19. En, om hier weer op het in
Vers 16 verhaalde terug te komen, nadat het in
Vers 18 opgemerkte tot voltooiing van het verhaal was bijgevoegd, de Cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijne ogen, als zij uitingen; en de raderen waren, volgens het in
Vers 16, medegedeelde, tegenover hen: en elkeen stond aan de deur der Oostpoort van het huis des HEEREN, en de heerlijkheid des Gods Israëls 1) wasnu (nog niet in
Vers 1) van boven over hen, en zo had ik de verschijning gezien aan de wateren van Chebar (
Hoofdstuk 1:26).
1) In het oog vallend is, dat hier niet van HEERE maar van den God Israëls sprake is. Dit heeft ongetwijfeld deze betekenis, dat God als verbonds-God van het weerspannig volk in Jeruzalem en Juda heenging, dat volk aldaar Zijne genade en ontferming onttrok. Maar opdat het volk in de ballingschap het zou weten, dat de Heere God de onveranderlijke God was, die Zijn verbond hield en welk verbond onverbrekelijk was, daarom roept hij in Vers 20 dat het dezelfde God was die hem aan den Chebar was verschenen. Hij zou dan ook Zijn volk niet geheel verlaten, maar het in de ballingschap gelouterde volk weer Zijne genade en trouw doen ervaren.