Ezechiël 6:8-10
Tot hiertoe had het oordeel getriomfeerd maar in deze verzen "roemt de barmhartigheid tegen het oordeel". Een droef einde wordt aan dit hemeltergende volk gemaakt, maar geen voleindiging. Het verderf schijnt algemeen te zijn, en toch zal Ik nog een overblijfsel laten, een klein overblijfsel, onderscheiden van de massa van het volk, weinigen van velen, dezulken, die overgelaten worden, als de anderen omkomen, en het is God, die ze overlaat. Dit betekent dat zij verdienden afgesneden te worden met de overigen, en ook afgesneden zouden zijn als God ze niet in `t leven gelaten had. Zie Jesaja 1:9. En God is het, die door Zijn genade datgene in hen werkt, die Hij op het oog heeft om hen te sparen.
I. Het is een gespaard overblijfsel, gered uit de ondergang, waarin het heere volk meegesleept wordt, vers 8 :Als gij enigen zult hebben, die het zwaard ontkomen. God zei, Hoofdstuk 5:12, dat Hij het zwaard zou uittrekken achter hen, die verstrooid waren, tot de verwoesting hen in hun verstrooiing zou achtervolgen, maar hier gedenkt Hij Zijn barmhartigheid te midden van Zijn toorn, en belooft, dat sommigen van de Joden van de verstrooiing, zoals zij later genoemd worden, het zwaard zullen ontkomen. Niemand van degenen, die bij Jeruzalem door het zwaard moeten vallen, zal ontkomen, want zij vertrouwen voor hun veiligheid op de muren van Jeruzalem, en zullen beschaamd gemaakt worden om dat ijdele vertrouwen. Maar sommigen van hen zullen het zwaard ontkomen onder de heidenen, waar zij, van allen anderen steun beroofd, op God alleen steunen kunnen. Er staat: Gij zult enigen hebben, die ontkomen, want zij zullen het zaad zijn van een ander geslacht, waaruit Jeruzalem opnieuw opbloeien zal.
II. Het is een berouwvol overblijfsel, vers 9 :Uw ontkomenen zullen Mij gedenken. Die God voor het leven bestemd heeft, zal Hij ook bekering ten leven geven. Zij krijgen uitstel en ontkomen het zwaard, opdat zij tijd mogen hebben zich tot God te bekeren. Gods geduld geeft beide, tijd tot bekering en aanmoediging aan zondaars tot berouw. Wanneer God genade geeft tot bekering, dan geeft Hij ook tijd tot bekering, toch ontbreekt aan velen, die de tijd hebben, de genade, velen, die het zwaard ontkomen, verzaken de zonde niet, zoals beloofd wordt, dat deze doen zullen. Dit overblijfsel, dat hier bestemd wordt om behouden te blijven, is een type van het overblijfsel, dat uit de mensheid behouden zal worden, om gedenkteken van genade te zijn, en zij worden op dezelfde wijze verlost als deze hier, doordat zij tot berouw gebracht worden. Hier kan onderscheiden worden.
1. De aanleiding tot hun bekering, en die is een mengsel van oordeel en genade-van oordeel, dat zij gevankelijk weggevoerd worden, maar van genade, dat zij het zwaard ontkomen in het land van hun gevangenschap. Zij werden verdreven uit hun eigen land, maar niet uit het land van de levenden, niet van de wereld verjaagd, zoals anderen overkwam, en zoals zij zelf verdienden. De overweging van de rechtvaardige toorn van de Voorzienigheid, waaronder wij liggen, en ook van de barmhartigheid, die er in gemengd is, moet ons nopen tot berouw, opdat wij in beide aan Gods bedoeling mogen beantwoorden. En waar berouw zal door God aangenomen worden, hoewel wij er door onze ellende toe gebracht worden, ja, geheiligde beproevingen blijken dikwijls het middel tot bekering, zoals bij Manasse.
2. De wortel en het beginsel van hun bekering. "Zij zullen Mij gedenken onder de heidenen. Hoewel zij God vergaten in het land van hun vrede en voorspoed, en vet werden en achteruit sloegen, deed Hij hen aan Hem gedenken in het land hunner gevangenschap". De verloren zoon dacht niet aan zijns vaders huis, voordat hij op `t punt was in het verre land van honger om te komen. Dat zij aan God dachten was de eerste stap, die zij deden om tot Hem terug te keren. Als zondaars beginnen te denken aan Hem, tegen Wien zij gezondigd hebben, en te vragen: "Waar is God, mijn Maker? dan begint er enige hoop te komen. De zonde begint met God te vergeten" Jeremia 3:21. De bekering begint met de herinnering aan Hem en aan onze verplichtingen jegens Hem. "God zegt: Zij zullen Mijner gedenken, dat is Ik zal hun genade geven om dat te doen, want anders zouden zij Hem voor altijd vergeten". Die genade zal hen vinden, waar zij ook zijn, en door God in hun gedachte te brengen, zal zij hen in `t rechte spoor brengen. "Toen de verloren zoon aan zijn vader dacht. herinnerde hij zich dat hij tegen de hemel had gezondigd en voor hem, zo zal het ook met deze gaan."
