Jesaja 30:18-26
De slotwoorden van de vorige paragraaf: gij zult overgelaten worden gelijk een mast, of een baken, op de top van een berg, worden door sommigen opgevat als een belofte, dat een overblijfsel van hen behouden zal worden als gedenktekenen van Gods genade. De profeet zegt hun hier welke goede tijden er op deze rampen zullen volgen, of, de eerste woorden van deze paragraaf kunnen gelezen worden als een tegenstelling: Evenwel, in weerwil hiervan zal de Heere wachten, opdat Hij u genadig zij. De profeet, aangetoond hebbende dat zij, die Egypte tot hun vertrouwen gesteld hebben, er zich over zullen schamen, loont hier nu aan dat zij, die stilzaten en alleen God tot hun vertrouwen gesteld hebben, er de vertroosting van zullen smaken. Het is een reden tot vertroosting voor het volk van God als de tijden zeer slecht zijn dat alles nog wèl zal wezen, wel met hen, die God vrezen, als wij tot de goddelozen zeggen: Het zal u kwalijk gaan.
I. God zal hun genadig zijn en zich over hen ontfermen, dat is de grond van alle goed. Indien wij gunst vinden bij God en Hij ons genadig is, dan zullen wij vertroosting hebben, vertroost worden naar de tijd, dat wij verdrukt zijn geweest.
1. "Hij zal wachten om genadig te zijn, vers 18, Hij zal wachten totdat gij tot Hem weerkeert en Zijn aangezicht zoekt, en dan zal Hij gereed en bereid zijn om u tegemoet te komen met genade. Hij zal wachten om het op de beste en geschiktste tijd te doen, wanneer het het meest zal strekken tot Zijn eer en heerlijkheid en het u op het aangenaamst zal verrassen. Hij zal u voortdurend volgen met Zijn gunst, en geen gelegenheid laten voorbijgaan om u genadig te zijn."
2. "Hij zal zich opwekken om u te verlossen, Hij zal verhoogd worden, Hij zal ontwaken uit Zijn heilige woning", Zacheria 2:13, opdat Hij met meer dan gewone tekenen van machten goedheid voor u zal verschijnen en aldus zal Hij verhoogd worden, Hij zal Zijn naam verheerlijken, dat is het wat Hij op het oog heeft in Zijn genadig zijn aan Zijn volk."
3. Hij zal zeer genadig zijn, vers 19, en dat wel in antwoord op het gebed, hetgeen Zijn vriendelijkheid dubbel vriendelijk maakt. "Hij zal u genadig zijn op de stem uws geroeps, de stem van uw nood, als die het dringendst is, de stem van uw gebed, als dit het vurigst is, als Hij die hoort, is er niets meer nodig, zo haast Hij die horen zal, op het eerste woord, zal Hij u antwoorden en zeggen: hier ben Ik."
In het bijzonder:
A. Zij, die gestoord waren in het bezit van hun goederen, zullen er weer in het rustige bezit van komen. Als het gevaar voorbij is, zal het volk in Zion wonen te Jeruzalem, zoals Zij plachten, zij zullen veilig wonen, vrij van de vrees van kwaad.
B. Zij, die geheel in tranen waren, zullen reden hebben om zich te verblijden, en ze zullen niet meer wenen, en zij, die in Zion de heilige stad wonen, zullen daar genoeg vinden om de tranen van hun ogen af te wissen. Dit nu is gegrond op twee grote waarheden:
a. Dat de Heere een God van het gericht is, Hij is beide wijs en rechtvaardig in al de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, getrouw aan Zijn woord en teder voor Zijn volk. Als Hij Zijn kinderen kastijdt, dan "doet Hij het met mate", Jeremia 10:24, met matiging en voorzichtigheid, wetende wat maaksel zij zijn. Wij denken dat we ons gerust kunnen verlaten op een man van oordeel en billijkheid, en zullen wij dan onze weg niet overgeven aan de God des gerichts?
b. Dat derhalve al degenen welgelukzalig zijn die Hem verwachten, die niet slechts tot Hem komen met hun gebeden, maar met hope op Hem wachten, die geen onwettige middelen willen aanwenden om zich uit hun benauwdheden te redden, of hun verlossing vooruitlopen, maar geduldig wachten op Gods verschijnen voor hen op Zijn eigen wijze en op Zijn eigen tijd. Omdat God oneindig wijs is, zijn diegenen in waarheid welgelukzalig, die zich aan Hem overgeven, aan Hem toevertrouwen.
