14. Daarom zal Ik Mijne hand over hen uitstrekken, 1) zo als in
Hoofdstuk 5:14 gezegd is, en zal het land woest maken, ja woester dan de woestijn van Diblath) henen, en al hun woningen: en zij zullen bevinden, dat Ik de HEERE ben 3) (
Vers 7,
10).
1) Ezechiël zet hetzelfde vonnis voort. Maar noodzakelijk is het met verscheidene woorden de profetieën te bevestigen, die overigens moeilijk waren om geloofd te worden, voornamelijk door die mensen, die zich zo veilig waanden en die reeds door lange gewoonten tegen God zich hadden verhard. Dit is derhalve de reden, waarom hij de op zich zelf volstrekt niet duistere zaak met verscheidene woorden uitdrukt. Hij spreekt nu over de uitstrekking van de hand Gods welke manier van spreken meermalen in de Schrift voorkomt. Want God wordt gezegd Zijn hand uit te strekken, wanneer Hij een openbaar bewijs van Zijn toorn geeft. Het beeld is ontleend aan de mensen, die indien zij iets groots willen ten uitvoer brengen, hun rechterhand uitstrekken. Wij weten dat God alles door een enkelen wenk volbrengt, maar dewijl wij uit kracht van onze slaperigheid Zijn oordeel niet begrijpen, daarom spreekt de Schrift van Zijn rechterhand om onze onnozelheid te hulp te komen.
2) Van de woestijn van Kanaäns zuidelijke grenzen tot Diblath in het noorden toe, dus het gehele land. Maar er is aan de noordelijke grenzen van Kanaän geen Diblath bekend. Daarom heeft men gemeend dat Diblatha of Ribla (in Syrië, Jeremia 39:5) te moeten stellen; juister vertaalde men misschien: "meer dan de woestijn Diblatha. " Diblatha komt wel nergens in de Schrift voor, doch wel Almon Deblathajim (Numeri 33:46 en Beth-Diblathajim (Jeremia 48:22), waarschijnlijk slechts verschillende, maar zeer verwante namen derzelfde plaats, die in ene zeer eenzame streek nabij den Nebo aan de zuidelijke grenzen van het land van Moab gelegen was.
Of beter nog: wij behoeven het woord als enen door den Profeet gevormden eigen naam op wiens betekenis het aankomt, en die zou zijn: "woestijn van ondergang of verderf", waarmee Babel de ene "eeuwige woestijn" zou bedoeld zijn (Jeremia 51:26). "Tegenover de eigengerechtigheid zijner tijdgenoten stelt Ezechiël het harde woord: het lot van het land zal harder zijn dan dat van Babel.
De woestijn Diblath is ons onbekend. Sommigen brengen het in verband met Deuteronomium 8:15. In elk geval wordt hier de algehele verwoesting van Kanaän geprofeteerd ten gevolge van de zonde des volks.
3) Jehova is, die Hij is, die dus Zijne eeuwigheid en macht betoont, en Zijn woord vervult en niet verandert, noch Zich verloochent.