10. En zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben: Ik heb niet te vergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan te doen 1), maar heb Mij ook betoond de ware levende God te zijn, doordat Ik nu ook heb gehouden, wat Ik heb gesproken.
1) Onder de scherpste bedreigingen keert deze troost steeds terug, dat Israël niet geheel verdelgd wordt, gelijk andere volken, maar dat enigen overblijven, die door de kastijding teruggebracht worden tot den Heere. Iemand kan wel gevoelen, dat hij het met God te doen had, maar hij verootmoedigt zich daarom niet, zo als Kaïn genoodzaakt was voor Gods aangezicht te sidderen, maar zich steeds gelijk bleef; zo pleegt het met verlorenen te gaan. Het is wel een stuk van het berouw Gods oordeel te erkennen, maar slechts de helft: het mishagen aan zich zelven is het andere stuk.
Wij allen moeten eerst met Israël in den smaad der ballingschap onder blinde heidenen met gebroken harten en ogen het licht des Evangelies leren zoeken en vinden.