Mattheus 3:13-17
Van Zijne kindsheid af tot op dit ogenblik, nu Hij bijna dertig jaren oud is, was onze Heere in afzondering gebleven in Galilea, levend begraven, als het ware, maar thans, na een langen duisteren nacht, ziet, de Zon der Gerechtigheid gaat op in heerlijkheid. De volheid des tijds was gekomen, wanneer Christus Zijn profetisch ambt op zich zou nemen, en het behaagt Hem dit te doen, nièt te Jeruzalem (hoewel Hij daar waarschijnlijk op de drie jaarlijkse feesten, evenals anderen heenging) maar dáár, waar Johannes was dopende, want tot hem begaven zich diegenen, die wachtten op de vertroosting Israël's, aan wie alleen Hij welkom zijn zou. Johannes de Doper was zes maanden ouder dan onze Zaligmaker, en men denkt, dat hij omstreeks zes maanden voordat Christus verscheen, was begonnen te prediken en te dopen, zo lang was Hij bezig met Hem den weg te bereiden, in het land rondom de Jordaan, en in die zes maanden was daar meer voor gedaan, dan in verscheidene eeuwen te voren. Christus' komst van Galilea naar de Jordaan, om gedoopt te worden, leert ons, niet terug te deinzen voor pijn of moeite ten einde gelegenheid te verkrijgen om tot God te naderen in de inzetting van een genademiddel. Wij moeten bereid zijn, om liever ver te gaan dan te kort te komen in de gemeenschapsoefening met God. Die willen vinden, moeten zoeken. In dit verhaal nu van Christus' doop kunnen wij opmerken:
I. Hoe moeilijk Johannes te bewegen was om dit toe te laten, vers 14, 15. Het was een voorbeeld van den groten ootmoed van Jezus, dat Hij van Johannes gedoopt wilde worden, dat Hij, die gene zonde gekend heeft, zich onderwierp aan den doop der bekering. Zodra Christus aanving te prediken, predikte Hij ootmoed, predikte dien door Zijn voorbeeld, predikte hem aan allen, inzonderheid aan jonge leraren. Christus was bestemd voor de hoogste eer, toch heeft Hij zich bij dien eersten stap in het openbare leven aldus vernederd. Zij, die hoog willen opklimmen, moeten laag beginnen. Nederigheid gaat voor de eer. Het was een bewijs van hoge achting voor Johannes, dat Christus aldus tot hem kwam, en het was ene beloning voor den dienst, dien hij Hem bewees, door Zijne nadering aan te kondigen. Die God eren, zal Hij eren. Nu hebben wij hier:
1. Het bezwaar, dat Johannes maakte, om Jezus te dopen, vers 14. Johannes weigerde Hem, gelijk Petrus deed, toen Christus hem de voeten ging wassen, Johannes 13:6, 8. Christus' genadige neerbuigingen zijn zo verrassend, dat zij ook voor de krachtigste gelovigen in den beginne ongelooflijk schijnen, zo diep en geheimenisvol, dat zelfs zij, die Zijn wil goed kennen, er niet spoedig de betekenis van kunnen ontdekken, maar, vanwege de duisternis, zich verzetten tegen den wil van Christus. In zijne bescheidenheid denkt Johannes, dat dit een te grote ere voor hem is, en hij drukt zich uit voor Christus op dezelfde wijze, als zijne moeder zich uitgedrukt had voor Christus' moeder, Lukas 1:43, Van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heren tot mij komt? Johannes had nu veel naam gemaakt, en was algemeen geacht, maar zie hoe nederig hij nog is! God heeft nog meerdere ere weggelegd voor hen, wier hart nederig blijft, ook als hun roem groot is.
