Jeremia 8:1-3
Deze verzen zou men gevoegelijk aan het slot van het voorgaande hoofdstuk kunnen plaatsen, als een vervolg van de beschrijving van de vreselijke verwoesting van het land door het leger van de Chaldeën. Zij zal de gedaante van de dood zelf op wonderlijke wijze veranderen, en wel ten kwade.
I. De dood zal niet zijn, zoals hij altijd was, de rust van de doden. Wanneer Job naar het graf verlangt, is dat in de hoop, dat hij "daar zou rusten met de koningen en raadslieden van de aarde, maar nu zal de as van de doden, zelfs van koningen en vorsten, verstoord worden, en hun beenderen zullen verstrooid worden aan de mond des grafs," Psalm 141:7. Aan het slot van het vorige hoofdstuk werd gedreigd, dat de verslagenen onbegraven zouden blijven, maar hier vinden zij de graven van hen, die begraven waren door de overwinnenden vijand met boosaardige ijver geopend, die hetzij uit hebzucht, in de hoop schatten te vinden in de graven, of uit haat en woede tegen het volk, de beenderen van de koningen van Juda en van zijn vorsten voor de dag bracht. De waardigheid hunner graven kon hen niet beveiligen, neen, stelde ze te meer bloot om geplunderd te worden, maar het was laag en barbaars om het koninklijke stof zo te vertreden. Wij willen hopen, dat de beenderen van de goede Josia niet verstoord worden, omdat, toen hij de beenderen verbrandde van de afgodische priesters, hij de beenderen van de man Gods vromelijk beschermde, 2 Koningen 23:18. Ook de beenderen van de priesters en profeten werden opgegraven en uitgestrooid. Sommigen denken aan de valse profeten en de priesters van de afgoden, alsof God dit teken van de schande hun indrukte, maar als het Gods profeten en Zijn priesters waren, dan is dat, wat de Psalmist bedoelt als hij klaagt over de vrucht van de gewelddadigheid van de vijand, Psalm 79:1, 2. Ja, de kwaadaardige Chaldeën, die de graven van vorsten en priesters niet konden bereiken om die te schenden, wilden liever tot kleingeestigheid de toevlucht nemen dan niet mee doen, en daarom sleurden zij de beenderen van de gewone inwoners van Jeruzalem uit hun graven. Barbaarse volken maakten zich soms schuldig aan zulke ongerijmde en onmenselijke triomfen over hun overwonnelingen, en God liet het hier toe, als een teken van Zijn misnoegen jegens het geslacht van Zijn gramschap, en tot verschrikking van de overlevenden. De beenderen, opgegraven uit hun graven, werden verachtelijk op de grond verstrooid, om de schande groter en langduriger te maken. Zij werden uitgespreid om te drogen, om ze in triomf rond te dragen of ze als brandstof te benutten, of voor een of ander bijgelovig doel te gebruiken. Zij zullen in de zon verspreid worden, ( want zij zullen zich niet schamen er op klaarlichte dag openlijk voor uit te komen), en in de maan en sterren, ja al het heir des hemels, waarvan zij afgoden gemaakt hebben, vers 2. Uit de vermelding van zon, maan en sterren, die de onverschillige toeschouwers zouden zich van dit treurspel, neemt de profeet aanleiding om te tonen hoe zij die vergood hadden, en hun de eer bewezen, die God alleen toekomt, opdat ze zouden zien, hoe weinig de aanbidding van het schepsel baat, want de schepselen, die zij aanbaden, zagen het als zij in `t ongeluk waren, maar gaven er niet om, en gaven hun geen verlichting, eer vonden zij het aangenaam, om beschimpt en gesmaad te zien hen, die hen beschimpt en vergood hadden. Zie hoe zij hun afgoden de eer hebben vermeerderd, om te tonen hoe wij ons moeten gedragen jegens onze God.
1. Zij hadden hen lief. Als beminlijke wezens en onbekrompen weldoeners achtten zij hen en verheugden zich in hen en daarom deden zij al wat volgt.
2. Zij dienden hen, deden al wat zij konden ter ere van hen, en vonden niets te veel, zij hielden zich aan al de wetten van het bijgeloof, zonder tegenspraak. 3. Zij wandelden hen achterna, streefden hen na te volgen en hun te gelijken, naar de eigenschappen, die van hen overgeleverd waren, die oorzaak en aanmoediging waren van veel gruwelijke goddeloosheid onder de heidenen.
4. Zij zochten, raadpleegden hen als orakels, beriepen zich op hen als rechters, smeekten hun gunst af, en baden tot hen als hun weldoeners.
5. Zij aanbaden hen en gaven hun goddelijke eer, als hebbende absolute heerschappij over hen. In `t licht van deze hemellichamen, die zij geëerd hadden, zullen hun dode lichamen geworpen worden, en daar gelaten, om te vergaan, en als mest te zijn op het gelaat des aardrijks, en als de zon op hen schijnt, zullen ze walgelijker en weerzinwekkender zijn. Al wat wij tot een god maken buiten de enige ware God, zal ons geen baat geven aan de andere kant van het graf, voor het lichaam niet en nog veel minder voor de ziel.
II. De dood zal nu zijn, wat hij nooit geweest is-de keus van de levenden, niet omdat er iets aangenaams aan is, integendeel, nooit nog vertoonde de dood zich in afschuwelijker, schrikwekkender gedaante dan nu, dat zij zich niet kunnen vleien met een zachte dood en een menselijke begrafenis, en toch zal ieder ding in deze wereld zo ondraaglijk worden, dat men de dood zal kiezen boven het leven, vers 3, niet in de hoop op en het geloof aan gelukzaligheid in een ander leven, maar in de uiterste wanhoop aan enig geluk in dit leven. Het volk is nu geslonken tot een familie, zo klein is het overblijfsel van die er overgelaten zijn, en het is een boze familie, nog even slecht als altijd, hun hart is niet vernederd en hun lusten zijn niet bedwongen. Dezen blijven in leven (en dat is alles) in de vele plaatsen, vanwaar zij verdreven werden door de oordelen Gods, sommigen gevangen in het land hunner vijanden, anderen als bedelaars in de omliggende landen, weer anderen voortvluchtig en zwervend daar en in hun eigen land. En, schoon zij, die stierven, een ellendige dood stierven, zo leven toch de overblijvenden, aldus uitgedreven, nog ellendiger, zodat zij de dood boven het leven zouden kiezen, en duizend maal wensen, dat zij gevallen waren met hen, die door het zwaard vielen. Laat dit ons genezen van een onmatige liefde tot het leven, dat het kan gebeuren dat het ons een last en een schrik wordt, en wij in grote verzoeking kunnen komen, om verschrikking en dood voorkeur te geven.