a. Zij herinneren zich de minachtende belediging, die zij God hadden aangedaan door hun afgoderij, en dat is het waardoor een oprechte getroffen wordt en dat bitter beweent. "Zij hadden zich van God afgekeerd tot de afgoden en Zijn eer aan zogenaamde goden gegeven, de schepselen van de menselijke verbeelding en het werk van mensenhanden, ofschoon zij die hadden moeten geven aan de God van Israël". Zij weken van God af, en van Zijn Woord, dat zij tot hun leefregel hadden moeten maken, en van Zijn werk, dat zij tot het hun hadden moeten maken. Hun hart week van Hem af. Het hart, dat Hij opeist en hebben wil, en zonder `t welk de lichamelijke oefening tot weinig nut is, het hart, dat op Hem gesteld en aan Hem gegeven moet worden, als dat van Hem afwijkt, dan is zulks het trouweloos weglopen van een vrouw van haar man of de rebellie en opstand van een onderdaan tegen zijn souverein. Ook hun ogen hoereren hun drekgoden na, zij waren er op verzot, en verwachtten grote dingen van hen. Hun hart volgde hun ogen bij de keus van hun goden (zij moesten goden hebben, die zij zien konden) en dan volgden hun ogen hun hart bij de aanbidding er van. De boosheid van deze zonde is, dat het geestelijke hoererij is, het is hun hoerachtig hart, waardoor Ik verbroken ben, en het zijn hun ogen, die hun drekgoden nahoereren. Afgoderij is geestelijke hoererij, het is de verbreking van een huwelijksverbond met God, het is het plaatsen van hun genegenheid op hetgeen een mededinger van Hem is, en het toegeven aan lage lust, die de ziel bedriegt en verontreinigt en het is een groot onrecht, Gods eer aangedaan.
b. Zij zijn indachtig, welk een ergernis het voor Hem was en hoe groot Zijn verbolgenheid was. Zij zullen gedenken, "dat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart en door hun ogen", die vol van deze geestelijke hoererij zijn, niet alleen vertoornd, maar gekrenkt, als een man door de wulpsheid van een vrouw, die hij hartelijk liefhad, gekrenkt in zo'n mate, dat hij er door gebroken is, zijn hart breekt, als hij er aan denkt, dat hij zo onoprecht behandeld is, hij is gebroken als een bejaard vader door het plichtverzakende gedrag van een wederspannigen en ongehoorzamer zoon, dat hem allen moed beneemt en zijn rug buigt. "Veertig jaar heb Ik verdriet gehad van dit geslacht", Psalm. 95:10. "Gods maatregelen waren verbroken" (zo lezen sommigen), de stroom van Zijn gunsten voor hen was gestremd en Hij was zelfs gedwongen hen te straffen. Dat zullen zij gedenken ten dage van hun berouw, en het zal hen meer treffen en vernederen dan iets anders, niet zozeer dat hun vrede gebroken was, en hun land als dat "God verbroken was door hun zonde". "Zo zullen zij aanschouwen die zij doorstoken hebben en rouwklagen," Zacheria 12:10. Niets smart een die waarachtig berouw heeft meer dan de gedachte dat zijn zonde God en de Geest van Zijn genade bedroefd heeft.
3. Het gevolg en het bewijs van hun bekering: "Zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben." God zal hun zo genade geven om hen bekwaam te maken voor vergeving en verlossing. Hoewel "Hij verbroken was door hun hoerachtig hart, toch wilde Hij hen niet ganselijk wegwerpen". Zie Jesaja 57:17, 18, Hosea 2:13, 14. Zijn goedheid neemt aanleiding uit hun slechtheid om te luisterrijker te schitteren. a. Die waarachtig berouw hebben, zien, dat de zonde iets gruwelijks is, "de gruwel, die Hij haat, en die de zondaars en zelfs hun verering, hatelijk voor Hem maakt," Jeremia 44:4, Jesaja 1:11. Het verontreinigt het geweten van de zondaar zelf, en maakt hem tot een gruwel voor zich zelf, tenzij hij ongevoelig is. Een afgod wordt in `t bijzonder een gruwel genoemd, Jesaja 44:19. Waar het hart van de zondaars op gesteld is als de bevrediging van hun genotzucht, daar ziet het hart van de bekeerden op neer als verfoeisels
b. Er zijn vele "boosheden gedaan in deze gruwelen," er zijn vele in besloten, vele mee gepaard, en er uit voortgevloeid, vele overtredingen in een zonde, Leviticus 16:21. In hun afgoderij waren zij soms schuldig aan hoererij (zoals in de dienst van Peor) soms aan doodslag (als in de dienst van Moloch), dat waren "boosheden, in hun gruwelen gedaan." Of het betekent de grote boosheid, die er in de zonde is, het is een gruwel die overvloed van boosheid in zich bevat.
c. Die in waarheid van de zonde walgen, kunnen niet anders dan van zich zelf walgen om de zonde, walging van zich zelf gaat steeds gepaard met waarachtig berouw. Die berouw hebben, twisten met zich zelf, en kunnen niet met zich zelf verzoend worden, doordat zij grond hebben om te hopen, dat God met hen verzoend is, ja, dan eerst zullen zij neervallen in hun schaamte als Hij jegens hen verzoend is hoofdst. 16:63.
4. De eer, die God ontvangen zal door hun bekering, vers 10 :Zij zullen weten, dat Ik de Heere ben, zij zullen er door de ondervinding van overtuigd worden, en zullen bereid zijn het te erkennen, en dat Ik niet tevergeefs gesproken heb van hun dit kwaad aan te doen, als zij bevinden, dat wat ik gezegd heb, waar gemaakt wordt, en hun ten goede komt, en beantwoordt aan een goede bedoeling, en dat het niet zonder nitterging was geschied, dat Hij hen zo gedreigd en gestraft had. Op de een of op de andere wijze zal God maken, dat de zondaars weten en erkennen, dat Hij de Heere is, door hun bekering of door hun verderf.
a. Allen, die waarachtig berouw hebben, worden tot de erkentenis gebracht beide van de billijkheid en de kracht van het Woord Gods, in `t bijzonder van de bedreigingen van het Woord, en tot rechtvaardiging van God daarin en in de voltrekking er van.