Psalm 137:1-6
Wij hebben hier de dochter van Zion overdekt door een wolk en wonende bij de dochter van Babel, het volk van God in tranen, maar zaaiende met tranen. Let op,
I. De treurige toestand, waarin zij waren met betrekking tot hun zaken en tot hun gemoedsgesteldheid.
1. Zij waren geplaatst aan de rivieren van Babel, in een vreemd land, ver weg van hun eigen land, vanwaar zij als krijgsgevangenen herwaarts waren gevoerd. Het land van Babylon was nu een huis van dienstbaarheid voor dat volk, zoals Egypte dat in het begin voor hen geweest is. Hun overwinnaars legerden hen aan de rivieren met de bedoeling hen daar aan het werk te zetten en te houden op hun galeien, of misschien kozen zij het als de somberste, naargeestigste plaats, en daarom het meest in overeenstemming met hun treurige gemoedsgesteldheid. Indien zij daar huizen moeten bouwen, Jeremia 29:5, dan zal het niet in de steden zijn, de plaatsen van samenkomst, maar aan de rivieren, de plaatsen van eenzaamheid, weer zij hun tranen met de waterstromen konden vermengen. Sommigen van hen vinden we bij de rivier Chebar, Ezechiël 1:3, anderen aan de vloed Ulai, Daniël 8:2.
2. Daar zaten zij neer om zich te verdiepen in hun smart, door aan hun rampen en ellende te denken. Jeremia had hen geleerd om onder dit juk "eenzaam te zitten en stil te zwijgen, en hun mond in het stof te steken," Klaagliederen 3:28, 29. Daar zaten wij, als degenen, die verwachtten er te zullen blijven, en tevreden waren, daar het de wil van God is dat het zo zijn zal.
3. Gedachten aan Zion persten tranen uit hun ogen, en het was geen plotselinge aandrang om te wenen, zoals wij die soms hebben door leed, dat ons onverwacht treft, maar het waren tranen, die door overdenking uit hun ogen vloeiden, daar zaten wij, ook weenden wij, tranen van nadenken. Wij weenden als wij gedachten aan Zion, de heilige berg, waarop de tempel gebouwd was. Hun liefde voor Gods huis verzwolg hun zorg voor hun eigen huizen. Zij gedachten aan Zions vroegere heerlijkheid, en het genot, dat zij smaakten in Zions voorhoven, Klaagliederen 1:7. "Jeruzalem is in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft." Psalm 42:5. Zij gedachten aan Zions tegenwoordige verwoesting, en `hadden medeleden met haar gruis", hetgeen een goed teken was, dat Gods tijd om haar genadig te zijn niet verre meer was, Psalm 102:14, 15.
4. Zij legden hun muziekinstrumenten ter zijde, vers 2. Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen.
a. De harpen, die zij tot hun eigen vermaak hadden bespeeld, legden zij weg, beide omdat het hun oordeel was dat zij ze nu niet moesten gebruiken, daar God hen thans riep tot geween en rouwklage, Jesaja 22:12, en omdat hun hart zo treurig was dat zij geen lust hadden om ze te gebruiken. Zij hebben hun harpen medegebracht met de bedoeling ze te gebruiken tot verlichting van hun smart, maar die smart bleek zo groot te zien dat zij er de proef niet van nemen konden, sommige mensen worden door muziek treurig gestemd "die liedekens zingt bij een treurig hart is als edik op salpeter." b. De harpen, die zij gebruikten bij de aanbidding Gods, de harpen van de Levieten, hebben zij niet weggeworpen, hopende dat zij wel weer de gelegenheid zullen hebben om ze te gebruiken, al konden zij ze ook thans niet gebruiken. God had ander werk voor hen bereid door "hun feesten in rouw en hun liederen in weeklagen te veranderen," Amos 8:1. Alles is schoon op zijn tijd. Zij hebben hun harpen niet in de struiken verscholen, of in de holen van de rotsen, maar ze opgehangen, waar men ze zien kon, opdat het gezicht erop droefheid bij hen zou verwekken om die treurige verandering. Maar misschien hebben zij daar toch verkeerd aan gedaan, want God te loven is nooit ontijdig, het is Zijn wil dat wij zullen dankzeggen in alles. Jesaja 24:15-16.
II. De beledigingen, die hun vijanden hun aandeden, toen zij zich in die treurige tijd stand bevonden, vers 3. Zij hadden hen gevankelijk weggevoerd van hun eigen land, en hen toen in het land hunner gevangenschap beroofd, vers 3, daar zij het weinige, dat zij hadden, van hen wegnamen, maar dit was nog niet genoeg, om hun ellende nog te verzwaren, bespotten zij hen, zij eisten vreugde van ons en een lied.
