Exodus 33:12-23
Mozes is nu teruggekeerd naar de deur van de tent, een ootmoedig en dringend smekeling om twee zeer grote gunsten, en als een vorst heeft hij macht bij God en verkrijgt deze beide gunsten. Hierin was hij een type van Christus de grote Voorbidder, die de Vader altijd hoort.
I. Hij bidt zeer vurig en dringend tot God om de gunst van Zijn tegenwoordigheid met Israël gedurende hun verdere tocht naar Kanaän in weerwil van hun tergingen. Het volk had door hun zonde de toorn van God verdiend, en Mozes had reeds verkregen, dat die afgewend werd, Hoofdstuk 32:14. Maar zij hadden ook Gods gunstrijke tegenwoordigheid verbeurd en al de vertroostingen en weldaden daarvan, en nu bidt Mozes om die tegenwoordigheid bij vernieuwing te mogen hebben. Zo verkrijgen wij door de voorbede van Christus niet slechts het wegnemen van de vloek, maar de verzekering van een zegen, wij zijn niet slechts gered van het verderf, maar verkrijgen het recht op de eeuwige gelukzaligheid.
Merk op hoe bewonderenswaardig Mozes zijn zaak ordent voor God, en zijn mond vult met argumenten. Welk een waardering geeft hij te kennen van Gods gunst, welk een zorg voor Gods heerlijkheid en het welzijn van Israël. Zie, hoe hij pleit, en hoe hij slaagt in zijn pleiten.
1. Hoe hij pleit.
a. Hij wijst met aandrang op de opdracht, die God hem had gegeven om Zijn volk op te voeren, vers 12. Daarmee begint hij: "Heere, Gij zelf zijt het, die mij gebruikt tot deze dienst, en zult Gij er mij dan niet in erkennen, er niet in steunen? Ik ben op de weg van mijn plicht, zult Gij dan niet met mij zijn op die weg?" Als God iemand roept tot een bijzondere dienst, dan zal Hij er hem voorzeker de nodige hulp voor verlenen. "Heere, Gij hebt mij bevolen een groot werk te doen en nu weet ik niet hoe er mee voort te gaan en hoe het ten einde te brengen." Zij die in oprechtheid bedoelen en trachten hun plicht te doen, kunnen in het geloof God vragen om licht en kracht om het te doen.
b. Hij gebruikt de invloed, die hij zelf bij God heeft, en Gods genadige verzekeringen van vriendelijkheid jegens hem. Gij hebt gezegd: Ik ken u bij name, als een bijzonder vriend en vertrouweling, en ook: gij hebt genade gevonden in Mijn ogen, vers 13. De gunst, die God voor het volk had te kennen gegeven, hadden zij verbeurd, daarop kon nu niet verder gewezen worden, daarom legt Mozes in zijn pleiten de nadruk op hetgeen God tot hem had gezegd, en hoewel hij erkent het onwaardig te zijn hoopt hij toch dat hij er de vrucht niet van verbeurd heeft. Hiermede grijpt hij dus God aan. "Heere, indien Gij ooit iets voor mij wilt doen, zo doe dit voor het volk." Zo stelt onze Heere Jezus zich in Zijn voorbede de Vader voor als degene, in wie Hij altijd een welbehagen heeft, en zo verkrijgt Hij genade voor ons, op wie Hij rechtvaardig misnoegd is, worden wij aangenomen in de Geliefde. Aldus zullen mannen, bezield met ijver voor het volk dat aan hun hoede is toevertrouwd, gaarne hun invloed bij God en mensen gebruiken om het algemene welzijn te bevorderen. Let op hetgeen, waarom hij aldus ernstig en dringend bidt: laat mij Uw weg weten, opdat ik wete, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen. De Goddelijke leiding is een van de beste blijken van Goddelijke gunst. Hieraan kunnen wij weten dat wij "genade vinden in Gods ogen," als wij genade vinden in ons hart om ons te leiden en op te wekken in de weg van onze plicht. Gods goed werk in ons is de onfeilbare ontdekking van Gods liefde tot ons. c. Hij geeft ook te kennen dat het volk, hoewel uiterst onwaardig, toch in betrekking staat tot God: "Zie aan, dat deze natie Uw volk is, een volk, waarvoor Gij grote dingen gedaan hebt, dat Gij U hebt verlost en in Uw verbond hebt opgenomen, Heere, zij zijn de Uwen, verlaat hen niet." De beledigde vader zegt bij zichzelf: "Mijn kind is dwaas en ondeugend, maar het is mijn kind en ik kan het niet verlaten."
d. Hij geeft te kennen op hoe hoge prijs hij de tegenwoordigheid van God stelt. Toen God zei: Zou Mijn aangezicht moeten meegaan? grijpt hij dit woord aan, als hetgeen waar hij niet zonder leven of bewegen kan, vers 15. Indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Hij spreekt als iemand, die terugschrikt voor het denkbeeld om zonder Gods tegenwoordigheid voorwaarts te moeten gaan, wetende dat hun tochten niet veilig konden zijn, en hun legeringen niet lieflijk, indien God niet met hen was. Het is beter neer te liggen en te sterven in de woestijn, dan zonder Hem voorwaarts te gaan naar Kanaän. Zij, die Gods gunsten weten te waarderen, zijn het best toebereid om ze te ontvangen.