a. Johannes acht het nodig, dat hij van Christus gedoopt zal worden: Mij is nodig van U gedoopt te worden met den doop des Heiligen Geestes, als met vuur, want dat was de doop van Christus, vers 11. Hoewel Johannes van moeders lijf aan met den Heiligen Geest was vervuld Lukas 1:15, erkent hij toch het nodig te hebben om met dien doop gedoopt te worden. Zij, die veel van den Geest Gods hebben, zien toch, dat zolang zij nog hier zijn in den onvolmaakten staat, zij behoefte hebben aan nog meer, en nodig hebben om tot Christus te gaan, ten einde meer te ontvangen. Johannes had nodig gedoopt te worden, hoewel hij de grootste was van hen, die uit vrouwen geboren zijn, maar, uit ene vrouw geboren zijnde, is hij bevlekt, zoals anderen van Adams zaad, en hij erkent de behoefte aan reiniging. De reinste zielen zijn zich het meest bewust van de onreinheid, die nog in hen is overgebleven en streven het meest naar de geestelijke wassing. Hem is nodig gedoopt te worden van Christus, die datgene voor ons doen kan, dat door niemand anders gedaan kan worden, en dat toch voor ons gedaan moet worden, of het is gedaan met ons. De beste en heiligste mensen hebben Christus nodig, en hoe beter zij zijn, hoe meer zij die behoefte bespeuren. Dit werd gezegd ten aanhore der scharen, die groten eerbied hadden voor Johannes, en bereid waren hem als den Messias aan te nemen, toch erkent hij openlijk, dat hem nodig was van Christus gedoopt te worden. Het is ook voor de grootste mannen gene verkleining te bekennen, dat zij zonder Christus en Zijne genade ten verderve gaan. Johannes was de voorloper van Christus, en toch erkent hij nodig te hebben van Hem gedoopt te worden. Zelfs zij, die er voor Christus geweest zijn, waren van Hem afhankelijk, en hadden het oog op Hem. Merk op hoe Johannes, terwijl hij met anderen sprak over hun ziel, treffend over zijn eigen zielstoestand sprak: Mij is nodig van U gedoopt te worden. Leraren, die voor anderen prediken, en anderen dopen, moeten wel toezien, dat zij ook tot zich zelven prediken, en zelven met den Heiligen Geest gedoopt zijn. Heb acht op u zelven, 1 Timotheus 4:16.
b. Daarom vindt hij het ongehoord en ongerijmd, dat Christus door hem gedoopt zou worden: Komt Gij tot mij? Komt de heilige Jezus, die afgescheiden is van de zondaren, om gedoopt te worden door een zondaar, als een zondaar, en onder zondaren? Hoe kan dit? Welke reden kunnen wij hiervoor opgeven? Het komen van Christus tot ons mag ons wel verwondering baren.
2. Hoe het bezwaar, de tegenwerping, wordt ter zijde gesteld, vers 15, Jezus zei: Laat nu af. Christus nam Zijn ootmoed wel aan, maar niet zijne weigering, Hij wil, dat de zaak zal geschieden, en het betaamt, dat Christus Zijne eigene wijze van doen volgt, al begrijpen wij het niet, en kunnen wij er gene reden voor opgeven. Zie
a. Hoe Christus er op aandringt.
Laat nu af. Hij ontkent niet, dat Johannes nodig heeft van Hem gedoopt te worden, maar nu wil Hij gedoopt worden van Johannes. Aphes arti. Laat het nu zo zijn. Alles is schoon op zijn tijd. Maar waarom nu? Christus is nu in een staat van vernedering, Hij heeft zich ontledigd. Hij heeft zich vernietigd. Hij is niet slechts in gedaante gevonden als eèn mens, maar is gezonden in gelijkheid des zondigen vlezes, en daarom, laat Hij nu van Johannes gedoopt worden, alsof Hij het nodig had te worden gewassen, hoewel Hij volkomen rein was, en aldus is Hij zonde voor ons gemaakt, hoewel Hij gene zonde gekend heeft. De doop van Johannes geldt nu, daardoor doet God nu Zijn werk, dat is de tegenwoordige bedeling, en daarom wil Jezus nu gedoopt worden met water, maar Zijn dopen met den Heiligen Geest wordt voor later bewaard, niet lang na deze dagen, Handelingen 1:5. De doop van Johannes heeft nu zijn dag, en daarom moet hij nu geëerd worden, en die er mede gedoopt worden, moeten bemoedigd worden. Zij, die het verst gevorderd zijn in gaven en genade, behoren in hun plaats getuigenis af te leggen voor de ingestelde genademiddelen door er ootmoedig gebruik van te maken, ten einde ook aan anderen een goed voorbeeld te geven. Johannes was nu wassende, en daarom moet het nu zo zijn, weldra zal hij afnemen, en dan zal het anders wezen. Het moet nu zo zijn, omdat het nu de tijd is, dat Christus in het openbaar verschijnt, en dit is er ene goede gelegenheid voor, zie Johannes 1:31-34. Aldus moet Hij geopenbaard worden aan Israël, en aangekondigd worden door wonderen van den hemel in deze Zijne daad, die van de grootste neerbuiging en zelfvernedering getuigt.