1. Dit was zeer wreed en onmenselijk, zelfs met een vijand moet men in het ongeluk medelijden hebben, maar hem niet vertreden. Het toont een laaghartig gemoed om hen, die in benauwdheid zijn, te kwellen, door hun hetzij hun vroegere blijdschap of hun tegenwoordige smart voor de voeten te werpen, of diegenen tot vrolijkheid op te wekken, die, naar wij weten, er niet voor gestemd zijn: dit is aan die reeds beproefd zijn nog beproeving toe te voegen.
2. Het was zeer goddeloos. Geen andere liederen konden hun behagen dan de liederen Zions, waarmee God geëerd was geworden, zodat zij in deze eis God zelf smaadden, zoals Belsazar toen hij wijn dronk uit vaten van de tempel. Zij "spotten met hun rustdagen," Klaagliederen 1:7.
III. Het geduld, waarmee zij hun beledigingen verdroegen, vers 4. Zij hadden hun harpen ter zijde gelegd, en wilden ze niet weer ter hand nemen, neen, zelfs niet om zich aangenaam te maken bij hen, in wier macht zij zich bevonden, zij wilden die dwazen niet antwoorden naar hun dwaasheid. Aan goddeloze spotters moet men niet ter wille zijn, geen paarlen voor de zwijnen werpen. David heeft voorzichtiglijk zelfs van het goede gezwegen, terwijl de goddeloze nog tegenover hem was, die, naar hij wist, spotten zou met hetgeen hij zei, er een grap van zou maken, Psalm 39:2, 3. De reden die zij gaven is zacht en vroom. Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land? Zij zeggen niet: Hoe kunnen wij zingen, als wij in zo diepe smart zijn?" Indien dit alles ware, zij hadden er zich misschien toe kunnen dwingen, maar, het is het lied des Heeren, het is iets heiligs, het behoort tot de tempeldienst, en daarom durven wij het niet zingen in het land van een vreemdeling, onder afgodendienaars. Wij moeten gewone en nog veel minder onheilige vrolijkheid niet dienen met hetgeen Gode toebehoort, die soms geëerd wordt door een Godsdienstig zwijgen zowel als door Godsdienstig spreken.
IV. De genegenheid, die zij voortdurend behielden voor Jeruzalem, de stad hunner plechtigheden, zelfs nu zij in Babel waren. Hoewel hun vijanden hen bespotten, omdat zij zoveel van Jeruzalem spraken, is hun liefde er voor volstrekt niet verminderd, zij kunnen er om uitgelachen worden, maar toch zal die liefde niet uit hen weggelachen worden. vers 5, 6.
Merk op 1. Hoe deze Godvruchtige gevangenen voor Jeruzalem gezind zijn.
a. Hun hoofd was er vol van, Jeruzalem was altijd in hun gedachten, zij gedachten aan haar, zij vergaten haar niet, hoewel zij lang afwezig van haar geweest zijn, velen van hen die stad nooit gezien hadden, noch iets van haar wisten anders dan van horen zeggen, en wat zij ervan gelezen hadden in de Schrift, was zij toch in hun handpalmen gegraveerd, en zelfs haar puinhopen waren steeds voor hen, hetgeen een bewijs was van hun geloof in de belofte van haar wederherstelling ter bestemder tijd. Bij hun dagelijkse gebeden openden zij hun vensters naar Jeruzalem, hoe konden zij haar dan vergeten?
b. Hun hart was er vol van, zij verhieven haar boven het hoogste hunner blijdschap, en daarom gedachten zij aan haar en konden haar niet vergeten. Aan wat wij liefhebben denken wij gaarne. Zij, die zich verblijden in God, maken om Zijnentwil Jeruzalem tot hun blijdschap en verheffen haar boven hetgeen hun hoogste blijdschap is, waarin dit ook moge bestaan. Een Godvruchtig man zal het openbare goed, het openbare welzijn, stellen boven ieder particulier goed, ieder persoonlijk belang of genot.
2. Hoe vast zij besloten die liefde steeds te behouden, hetgeen zij uitdrukken door een plechtige verwensing, een inroeping van kwaad over henzelf, indien zij er in faalden. Laat mij voor altijd onbekwaam zijn om te zingen, of om de harp te bespelen, indien ik in zover de Godsdienst van mijn land vergeet dat ik mijn liederen en mijn harpen gebruik om de kinderen van Babel te behagen, of om de goden van Babel te loven. Mijn rechterhand vergete haar kunst, vers 5 (dat de hand van een bekwaam musicus niet kan, of zij moet verdord zijn)" ja mijn tong kleve aan mijn gehemelte, indien ik geen goed woord heb te zeggen voor Jeruzalem waar ik ook ben." Hoewel zij Zions liederen niet durven zingen onder de Babyloniërs, kunnen zij ze toch niet vergeten, maar zodra het tegenwoordige bedwang opgeheven is, zullen zij ze even geredelijk zingen als ooit tevoren, niettegenstaande zij zolang in onbruik geweest zijn.