Genesis 3:22-24
Het vonnis over de overtreders uitgesproken zijnde, hebben wij nu ten dele, de tenuitvoerlegging er van.
Merk hier op: I. Hoe zij rechtvaardig onteerd en beschaamd werden voor God en de heilige engelen door dat ironisch verwijt betreffende de uitslag van hun onderneming: "Zie, de mens is geworden als een onzer, kennende het goed en het kwaad. Een fraaie god is hij geworden! Zie eens waartoe hij is gekomen door zijn eten van verboden vruchten, hoe hij verhoogd is, welk voordeel hij heeft verkregen!" Dit was gezegd om hen te doen ontwaken en hen te verootmoedigen, hen tot het besef te brengen van hun zonde en dwaasheid, en tot berouw er over, opdat zij, ziende hoe ellendig zij bedrogen uitgekomen zijn door de raad van de duivel te volgen, van nu voortaan het geluk, dat God aanbiedt, zullen zoeken op de weg, die Hij aanwijst. "God maakt hun aangezicht aldus vol van schande, opdat zij Zijn naam zoeken," Psalm 83:17. Hij brengt hen tot die beschaming om hen te bekeren. Ware boetvaardigen zullen dit verwijt richten tot zich zelf: "Wat vrucht heb ik nu van de zonde? Romeinen 6:21. Heb ik verkregen, wat ik mij dwaselijk op een zondige weg heb beloofd? Neen, neen, het is niet gebleken te zijn wat het voorgaf te zijn, maar wel het tegendeel."
II. Hoe zij rechtvaardig uit het paradijs gebannen werden, hetgeen een deel was van het vonnis, en opgesloten lag in dit: Gij zult het kruid des velds eten. Hier hebben wij:
1. De reden, die God opgaf, waarom Hij hen buitensloot van het paradijs: niet alleen omdat hij zijn hand had uitgestrekt en van de boom van de kennis had genomen, dat zijn zonde was, maar opdat hij niet wederom zijn hand zal uitstrekken, en ook van de boom des levens zal nemen, (dat hem nu door de wet verboden is) en van die boom zal durven eten, en aldus een Goddelijk sacrament zou ontheiligen, en een Goddelijk vonnis zou trotseren, en zich dan nog zou vleien met de waan, dat hij er eeuwig door zou leven.
Merk op: a. Er is in hen die zich het wezen van de Christelijke voorrechten onwaardig hebben gemaakt, een dwaze neiging om zich aan de tekenen en schaduwen er van vast te klemmen. Velen, die niet houden van de voorwaarden van het verbond, zijn toch, ter wille van hun reputatie, zeer gesteld op de zegelen er van.
b. Het is niet slechts rechtvaardig, dat zij aan de zodanigen ontzegd worden, maar het is ook een vriendelijkheid voor hen, want door zich aan te matigen hetgeen, waarop zij geen recht hebben, beledigen zij God en verzwaren zij nog hun zonde, en door hun hoop te bouwen op een verkeerd fundament, maken zij hun bekering des te meer moeilijk, en hun verderf nog meer ellendig.
2. De methode, die God volgde, toen Hij hem deze scheidbrief gaf, en hem van deze lusthof buitensloot. Hij dreef hem uit, en hield hem buiten.
a. Hij dreef hem uit, van de hof naar het veld. Twee maal wordt hier melding van gemaakt, vers 23. Hij zond hem weg, en dan in vers 24, Hij dreef hem uit. God gebood hem weg te gaan, zei hem, dat dit geen plaats voor hem was, dat hij de hof niet langer in bezit zou hebben, maar hij beminde de plaats te veel om er gewillig van te scheiden, en daarom dreef God hem uit, deed hem er van uitgaan of hij wilde of niet. Dat betekende het buitensluiten van hem, en van geheel zijn zondig geslacht, van die gemeenschap met God, die de zaligheid en heerlijkheid was van het paradijs, het teken van Gods gunst jegens hem en Zijn verlustiging in de mensenkinderen in hun staat van onschuld, hadden nu opgehouden, de mededelingen van Zijn genade werden hem onthouden, en Adam werd zwak en als andere mensen, evenals Simson, toen de Geest des Heeren van hem geweken was. Zijn bekendheid met God was verminderd, verloren, en de gemeenschap, die bestaan had tussen de mens en zijn Maker was verbroken en opgeheven. Hij werd uitgedreven, als een, die deze eer niet waardig was en onbekwaam was tot deze dienst. Aldus hebben hij en geheel het mensdom door de val de gemeenschap met God verbeurd en verloren.
