Ezechiël 6:11-14
De bedreigingen, die wij tevoren vonden, in het voorgaande en in het eerste deel van dit hoofdstuk, worden hier herhaald, met bevel aan de profeet ze te bewenen, opdat zij, tot wie hij profeteerde, te meer mochten worden aangedaan met het vooruitzicht daarop.
I. Hij moet door gebaren bij zijn prediking laten zien, hoe diep hij getroffen is door de ongerechtigheden en de rampen van het huis van Israël, vers 11. Sla met uw hand en stamp met uw voet. Zo moet hij tonen, dat hij in volle ernst is bij alles wat hij zegt, dat hij het vast gelooft, en het ter harte neemt. Aldus moet hij het begrijpelijk misnoegen uitdrukken, dat hun zonde bij hen had opgewekt, en de begrijpelijke vrees, die hij koestert voor de oordelen, die over hen staan te komen. Sommigen zouden het gebruik van deze gebaren verkeerd vinden, en ze ouderwets en bespottelijk noemen, maar God gebiedt hen ze te gebruiken, omdat zij konden helpen het Woord indruk op hen te doen maken en hun in te prenten en zij, die weten wat de waarde van een ziel is, zullen er genoegen mee nemen uitgelachen te worden door spotters, als ze slechts de zwakken kunnen, stichten. Twee dingen moet de profeet aldus bewenen:
1. Nationale zonden. Ach! over alle gruwelen van de boosheden van het huis Israëls. De zonde van de zondaars is de smart van Gods getrouwe knechten, in `t bijzonder de gruwelen van de boosheden van het huis Israëls, welks zonden gruwelijker zijn en meer boosheden bevatten dan de zonden van anderen. Helaas! Wat zal het einde zijn van deze dingen?
2. Nationale oordelen. Om hen voor deze gruwelen te straffen, zullen zij vallen door het zwaard, door de honger en door de pestilentie. Het is onze plicht smart te gevoelen niet alleen over onze eigen zonden en ons eigen lijden maar ook over de zonden en het lijden van anderen, en met medegevoel te zien op de ellende, die de goddelozen over zichzelf brengen, zoals Christus Jeruzalem zag en er over weende.
II. Hij moet hun inprenten, wat hij vroeger had gezegd betreffende de verwoesting, die over hen komen zou.
1. Zij zullen neergeworpen en vernietigd worden door een opeenvolging van oordelen, die hen zullen opzoeken, waar ze ook zijn mogen, vers 12 :Die verre af is, en denkt, dat hij buiten gevaar is, dat is, buiten het bereik van de Chaldeeuwse pijlen, zal ondervinden dat hij niet buiten het bereik van Gods pijlen is, die nacht en dag vliegen, Psalm 91:5 :"Hij zal door de pest sterven. Die nabij een sterke plaats is, die hem veiligheid verschaffen zal, zoals hij hoopt, zal door het zwaard vallen voordat hij wegkomen kan. Die zo voorzichtig is, zich niet buiten te wagen, maar in de stad overgebleven is, zal daar door honger sterven de ergste dood van alle". Alzo zal God Zijn grimmigheid volbrengen, dat is, tegen hen al datgene doen, wat Hij besloten had te doen.
2. Hun zonde zullen zij herkennen aan hun straf, want hun verslagenen zullen voor het aangezicht van hun drekgoden liggen, rondom hun altaren, zoals tevoren gedreigd wordt, vers 5-7. Daar, waar zij zich ter ere van hun afgoden hadden neergeworpen, zal God hen doden, tot hun eigen smaad en tot smaad van hun afgoden. Zij leefden voor hun aangezicht, zij zullen er voor sterven. Zij hadden hun afgoden liefelijken reuk gegeven, maar daar zullen hun dode lichamen een ergerlijken reuk afgeven, als het ware om die misplaatste reuk te vergoeden. 3. Het hele land zal woest zijn, als tevoren de steden, vers 6 :Ik zal het land woest maken. Dat vruchtbare, aangename, volkrijke land, dat als de hof des Heeren is geweest, de heerlijkheid van alle landen, zal woest zijn, woester dan de woestijn naar Diblath henen, vers 14. Diblathaim wordt zij genoemd, Numeri 33, 46, Jeremia 48:22, "die grote en vreselijke woestijn, die beschreven wordt in Deuteronomium 8:15, waar vurige slangen en schorpioenen waren". Het land Kanaän is op deze dag een van de meest naakte en woeste landen ter wereld. Stad en land worden zo ontvolkt, opdat de altaren woest en eenzaam zullen zijn, vers 6. Liever zullen beide stad en land verwoest worden, dan dat hun afgodische altaren overeind blijven. De strekking van de zonde is verwoesting, daarom, zijt beroerd en zondigt niet.