus zeer groot en zeer trots: De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege de onderlingen koophandel met u, vers 25. Gij werd bewonderd en geroemd door alle volken, die met u handel dreven, want gij waart vervuld met schatten en mensen, waart verfijnd en zeer verheerlijkt in het hart van de zeeën. Zij, die zeer rijk worden, heten roemrijk, want rijkdom is in de ogen van vleselijk gezinde mensen een oorzaak van roem.