Merk op hoe het Mozes ernst is in deze zaak, hij bidt en smeekt als iemand, die niet afgewezen wil worden. "Hier zullen wij blijven, totdat wij Uw gunst deelachtig worden, " zoals Jakob: "Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij Mij zegent." En merk op hoe hij al meer en meer concessies van God verkrijgt, de vriendelijke wenken die hij ontvangt maken hem nog dringender. Aldus moeten Gods genadige beloften en de genade, die Hij ons reeds schenkt, niet alleen ons geloof aanmoedigen, maar ons tot vurigheid opwekken in het gebed.
e. Hij besluit met een argument, ontleend aan Gods heerlijkheid, vers 16. " Waarbij zou nu bekend worden aan de volken, wier ogen op ons gevestigd zijn, dat ik en Uw volk (met hetwelk al mijn belangen vereenzelvigd zijn) genade hebben gevonden in Uw ogen, onderscheidende gunst, die ons afgezonderd doet zijn van alle volken, die op de aardbodem zijn. Hoe zal het blijken, dat wij in waarheid aldus geëerd zijn? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Niets minder dan dat kan hieraan beantwoorden. Laat er nooit gezegd worden, dat wij een bijzonder volk zijn en hogelijk bevoorrecht, want wij staan slechts op gelijke bodem met de overigen van onze naburen, tenzij Gij met ons gaat, een engel met ons te zenden volstaat niet." Ongetwijfeld heeft Mozes in de geest gelet op de plaats, die woestijn, waarin God hen geleid had, en waarin zij voorzeker zullen dwalen en omkomen, indien God hen verlaat. Gods bijzondere tegenwoordigheid met ons in deze woestijn hier op aarde, door Zijn Geest en Zijn genade, om ons te leiden, te beschermen en te vertroosten, is het zekerste onderpand van Zijn bijzondere liefde tot ons en zal strekken tot Zijn eer en heerlijkheid, zowel als tot ons voordeel.
2. Merk op hoe hij wel slaagt. Hij verkreeg een verzekering van Gods gunst:
a. Voor hemzelf, vers 14. "Ik zal u geruststellen, Ik zal zorgen dat gij gerust kunt zijn omtrent deze zaak, gij zult voldaan zijn." Mozes is nooit in Kanaän gekomen en toch heeft Hij hem gedaan overeenkomstig de belofte, die Hij lang daarna aan Daniël heeft gegeven: "Gij, ga heen tot het einde, want gij zult rusten," Daniël 12:13.
b. Voor het volk om zijnentwil. Mozes was niet tevreden met het antwoord, dat alleen voor hemzelf gunst inhield, hij is niet gerust, of hij moet ook voor het volk een belofte verkrijgen. Godvruchtige, edelmoedige mensen achten het niet genoeg, dat zij zelf naar de hemel gaan, zij wensen, dat ook al hun vrienden er zullen komen. En ook hierin heeft Mozes overwonnen, vers 17. Ook deze zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen. Mozes wordt niet berispt als een onredelijke bedelaar, die met niets tevreden is, neen, hij wordt aangemoedigd. Zolang hij vraagt, geeft God, geeft mild, en verwijt hem niets. Zie de kracht van het gebed, en laat er u door opwekken om te vragen, te bidden, te zoeken en te kloppen aan te houden in het gebed, altijd te bidden en niet te vertragen. Zie de rijkdom van Gods goedheid, als Hij reeds veel gedaan heeft, is Hij toch bereid om nog meer te doen: ook deze zaak zal Ik doen-boven hetgeen wij kunnen bidden of denken. Zie in dit type het overwinnende van Christus voorbede, nu Hij eeuwig leeft om die voorbede te doen voor allen, die door Hem tot God komen, en zie de grond of oorzaak van dit overwinnen, het is zuiver en alleen Zijn eigen verdienste, niets in hen, voor wie Hij bidt, het is: daar gij genade hebt gevonden in Mijn ogen. En nu is de zaak tot stand gekomen, God is volkomen met hen verzoend, Zijn tegenwoordigheid in de wolkkolom keert tot hen terug, en zal met hen blijven. Alles is wederom wel, en van nu voortaan horen wij niet meer van het gouden kalf. Heere, wie is een God gelijk Gij, die de ongerechtigheid vergeeft?
