18. Toen ging de heerlijkheid des HEEREN van boven den dorpel des huizes weg 1), waarin zij (
Vers 4) was getreden en van waar zij hare bevelen (
Vers 2,
13) had gegeven, en zij zette zich neer op den troon (
Hoofdstuk 4:1), en stond boven de Cherubs.
1) Hier leert de Profeet wat het voornaamste is in dit visioen, dat God uit de tempel is getreden. Wij weten met hoe groot vertrouwen de Joden zich beroemd hadden, dat zij veilig waren en behouden onder de hoede Gods. Dewijl nu de belofte gegeven was, dat de tempel de rustplaats Gods zou zijn, waar Hij zou wonen, meenden zij dat het niet zou kunnen geschieden, dat God van hen heenging. Zo hadden zij overmoedig gezondigd en waar zij God verre hadden verworpen door hun zonden, daar wilden zij toch zich als het ware onverwinlijk achten. Deze dwaasheid wordt bespot bij Jesaja (Hoofdstuk 66:1): De hemel is Mijn troon, doch de aarde is de voetbank Mijner voeten, hoe zoudt Gij Mij dan een huis bouwen? God had bevolen dat Hem een tempel zou gebouwd worden en Hij wilde aldaar een aards domicilie hebben. Doch Hij zegt dat dit onnut was. Hoe? Toch waar Hij beloofde in den tempel te zullen wonen, daar wilde Hij Zijn naam zuiver en rein aangeroepen hebben. Maar de Joden hadden op allerlei wijze den tempel ontwijd.
Derhalve meenden zij tevergeefs, dat God daar was ingesloten, dewijl Zijne goedertierenheid niet zo ver ging, dat Hij Zich gevangen gaf aan de Joden, maar dat Hij Zich aan hen als gehoorzamen gaf. Naar waarheid zegt Jesaja, dat dit huis niet kon geschikt zijn tot gebruik voor God, omdat het ontheiligd was. Dit is nu ook de reden waarom de Profeet zegt, dat de heerlijkheid Gods uit het heiligdom was heengegaan. Het was noodzakelijk dat ook de gelovige overtuigd werd, dat God niet langer woonde in den tempel, maar deze als een ijdel schouwspel overbleef, dewijl van daar Zijn heerlijkheid was opgeheven, wijl die plaats door zo vele wandaden was bedorven.
Om derhalve de Joden alle vertrouwen op de bescherming Gods te ontnemen, wordt den Profeet dit visioen getoond. Toen de tempel werd ingewijd konden de Priesters niet staan vanwege de heerlijkheid Gods, en dit was een bewijs dat de Heere God in genade op Zijn volk neerzag; maar waar nu de heerlijkheid des Heeren verdwijnt uit den tempel, is het het bewijs dat de Heere Zijne bescherming; aan het volk onttrekt en het overgeeft in de macht Zijner vijanden.