a. De reden, die Hij er voor opgeeft: Aldus betaamt ons alle gerechtigdheid te vervullen. Merk op: Er was betamelijkheid in alles wat Christus voor ons deed, het was alles betamelijk, Hebreeën 2:10, 7:26, en wij moeten er ons op toeleggen, om niet slechts de dingen te doen, die ons voegen, maar die ons betamen, niet slechts hetgeen volstrekt noodzakelijk is, maar ook hetgeen liefelijk is en wel luidt. Onze Heere Jezus beschouwde het als ene zaak, die Hem betaamde, om alle gerechtigheid te vervullen, dat is, iedere Goddelijke inzetting te erkennen, en Zijne bereidheid te tonen, om zich naar alle de rechtvaardige voorschriften Gods te voegen. Aldus betaamt het Hem God te rechtvaardigen, en Zijne wijsheid te loven in de zending van Johannes om door den doop der bekering den weg voor Hem te bereiden. Aldus betaamt het ons alles wat goed is te steunen en aan te moedigen door ons voorbeeld en door ons woord. Christus heeft Johannes en zijn doop dikwijls met ere vermeld, en om dit nog des te beter te doen, heeft Hij zich zelf door hem laten dopen. Aldus begon Jezus eerst te doen, en toen te leren, en Zijne dienaren moeten dezelfde methode volgen. Aldus vervulde Christus de gerechtigheid van de ceremoniële wet, die in onderscheidene wassingen bestond, aldus heeft Hij de Evangelie-inzetting van den doop Zijner kerk aanbevolen, hem geëerd, en aangetoond, welke kracht Hij er in zou leggen. Het betaamde Christus zich te onderwerpen aan Johannes' wassing met water, omdat die door God was verordineerd, maar het betaamde Hem om der Farizeeën wassing met water tegen te staan, omdat dit een bedeksel en ene verordinering was van mensen, en Hij rechtvaardigde Zijne discipelen, toen dezen weigerden er zich aan te onderwerpen. Met den wil van Christus en de reden, die Hij er voor opgaf, was Johannes volkomen tevreden, en toen liet hij van Hem af. Dezelfde bescheidenheid, die hem eerst de ere, die Christus hem wilde aandoen, deed weigeren, deed hem den dienst verrichten, die Christus van hem vroeg. Gene voorgewende nederigheid moet ons doen nalaten wat onze plicht is te doen.
II. Het heeft den hemel behaagd den doop van Christus met ene bijzondere tentoonspreiding van heerlijkheid te eren. vers 16, 17, Jezus gedoopt zijnde is terstond opgeklommen uit het water. Andere gedoopten bleven nog om hun zonden te belijden, vers 6, maar Christus, gene zonde hebbende te belijden, is terstond opgeklommen uit het water, zo lezen wij dien zin, maar niet geheel juist, want het is opo tou hudatos -van het water, van den oever der rivier, waarvan Hij was afgekomen om met water te worden gewassen, dat is: om Zijn hoofd of Zijn aangezicht te laten wassen, Johannes 13:9, want hier wordt gene melding gemaakt van het uit- of aandoen van Zijne klederen, hetgeen niet nagelaten zou zijn, indien Hij naakt gedoopt ware. Hij is terstond opgeklommen, als iemand, die met de grootste blijmoedigheid en vastberadenheid aan het werk ging, Hij wilde geen tijd verliezen. Hoe was Hij geperst, opdat het volbracht werd! Toen Hij nu opgeklommen was uit het water en allen het oog op hem gericht hadden:
1. Ziet, de hemelen werden hem geopend, om iets boven den sterrenhemel te laten zien, ten minste aan Hem. Dit geschiedde:
a. Om Hem aan te moedigen in hetgeen Hij op zich had genomen, door het vooruitzicht op de heerlijkheid en de vreugde, die Hem waren voorgesteld. De hemel is geopend om Hem te ontvangen, als Hij het werk, dat Hij nu aanving, volbracht zal hebben. b. Om ons aan te moedigen Hem te ontvangen en ons aan Hem te onderwerpen. In, en door, Jezus Christus zijn voor de kinderen der mensen de hemelen geopend. De zonde heeft den hemel toegesloten, een einde gemaakt aan den vriendelijken omgang van God met den mens, maar nu heeft Christus het koninkrijk der hemelen geopend voor alle gelovigen. Goddelijk licht en Goddelijke liefde stromen neer op de mensenkinderen, en wij hebben vrijmoedigheid, om in te gaan in het heiligdom. Wij ontvangen van God genade, en wij betonen aan God gehoorzaamheid, en dat geschiedt alles door Jezus Christus, die de ladder is, welker voet op de aarde staat, en welker opperste in den hemel is, door wie alleen wij liefelijke gemeenschap hebben met God, en de hoop van ten laatste in den hemel te zullen komen. Toen Christus gedoopt werd, werden de hemelen geopend, om ons te leren, dat, zo wij behoorlijk gebruik maken van de genademiddelen, wij verwachten kunnen gemeenschap met Hem te oefenen, en mededelingen van Hem te ontvangen.
2. Hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk ene duive, en op Hem komen. Christus zag het, Markus 1:10, en Johannes zag het, Johannes 1:33, 34, en waarschijnlijk hebben allen, die er bijstonden, het gezien, want dit was bestemd en bedoeld voor Zijne openbare inwijding. Merk op:
a. De Geest Gods daalde neer en kwam op Hem. In het begin der oude wereld zweefde de Geest Gods op de wateren. Genesis 1:2, zweefde als een vogel boven het nest. Zo heeft Christus, als God, bij het begin dezer nieuwe wereld, niet nodig gehad den Heiligen Geest te ontvangen, maar het was voorzegd, dat de Geest des Heren op Hem zal rusten. Jesaja 11:2, 61:1, en hier deed Hij dit, want Hij moest een profeet zijn, en de profeten hebben altijd gesproken door den Geest Gods, die op hen kwam. Christus moest het profetisch ambt vervullen, niet door Zijne Goddelijke natuur, maar door de ingeving van den Heiligen Geest. Hij moest het Hoofd der kerk wezen, en de Geest kwam neer op Hem, en door Hem, op alle gelovigen in Zijne gaven, -Zijne genade en Zijne vertroostingen. De zalfolie vloeide neer van het hoofd tot de zomen, Christus heeft gaven ontvangen voor de mensen, opdat Hij gaven zou geven aan de mensen.
b. Hij kwam op Hem neer als ene duive, of het ene wezenlijke, levende duive was, of gelijk in visioenen, de voorstelling, of gelijkenis van ene duive, is onzeker. Indien er ene lichamelijke gedaante moet wezen, Lukas 3:22, dan moet het niet die wezen van een mens, want het gezien worden in gedaante als een mens was eigen aan den tweeden Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid, er was dus gene voegzame gedaante dan die van een der vogelen des hemels (de hemel nu geopend zijnde), en van alle vogelen was er geen zo betekenisvol als de duive. De Geest van Christus is als die ener duive, niet als die ener botte duif, zonder hart. Hosea 7:11, maar als ener onschuldige duive, zonder gal. Ge Geest kwam neer, niet in de gedaante van een adelaar, die, hoewel een koninklijke vogel, toch een roofvogel is, maar in de gedaante ener duive, die van alle schepselen het meest argeloze is. Zodanig was de Geest van Christus. Hij zal niet twisten noch roepen, zo moeten de Christenen zijn, oprecht gelijk de duiven. De duif is merkwaardig om hare ogen, wij bevinden, dat zowel de ogen van Christus, Hooglied 5:12, als de ogen der kerk, Hooglied 1:15, 6:1 vergeleken worden bij duivenogen, want zij hebben dezelfden geest, dezelfde gezindheid. De duif klaagt veel, Jesaja 38:14. Christus heeft veel geweend, en boetvaardige zielen worden vergeleken bij duiven der dalen. De duif was de enige vogel, die geofferd werd. Leviticus 1:14, en door den Geest, den eeuwigen Geest, heeft Christus zich zelven Gode onstraffelijk opgeofferd. De tijding van het afnemen van den zondvloed werd gebracht door ene duive met een olijfblad in haren mond, zeer gepast was het dus, dat de blijde boodschap van vrede met God gebracht werd door den Geest als ene duive. Het spreekt van Gods welbehagen in mensen, dat Zijne gedachten over ons gedachten zijn van goed, en niet van kwaad. Door de stem der tortelduif in ons land Hooglied 2:12 verstaat de Chaldeeuwse parafrase de stem des Heiligen Geestes. Dat God in Christus is, de wereld met zich zelven verzoenende, is ene blijde boodschap, die tot ons komt op de vleugelen ener duive.