II. Zij zullen niet wederom het gebrek kennen aan de middelen van de genade, vers 20, 21. Hier:
1. Wordt verondersteld dat zij, nadat deze verlossing voor hen gewrocht is, in benauwdheid en moeilijkheden kunnen komen. Er was beloofd, vers 19, dat zij niet meer zullen wenen en dat God hun genadig zou zijn, en toch wordt hier als iets stelligs aangenomen, dat God hun "brood van de benauwdheid en wateren van de verdrukking zou kunnen geven, gevangeniskost", I Koningen 22:27, grove en armoedige spijs, waarmee de armen zich voeden. Als de ene benauwdheid voorbij is, dan weten wij niet hoe spoedig zij door een andere gevolgd zal worden, en wij kunnen delen in de gunst van God en zulke vertroostingen, als genoegzaam zijn om het wenen te verbieden, en ons toch brood van de benauwdheid te eten gegeven worden en wateren van de verdrukking te drinken worden gegeven. Laat ons daarom over liefde en haat niet oordelen naar hetgeen voor ons is.
2. Er is beloofd dat hun ogen hun leraars zullen zien, dat zij getrouwe leraars zullen hebben, en dat zij een hart zullen hebben om hen te achten, en dat zij hen niet gering zullen achten, zoals zij plachten te doen, en dan zullen zij verzoend zijn met het brood van de benauwdheid en de wateren van de verdrukking. Het was een bekend gezegde onder de oude Puriteinen: Bruin brood en het Evangelie zijn een gezonde kost. Een hongersnood van brood is niet zo'n grote ramp als een hongersnood van het Woord Gods. Amos 8:11, 12. Het schijnt dat hun leraars naar een hoek gedrongen of weggezonden waren, vers 20, (waarschijnlijk genoodzaakt waren onder de regering van Achab om zich in veiligheid te stellen) maar zo zal het niet langer wezen. Veritas non quaerit angulos-De waarheid zoekt geen hoeken op om er zich in te verbergen, maar de leraren van de waarheid kunnen soms genoodzaakt zijn om een schuilplaats te zoeken in een hoek, en het gaat slecht met de kerk als dit het geval is, als de vrouw met haar kroon van twaalf sterren naar de woestijn moet vluchten, Openbaring 12:6 als de profeten bij vijftigen verborgen worden in een spelonk, 1 Koningen 18:4. Maar God zal een tijd vinden, wanneer Hij de leraars weer uit hun hoeken zal roepen en hen weer in hun plechtige vergaderingen zal plaatsen, die hun eigen leraars zullen zien, en "de ogen van allen in de synagogen op hen geslagen zijn," Lukas 4:20. En het zal hun zoveel aangenamer zijn vanwege het bedwang, waaronder zij geweest zijn, zoals licht uit de duisternis, zoals leven uit de doden. Voor allen, die God en hun eigen ziel liefhebben, is deze terugkeer van getrouwe leraars uit hun hoeken, inzonderheid met een belofte dat zij niet weer naar de hoeken gedreven zullen worden, het aangenaamste deel van iedere verlossing, er is genoeg vertroosting en lieflijkheid in, om zelfs het brood van de benauwdheid en de wateren van de beproeving te verzoeten. Maar dit is nog niet alles, er is beloofd dat zij het voordeel zouden hebben niet alleen van een openbare bediening van de Godsdienst, maar ook van persoonlijke vermaning en raadgeving, vers 21. "Uw oren zullen horen een woord achter u naroepende, zoals iemand een reiziger naroept, die hij ziet afdwalen van de weg."
Merk op:
a. Vanwaar dit woord komen zal, van achter u van iemand, die gij niet ziet, maar die u ziet. "Uwe ogen zien uw leraars, maar deze leraar is buiten uw gezicht, het is uw eigen geweten, dat nu door de genade Gods opgewekt zal zijn om zijn ambt te vervullen zijn dienst te verrichten."
b. Wat het woord zal zijn. "Dit is de weg, wandelt daarop. Als gij in twijfel zijt, dan zal uw geweten u leiden op de weg van uw plicht, als gij onverschillig zijt en beuzelt, dan zal het geweten u opwekken om voort te gaan op de weg." Gelijk God zich niet onbetuigd heeft gelaten, zo heeft Hij ons niet zonder gidsen gelaten, om ons de weg te wijzen.
c. Het tijdige van dit woord, het zal komen als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand. Wij zijn er zeer onderhevig aan om af te dwalen van onze weg, er zijn wendingen aan beide zijden, en die krommingen van de weg schijnen zo begaanbaar en zijn zo druk bezocht, dat zij gemakkelijk voor de rechte weg gehouden kunnen worden, er zijn dwalingen aan de rechter- en aan de linkerzijde, uitersten aan beide zijden van de deugd, de verzoeker is druk in de weer om ons op bijpaden te lokken. Dan is het gelukkig als wij door de bijzondere raad van een getrouw leraar of vriend, of door de bestraffing van het geweten, of het twisten van Gods Geest op de rechte weg gehouden worden, en er voor bewaard worden om de verkeerde weg op te gaan.