Maar waarheen zond Hij hem, toen Hij hem uit Eden verdreef? Hij zou hem met volle recht van de wereld hebben kunnen verjagen, Job 18:18, maar Hij verjoeg hem slechts uit de hof. Hij zou hem met volle recht in de hel hebben kunnen werpen, zoals de engelen, die gezondigd hebben, dit waren, toen zij van het hemelse paradijs buitengesloten werden, 2 Petrus 2:4. Maar de mens werd slechts heengezonden om de aarde te bebouwen, waaruit hij genomen was. Hij werd gezonden naar een plaats van arbeid en zwoegen, niet naar een plaats van de pijniging. Hij werd gezonden naar de grond, niet naar het graf, naar het werkhuis, niet naar de kerker, om de ploeg te hanteren, niet om een keten voort te slepen. Zijn bebouwen van de grond zal hierdoor beloond worden, dat hij van de vruchten er van zal eten, en zijn omgang met de aarde, waaruit hij genomen was, zal dienen om hem nederig te houden, en hem aan zijn einde te doen denken. Merk dan op, dat hoewel onze eerste ouders buitengesloten werden van de voorrechten van hun staat van de onschuld, zij toch niet aan de wanhoop waren prijs gegeven. Gods gedachten van de liefde bestemde hen voor een nieuwe proeftijd op nieuwe voorwaarden.
b. Hij hield hem er buiten, en ontnam hem alle hoop van er weer in te komen, want Hij stelde cherubim tegen het Oosten des hofs van Eden, Gods heirscharen, gewapend met een ontzaglijke en onweerstaanbare macht, voorgesteld door een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich naar alle zijden omkeerde, aan die zijde van de hof, die het dichtst bij de plaats was waar Adam heengezonden was, om de weg te bewaren, die naar de boom des levens voerde, zodat hij er noch tersluiks, noch met geweld kon binnendringen, want wie kan zich een toegang banen, waar een engel de wacht houdt om de toegang te beletten? Dit nu gaf aan Adam te kennen:
a. Dat God misnoegd op hem was, wèl had Hij genade voor hem weggelegd, maar voor het ogenblik was Hij vertoornd op hem, was Hij hem ten vijand verkeerd, en streed Hij tegen hem, want hier was een uitgetrokken zwaard, Numeri 22:23, en Hij was hem een verterend vuur, want het was een vlammig zwaard.
b. Dat de engelen krijg tegen hem voerden, geen vrede met het hemelse heir, zolang hij in opstand was tegen hun en onze Heere.
c. Dat de weg tot de boom des levens afgesloten was, die weg namelijk, waarop hij in het eerst gesteld was, de weg van vlekkeloze onschuld. Er is niet gezegd, dat de cherubim gesteld waren om hem en de zijnen voor eeuwig van de boom des levens te weren: (Gode zij dank er is ons een paradijs voorgesteld, en een boom des levens in het midden er van, in de hoop waarvan wij ons verblijden) maar zij waren gesteld om die weg naar de boom des levens te bewaren, waarin zij tot nu toe geweest waren, dat is: van nu voortaan was het ijdel voor hem en de zijnen, om gerechtigheid, leven en zaligheid te verwachten krachtens het eerste verbond, want dat was onherstelbaar verbroken daarop kon niet meer gepleit worden, daaraan kon nooit meer voordeel of weldaad ontleend worden. Het gebod van dat verbond overtreden zijnde, is de vloek er van in volle kracht, het laat geen plaats voor berouw, maar allen zijn wij verloren, indien wij naar dat verbond geoordeeld moeten worden. God heeft dit aan Adam bekend gemaakt, niet om hem tot wanhoop te brengen, maar om hem dienst te bewijzen door hem op te wekken om leven en zaligheid te verwachten van het beloofde Zaad, door wie het vlammig zwaard wordt weggenomen, God en Zijn engelen zijn met ons verzoend, een verse en levende weg naar het heiligdom is ons ingewijd en geopend.