3. Om deze plechtigheid te verklaren en te vervolledigen kwam ene stem van den hemel, die naar wij reden hebben te geloven, door allen gehoord werd, die daar tegenwoordig waren. De Heilige Geest openbaarde zich in de gelijkheid ener duive, maar God, de Vader, door ene stem, want toen de wet was gegeven, zagen zij gene gelijkenis, zij hoorden, slechts de stem, Deuteronomium 4:12, en zo kwam dit Evangelie, en een Evangelie is het voorzeker, de beste tijding, die ooit van den hemel op de aarde is gekomen, want het spreekt duidelijk en volledig van Gods gunst over Christus, en, in hem, over ons.
a. Zie hier, hoe God onzen Heere Jezus erkent: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde. Merk op: De betrekking, waarin Hij tot Hem stond: Hij is Mijn Zoon, Jezus Christus is de Zoon van God, door eeuwige generatie, Colossenzen 1:15, Hebreeën 1:3, en door bovennatuurlijke ontvangenis, Hij werd de Zoon van God genoemd, omdat Hij ontvangen was door de kracht des Heiligen Geestes. Lukas 1:35. Maar dit is niet alles, Hij is de Zoon van God wegens Zijne bijzondere bestemming voor het werk en het ambt van Verlosser der wereld. Hij was afgezonderd en verzegeld, en op die boodschap uitgezonden, een voedsterling er voor bij den Vader, Prediker 8:30. Daartoe gesteld: Ik zal hem ten eerstgeborenen zoon stellen, Psalm 89:28. De liefde des Vaders voor Hem, Hij is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, de Zoon Zijner liefde, Colossenzen 1:13, Hij was van alle eeuwigheid in den schoot des Vaders, Johannes 1:18, is van alle eeuwigheid af Zijne vermaking geweest. Prediker 8:30, maar inzonderheid als Middelaar in het op zich nemen van het werk van des mensen verlossing, was Hij Zijn geliefde Zoon. Hij is Mijn Uitverkorene, in dewelke Mijne ziel een welbehagen heeft. Zie Jesaja 12:1. Omdat Hij toegestemd heeft in het verbond der verlossing, en zich verlustigd heeft dien wil van God te doen, daarom heeft de vader Hem lief. Johannes 10:17, 3:35. Ziet dus, ziet en verwondert u, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat Hij Hem, die de Zoon was Zijner liefde, heeft overgegeven om te lijden en te sterven voor hen, die het geslacht Zijns toorns waren, ja, en dat Hij Hem daarom heeft liefgehad, omdat Hij Zijn leven heeft afgelegd voor de schapen! Nu weten wij, dat Hij ons heeft liefgehad, daar Hij Zijn enigen Zoon niet gespaard heeft, Zijn Izaak, dien Hij liefhad, maar Hem als een offer voor onze zonde heeft overgegeven.
b. Zie hoe bereid Hij is ons in Hem ons te erkennen: Hij is Mijn geliefde Zoon, niet slechts met wie, maar in wie Ik Mijn welbehagen heb. Hij heeft een welbehagen in allen, die in Hem zijn, en door het geloof met Hem zijn verenigd. Tot nu toe heeft God geen welbehagen gehad in de kinderen der mensen, maar thans is Zijn toorn afgekeerd, en Hij heeft ons begenadigd in den Geliefde, Efeziërs 1:6. Laat de ganse wereld het opmerken, dat deze de Vredemaker, de Scheidsman is, die Zijne hand op ons beiden gelegd heeft, en dat er geen komen is tot God als Vader, dan door Hem als Middelaar, Johannes 14:6. In Hem zijn onze geestelijke offeranden Gode welbehaaglijk, want Hij is het altaar, dat iedere gave heiligt, 1 Petrus 2:5. Buiten Christus is God een verterend vuur, maar in Christus, een verzoend Vader. Dit is de hoofdsom en inhoud van geheel het Evangelie, het is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat God door ene stem van den hemel verklaard heeft, dat Jezus Christus Zijn geliefde Zoon is, in wie Hij een welbehagen heeft, waarmee wij blijmoedig behoren in te stemmen, en te zeggen: Hij is onze geliefde Zaligmaker, in wie wij een welbehagen hebben.