II. Dit punt verkregen hebbende, bidt hij nu om Gods heerlijkheid te mogen zien, en wordt ook in deze zaak verhoord.
Merk op:
1. De ootmoedige bede van Mozes, vers 18. Toon mij nu Uw heerlijkheid. Mozes was nu onlangs bij God geweest op de berg, had daar geruime tijd vertoefd, en zo'n innige gemeenschap gesmaakt met God als ooit iemand aan deze zijde van de hemel gesmaakt heeft, en toch verlangt hij naar nog meer bekendheid met Hem. Hoewel zij, die krachtdadig geroepen zijn tot de kennis van God en tot gemeenschap met Hem, niets anders verlangen dan God, verlangen zij echter al meer en meer van Hem totdat zij er toe komen om te kennen, gelijk zij gekend zijn. Mozes had verwonderlijk bij God overwonnen voor de ene gunst na de andere en zijn voorspoed in het gebed gaf hem vrijmoedigheid om nog altijd voort te gaan met God te zoeken. Hoe meer hij had, hoe meer hij vroeg. Als wij ons in een goede gemoedsstemming bevinden voor de troon van de genade dan moeten wij trachten die te behouden en te gebruiken, en het ijzer smeden terwijl het heet is. Toon mij Uw heerlijkheid. Doe mij haar zien, zoals er eigenlijk staat in het oorspronkelijke. "Maak haar op de een of andere wijze zichtbaar voor mij, en stel mij instaat het gezicht er van te kunnen verdragen." Niet alsof hij zo onwetend was om te denken, dat het wezen van God met lichamelijke ogen gezien kon worden, maar, tot nu toe slechts een stem uit de wolk- en vuurkolom gehoord hebbende, begeert hij thans een voorstelling te zien van de Goddelijke heerlijkheid, zulk een als God geschikt achtte om er hem mee te begunstigen. Het was niet voegzaam, dat het volk enigerlei gelijkenis zou zien, als de Heere tot hen sprak, opdat zij zich niet zouden verderven, maar hij hoopte, dat het zien van zo'n gelijkenis voor hem dat gevaar niet zou opleveren. Het was iets meer dan hij tot nu toe gezien had, dat Mozes begeerde. Indien dit zuiver en alleen was tot ondersteuning van zijn geloof en zijn Godsvrucht, dan was die begeerte loffelijk, maar er was misschien wel een bijmengsel in van menselijke zwakheid. God wil dat wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen in deze wereld, en het geloof is uit het gehoor. Sommigen denken dat Mozes een gezicht begeerde te hebben op Gods heerlijkheid als een teken, dat Hij verzoend was, en als een onderpand van de tegenwoordigheid, die Hij hem had beloofd, maar dat hij niet wist wat hij vroeg.
2. Het genaderijk antwoord van God op deze bede. A. Hij weigerde hetgeen niet voegzaam was om toegestaan te worden, en wat Mozes niet kon dragen, vers 20. Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien. Een volkomen ontdekking van de heerlijkheid Gods zou de vermogens van ieder sterfelijk mens, zelfs ook van Mozes, overweldigen en hem overstelpen. De mens is gering, is dit onwaardig, zwak, en hij zou het niet kunnen verdragen, schuldig, en kan niet anders dan het vrezen. Het is uit medelijden met onze zwakheid, dat God "het vlakke van Zijn troon vasthoudt, en er Zijn wolk over spreidt" Job 26:9. God had hier gezegd, hier, dat is in deze wereld, dat Zijn aangezicht niet gezien zal worden, vers 23. Dat is een eer, die voor de toekomende staat is weggelegd om het eeuwig geluk uit te maken van heilige zielen. Indien de mensen in deze staat wisten wat het is, zij zouden er zonder niet tevreden kunnen leven. Er is een kennen en genieten van God, waarop wij moeten wachten, totdat wij in een andere wereld zijn gekomen, waar wij "Hem zullen zien gelijk Hij is," 1 Johannes 3:2. Laat ons intussen de hoogte van hetgeen wij van God weten aanbidden, en de diepte van hetgeen wij niet weten. Lang tevoren had Jakob er met verwondering van gesproken, dat hij God had gezien van aangezicht tot aangezicht en dat toch zijn ziel gered was. Genesis 32:30. De zondige mens vreest het gezicht van God als zijn Rechter, maar heilige zielen, "door de Geest des Heeren naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd zijnde, aanschouwen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren," 2 Corinthiërs 3:18.