d. De voorspoed van dit woord: "Het zal niet slechts gesproken worden, maar uw oren zullen het horen, terwijl God tevoren eenmaal gesproken heeft, ja tweemaal, en gij er niet op hebt gelet, Job 33:14, nu zult gij aandachtig luisteren naar deze geheimenisvolle fluisteringen, en ze met een gehoorzaam oor horen." Als God ons niet slechts het woord, maar ook het horende oor geeft, niet alleen de middelen van de genade geeft, maar ook een hart om van die middelen een goed gebruik te maken, dan hebben we reden om te zeggen: Hij is ons zeer genadig, en reden om te hopen dat ook nog verder genade voor ons is weggelegd.
III. Zij zullen genezen zijn van hun afgoderij, zij zullen twisten met hun afgoden en nooit meer met hen verzoend worden, vers 22. De verlossingen, die God voor hen zal werken zullen hen er van overtuigen, dat het hun belang is zowel als hun plicht om Hem alleen te dienen, en zij zullen erkennen dat, gelijk hun benauwdheid over hen gekomen was wegens hun afgoderij, zij van hen weggenomen werd op voorwaarden, dat zij er niet toe zouden terugkeren. Dit is ook de goede uitwerking van hun zien van hun leraars, en van hun horen van het woord achter hen, hierdoor zal blijken dat de genademiddelen, die zij bezitten, hun goeddoen, dat zij met hun troetelzonde zullen breken.
Merk op:
1. Hoe verzot zij vroeger op hun afgoden geweest zijn in de dagen van hun afval, van afgodendienaars wordt gezegd, dat zij "razen naar verschrikkelijke afgoden, Jeremia 50:38, zij zijn er verzot op, zij hadden zilveren gesneden beelden en gouden gegoten beelden, en hoewel goud geen verguldsel behoeft, hadden zij er toch overtrekselen voor en versierselen er aan, zij spaarden geen kosten om hun afgoden te eren. 2. Hoe verstandig razend (als ik zo eens spreken mag) zij nu op hun afgoden waren, welk een heiligen toorn zij tegen hen koesterden ten dage van hun berouw en hun bekering. Ze hebben hun beelden niet alleen verlaagd, maar ze geschonden, ontsierd, ze niet slechts ontsierd maar verontreinigd, zij hebben er niet alleen de gestalte van bedorven, maar in heilige woede er tegen ontstoken, hebben zij het goud en zilver, waarvan zij gemaakt waren, weggeworpen, hoewel het van waarde was en tot betere doeleinden kon aangewend worden. Zij konden het niet van zich verkrijgen om er enigerlei vat ter ere van te maken. De rijke gewaden, waarmee deze beelden bekleed waren, wierpen zij weg als vuil goed, hetwelk hen, die het aanraken, onrein maakt tot aan de avond, Leviticus 15:23. Aan allen, die waarlijk boetvaardig zijn, is de zonde zeer hatelijk geworden, zij walgen er van, en vanwege haar walgen zij van zichzelf, zij werpen het op de mesthoop die er de geschiktste plaats voor is, ja naar het kruis, want zij kruisigen hun vlees, hun geroep er tegen is: Kruisig het! kruisig het! Zij zeggen tot hetzelve Abi hinc in malam rem-Ga van mij uit! Zij zijn vast besloten het nooit weer te herbergen. Alle gelegenheid tot zondigen doen zij zo ver mogelijk van zich weg, en alle verzoekingen er toe, al zijn zij ook als een rechter oog of een rechterhand, en betuigen er tegen zoals Efraïm, Hosea 14:9. Wat "heb ik meer met de afgoden te doen!" Dit is waarschijnlijk in veel afzonderlijke personen vervuld geworden, die door de verlossing van Sanheribs leger van de dwarsheid van hun afgoderij genezen waren, en van haar aflieten. Het werd vervuld in de massa van het joodse volk, na hun terugkeer uit de Babylonische gevangenschap, want van die tijd af hebben zij de afgoden altijd verafschuwd, en het wordt dagelijks vervuld in de bekering van zielen door de kracht van de Goddelijke genade van geestelijke afgoderij tot de vreze en liefde van God. Zij, die zich bij de Heere voegen, moeten afstand doen van iedere zonde, en tot haar zeggen: Ga van mij uit!
