Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 6
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
EN het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
2
Mensenkind,
1
zet uw aangezicht tegen
a
2
de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelve,
3
En zeg: Gij
3
bergen Israëls, hoort het woord des Heeren HEEREN; zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de
4
beken en tot de dalen: Zie, Ik, Ik breng over u het
5
zwaard, en Ik zal uw
6
hoogten verderven.
4
Daartoe zullen uw
7
altaren verwoest en uw
8
zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal
9
uw verslagenen nedervellen voor het aangezicht uwer
10
drekgoden.
5
En
11
Ik zal de dode lichamen der kinderen Israëls voor het aangezicht hunner drekgoden
12
leggen, en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren strooien.
6
13
In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw drekgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen
14
en uw werken uitgedelgd worden.
7
En de verslagenen zullen in het midden van u
15
liggen, opdat
16
gij weet dat Ik de
17
HEERE ben.
8
Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als gij
enigen
zult hebben
18
die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer gij in de landen zult verstrooid worden.
9
Dan zullen uw ontkomenen
19
Mijner gedenken onder de heidenen waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik
20
verbroken ben door hun
21
hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun
22
ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen
23
een walging
24
aan zichzelven hebben
25
over de boosheden die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
10
En zij
26
zullen weten dat Ik de HEERE ben; Ik heb niet
27
tevergeefs gesproken van hun dit kwaad aan te doen.
11
Zo zegt de Heere HEERE:
b
28
Sla met uw hand
29
en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen der boosheden van het huis Israëls; want zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie
30
vallen.
12
Die
31
veraf is, zal door de pest sterven, en die
32
nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en
33
belegerd is, zal door honger sterven; alzo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbrengen.
13
Dan zult gij weten dat Ik de HEERE ben, als hun verslagenen in het midden hunner drekgoden rondom hun altaren wezen zullen op
34
alle hoge heuvelen, op alle toppen der bergen, en onder allen groenen boom en onder alle
35
dichte eiken, de plaats alwaar zij al hun drekgoden
36
lieflijken reuk maakten.
14
Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan
37
de woestijn naar
38
Diblath heen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden dat Ik de HEERE ben.