B. Hij stond hem toe hetgeen hem overvloedig kon voldoen.
a. Hij zou horen wat hem genoegen zou doen, vers 19. Ik zal al Mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan. Hij had hem heerlijke voorbeelden gegeven van Zijn goedheid door met Israël verzoend te zijn, maar dat was slechts goedheid in de stroom nu zal Hij hem goedheid tonen in de bron, al Zijn goedheid. Dit was een voldoende verhoring van zijn bede: "Toon mij Uw heerlijkheid," zegt Mozes, "Ik zal u Mijn goedheid tonen," zegt God. Gods goedheid is Zijn heerlijkheid, en Hij wil dat wij Hem kennen aan de heerlijkheid van Zijn genade, meer dan aan de heerlijkheid van Zijn majesteit, want wij moeten "vrezend komen tot de Heere en tot Zijn goedheid," Hosea 3:5. Wat inzonderheid de heerlijkheid is van Gods goedheid is de vrijmacht er van, dat Hij genadig zal zijn wie Hij genadig zal zijn, dat Hij, als volstrekt Eigenaar het verschil zal maken, dat Hem behaagt bij het verlenen van Zijn gaven, niemands schuldenaar is en aan niemand rekenschap behoeft te geven. (Mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil?) dat ook al Zijn redenen voor genade ontleend zijn aan Hemzelf, niet aan enigerlei verdienste in Zijn schepselen, gelijk Hij zich ontfermt over wie Hij wil, zo ontfermt Hij zich omdat Hij het wil. Er is nooit gezegd: Ik zal toornig zijn op wie Ik toornig zijn zal, want Zijn toorn is altijd rechtvaardig en heilig, maar: Ik zal genadig zijn wien Ik genadig ben, want Zijn genade is altijd vrij. Nooit veroordeelt Hij naar voorrecht, maar wèl behoudt Hij naar voorrecht. De apostel haalt dit aan in Romeinen 9:15, als antwoord aan hen, die God beschuldigen van onrechtvaardigheid in Zijn geven van genade aan sommigen, terwijl Hij haar aan anderen rechtvaardig onthoudt.
b. Mozes zal zien wat hij zal kunnen dragen en wat hem genoeg zal zijn. De zaak wordt zo geschikt, dat Mozes veilig en toch ook voldaan zal zijn.
Ten eerste. Veilig in een kloof van de steenrots, vers 21-22, daar was hij beschut tegen het verblindend licht en het verterend vuur van Gods heerlijkheid. Dat was de steenrots in Horeb, waaruit water kwam, en waarvan gezegd is: en de steenrots was Christus, 1 Corinthiërs 10:4. Het is in de kloof van die steenrots, waarin wij beveiligd zijn tegen de toorn Gods die ons anders zou verteren, God zelf zal hen beschermen, die daar aldus verborgen zijn. En het is alleen door Christus, dat wij kennis hebben van de heerlijkheid Gods. Alleen diegenen kunnen haar zien tot hun vertroosting die staan op deze rots en er een toevlucht in gevonden hebben.
Ten tweede. Hij was tevreden met een gezicht op Zijn achterste delen vers 23. Hij zou meer van God zien dan ooit iemand op aarde van Hem gezien heeft, maar niet zoveel als diegenen van Hem zien, die in de hemel zijn. Het aangezicht van de mens is de zetel van majesteit, en de mensen worden gekend aan hun gelaat, daarin hebben wij het volle gezicht op de mensen. Dat gezicht op God mocht Mozes niet hebben maar wel zo'n gezicht als wij hebben van een mens, die ons voorbij is gegaan, zodat wij slechts zijn rug zien, zodat wij (gelijk wij zeggen) een blik op hem hebben. Er kan van ons niet gezegd worden dat wij op God zien, maar veeleer dat wij naar Hem zien, Genesis 16:13, want wij zien duister door een spiegel, als wij zien wat God heeft gedaan in Zijn werken, de gangen bemerken van onze God, onze Koning, dan zien wij, als het ware, Zijn achterste delen. De besten kennen aldus slechts ten dele, en wij kunnen onze spraak niet ordenen betreffende God vanwege duisternis, niet meer dan wij een mens kunnen beschrijven, wiens aangezicht wij nooit gezien hebben. Nu werd aan Mozes slechts vergund de achterste delen te zien, maar lang daarna toen hij getuige was van Christus verheerlijking op de berg, zag hij Zijn gelaat, Zijn aangezicht blinken als de zon. Als wij getrouw gebruik maken van de ontdekkingen die God van zich geeft, terwijl wij hier zijn zal ons weldra een heerlijker tafereel geopend worden, want wie heeft, aan die zal gegeven worden.