5. En het geruis van de vleugelen der Cherubs, dat in de
Vers 1 beschrevene verschijning geschiedde als ter begroeting van Hem, die op den troon boven hen wilde plaats nemen (
vers 18), werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem des almachtigen Gods, wanneer Hij spreekt.
Deze drie verzen breken den zamenhang af en dienen tot aanvulling van hetgeen in Vers 1, slechts kort en voorlopig is bericht. Daar wordt dezelfde verschijning als in Hoofdstuk 1:4-28 vermeld, maar op den troon was niet zittende: één van gedaante als een mens (1:26), maar de troon was nog ledig. Het wordt echter voorbereid, dat Hij, wien de troon toekomt, dien inneme, terwijl de heerlijkheid des Heeren uit het binnenste des tempels zich verwijdert. Nog komt zij niet verder, dan tot aan den drempel des huizes, want vandaar geeft zij in Vers 2 haar bevel aan den man in linnen. Vervolgens echter, als het bevel is volbracht en de verschijning der Cherubim uitvoerig in hare overeenkomst met die in Hoofdstuk 1:5-21 is beschreven (vers 6-17), wordt in Vers 18 het zich nederlaten boven de Cherubim, die zich reeds ten aftocht hebben gereed gemaakt, bericht. Bij Jozua 3:6 hebben wij opgemerkt, hoe de wolkkolom, welke de kinderen Israëls door de woestijn geleid heeft, dit uiterlijk teken van `s Heeren tegenwoordigheid sedert den intocht in het beloofde land niet meer voorkomt. Eerst in 1 Koningen 8:10, bij de inwijding van den tempel werd weer ene wolk opgemerkt, om te kennen te geven, dat de Heere weer van het Allerheilige des tempels bezit nam, en dat daar werkelijk Zijne heerlijkheid zou wonen; hier gaat zij echter met de heerlijkheid des Heeren verenigd van den tempel heen, om op deze wijze niet weer te keren, want, zo als wij weten (1 Koningen 8:12. 2 Koningen 25:17 en Ezra 6:15) ontbrak aan den tweeden tempel, aan dien van Zerubbabel, zowel de arke des verbonds als de Schechina. Een later terugkeren wordt echter bij onzen Profeet in Hoofdstuk 43:1, voorzegd, en wel van dezelfde zijde af, naar welke in het voor ons liggend hoofdstuk de aftocht plaats heeft (Vers 19), namelijk van de oostzijde af, hetgeen in Openbaring 6:12, wordt vervuld.