IV. God zal hun overvloed geven van alle goede dingen, als Hij hun hun leraars geeft, en zij hem hun hart geven, zodat zij beginnen het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid te zoeken, dan "zullen alle andere dingen hun toegeworpen worpen", Mattheus 6:33. En als het volk er toe gebracht wordt om God te loven, dan "geeft de aarde haar gewas, en God onze God zal ons zegenen," Psalm 67:6, 7. Zo volgt hier: "Als gij uw afgoden verzaakt zult hebben, dan zal God uw zaad, waarmee gij het land bezaaid hebt, regen geven, " vers 23. Als wij tot God weerkeren in de weg van de plicht, dan zal Hij ons tegenkomen met Zijn gunsten.
1. God zal u regen geven voor het zaad, dat gij zaait, juist op de tijd wanneer het er behoefte aan heeft, en niet meer.
Merk op: Hoe de vlijt van de mensen en Gods zegen samenwerken voor het goede, dat wij genieten met betrekking tot het tegenwoordige leven. Gij zult het land bezaaien, dat is uw deel, uw werk en dan zal God het zaad regen geven, dat is Zijn deel, Zijn werk. Zo is het met geestelijke vrucht: wij moeten moeite doen aan ons hart, en dan op God wachten voor Zijn genade.
2. Het gewas van de aarde zal rijk en goed zijn, alles zal het beste wezen van zijn soort, het zal vet en smoutig zijn, zeer vet en zeer goed: vet en overvloedig, zo lezen wij het, goed en genoeg ervan. Uw land zal in waarheid Kanaän zijn, het is dit op zeer merkwaardige wijze geweest na Sanheribs nederlaag, door de bijzondere zegen van God, Hoofdstuk 37. Aldus heeft God de verliezen willen vergoeden, die zij door die verwoesting geleden hebben.
3. Niet slechts het bouwland, maar ook de weidevelden zullen merkwaardig vruchtbaar zijn. Uw vee zal te die dage in een wijde landouw weiden, zij die grazen, zullen genoeg ruimte hebben, en de ossen en ezelsveulens, die voor het werk gehouden worden om het land te bebouwen, en beter gevoed moeten worden vanwege hun arbeiden, zullen zuiver voer hebben, het koren zal hun niet, als gewoonlijk in het kaf gegeven worden, om het langer te laten duren, maar goed, zuiver koren, voor menselijk gebruik, daar het met de wan gewend is, het redeloze vee zal delen in de overvloed, dit is ook betamelijk, want het zucht onder de last van de vloek, die de zonde van de mensen over de aarde gebracht heeft.
4. Zelfs de toppen van de bergen, die onvruchtbaar plachten te zijn, zullen zo goed bevochtigd worden door de regen des hemels dat er beekjes en waterstromen zullen zijn, die vandaar afvloeien naar de dalen, vers 25, en dat wel in de dag van de grote slachting, die door de engel aangericht zal worden in het legerkamp van de Assyriërs, wanneer de torens en batterijen, die zij hadden opgericht voor de belegering van Jeruzalem, het leger verslagen zijnde, zullen vallen. Waarschijnlijk is dit naar de letter vervuld geworden, en dat terzelfder tijd, dat dit leger verslagen en gedood werd, deze overvloedige regens gevallen zijn in goedertierenheid jegens het land.
V. De uitwerking van dit alles zal buitengewone vertroosting en blijdschap zijn voor het volk van God, vers 6. Licht, dat is kennis, zal toenemen, vermeerderd worden, als de profetieën vervuld zijn, zullen zij ten volle begrepen worden, of liever, het zegevierend juichen zal toenemen. Het licht van de blijdschap, dat voor de oprechten gezaaid is, zal nu uitspruiten met een grote vermeerdering, het licht van de maan zal even schitterend en sterk worden als dat van de zon, en dat van de zon zal naar gelijke evenredigheid toenemen, en wezen als het licht van zeven dagen, iedereen zal veel blijmoediger en veel aangenamer schijnen te zijn dan gewoonlijk. Er zal een hoge springvloed van vreugde zijn in Juda en Jeruzalem bij gelegenheid van de ondergang van het Assyrische leger, als de Heere de breuk van Zijn volk zal verbinden, hen er niet alleen voor behoedt om nog verder gewond te worden, maar de wonden heelt, die hun door de vijandelijken inval toegebracht waren, en hun verliezen vergoed. De grote benauwdheid, die over hen was gekomen, hun wanhoop aan hulp, en de plotselinge redding zullen hun blijdschap grotelijks vermeerderen. Dit wordt door verel toegepast op het licht, dat door het Evangelie in de wereld gebracht werd aan hen, die in duisternis waren gezeten, en het licht des Ouden Testamens even ver overtrof, als het licht van de zon dat van de maan overtreft, en genezing verkondigde aan hen, die gebroken van hart zijn, en het verbinden van hun wonden.