Ezechiël 24:1-14
Wij hebben hier
I. De mededeling, die God aan Ezechiël te Babel doet, dat Nebukadnezar het beleg slaat voor Jeruzalem, op dezelfde dag, dat het plaats vond, vers 2 :"Mensenkind, let er op, de koning van Babel, die met zijn leger uitgetrokken is, gij weet niet waarheen, legt zich voor Jeruzalem op deze zelfden dag." De afstand van Jeruzalem tot Babel bedroeg vele mijlen, verscheidene dagreizen. Misschien was het laatste bericht, dat zij ontvangen hadden, dat Rabba van de kinderen Ammons het doel was, en dat de veldtocht geopend zou worden met het beleg van die stad. Maar God wist en kon de profeet zeggen: "Op deze dag, om deze tijd, wordt Jeruzalem belegerd, en het Chaldeeuwse leger heeft zich er voor gelegerd". Evenals alle tijden, zo zijn ook alle plaatsen, zelfs de verst verwijderde bij God tegenwoordig en voor Zijn ogen. Hij laat de profeet het volk aanzeggen, dat, als het nauwkeurig waar bleek te zijn, wat zij binnen kort door officiële berichten zouden weten, het een bevestiging zou zijn van de zending van de profeet en zij konden er uit afleiden, dat, sinds hij gelijk had met dat bericht, hij ook gelijk had met zijn voorspellingen, want beide had hij aan zijn betrekking tot de Hemel te danken.
II. Het bevel, dat hij er aantekening van moet maken. Hij moet in een boek optekenen, dat in het negende jaar van Jojachims gevangenschap (want dat was het begin van Ezechiëls tijdrekening, Hoofdstuk 1:2, het was ook het negende jaar van Zedekia's regering, want hij begon te regeren, toen Jojachim weggevoerd werd), in de tiende maand, op de tiende van de maand, de koning van Babel het beleg sloeg voor Jeruzalem, en die datum stemt nauwkeurig overeen met de datum in de geschiedenis, 2 Koningen 25:1. Zie, hoe God aan Zijn knechten de profeten, vooral die dingen openbaart, die dienen om hun woord te bevestigen, en zodoende hun geloof te bevestigen. Het is goed om aantekening te houden van merkwaardige gebeurtenissen, hetgeen er soms toe bij kan dragen, dat Gods heerlijkheid daardoor te meer openbaar wordt en de profetieën van de Schrift te beter worden uitgelegd en bevestigd, Gode zijn alle Zijn werken bekend.
III. De boodschap, die hij Hem voor het volk geeft, waarvan de inhoud is, dat het beleg van Jeruzalem, dat nu begonnen is, onfeilbaar eindigen zal met de verwoesting ervan. Dat moet hij zeggen tot het weerspannig huis, tot diegenen van hen, die te Babel waren, opdat die het zouden mededelen aan degenen, die nog in hun eigen land waren. Een weerspannig huis zal spoedig een vervallen huis zijn.
1. Dit moet hij hun tonen door een teken want dat stompzinnige volk moest onderwezen worden als kinderen. De gelijkenis, hier gebruikt, is die van een kokenden pot. Dit doet denken aan Jeremia's visioen, vele jaren vroeger, toen hij voor `t eerst begon te profeteren, en was waarschijnlijk bedoeld als een herinnering daaraan, Jeremia 1:13 :"Ik zie een ziedenden pot welks voorkant tegen het noorden is," en de uitlegging daarvan, vers 15, geeft als de betekenis aan de belegering van Jeruzalem door volken uit het noorden, en evenals deze gelijkenis bedoeld is als een bevestiging van Jeremia's visioen, zo dient ze eveneens om het ijdel vertrouwen van de vorsten van Jeruzalem te beschamen die gezegd hadden, Hoofdstuk 9:3 : Deze stad is de pot en wij zijn het vlees, waarmee zij bedoelden: "Wij zijn hier zo veilig alsof wij door koperen muren omringd waren". "Goed", zegt God, "zo zal het zijn, gij zult in Jeruzalem gekookt worden, als het vlees in de pot, hij moet met water opgezet worden, vers 3, en met vlees van de keur van de kudde, vers 5 met alle goede stukken, vers 4, en de mergpijpen en gebruik de andere beenderen als brandstof opdat alle stukken gebruikt worden, of in de pot of er onder". Een vuur van beenderen, al brandt het langzaam (want het beleg zou lang duren), is toch een zeker en aanhoudend vuur, en dat was Gods gramschap tegen hen ook, en niet als het geluid van de doornen onder een pot wat wel een grote vlam, maar geen grote hitte geeft. Die uit alle delen van het land naar Jeruzalem vluchtten, ter wille van hun veiligheid, zouden jammerlijk teleurgesteld worden, als het beleg van de stad hun het vuur aan de schenen zou leggen, en toch was geen ontkomen mogelijk maar zij waren gedwongen er te blijven, zoals het vlees in een kokenden pot.
2. Hij moet hun een verklaring geven van dit teken. Het betekent: Wee van de bloedstad vers 6. En wederom, vers 9 :Wee van de bloedstad, de pot, laat haar inwoners daarin het vlees zijn. Laat ons hier zien
A. Welke weg God er mee inslaat. Gedurende het beleg is Jeruzalem als een pot, die boven het vuur kookt.
a. Er wordt voor gezorgd, dat het vuur onder de pot heet blijft, zo nauw is de stad ingesloten, en zo krachtig zijn de vele aanvallen, die de belegeraars op de stad doen, en bovenal betekent het de hitte van Gods toorn, die tegen hen branden blijft, vers 9 :Ik zal ook de brandstapel groot maken. De Chaldeën hebben als last, veel hout aan te dragen, en het vuur aan te steken, vers 10 om het de inwoners van Jeruzalem steeds benauwder te maken. Het vuur, dat God aansteekt tot het verteren van de onboetvaardige zondaars zal nooit minder worden, veel minder uitgaan, bij gebrek aan brandstof. "Het vuur en hout van zijn brandstapel is veel," Jesaja 30:33.
b. Eenmaal gekookt, wordt het vlees eruit genomen en aan de Chaldeën gegeven, om er een maaltijd van te houden. "Verteer het vlees, laat het lang koken, tot het uiteenvalt. Kruid het met specerijen, en maak het smakelijk voor hen, die het eten zullen". Laat de beenderen verbranden, hetzij die onder de pot (laat ze verteerd worden met de andere brandstof), of als sommigen denken, de beenderen in de pot laat alles zo hard koken, dat het vlees niet alleen gaar is, maar ook de beenderen zacht geworden zijn, laat al de inwoners van Jeruzalem door de pestilentie, het zwaard en de honger tot de grootste ellende gebracht worden. Vervolgens, vers 6. Trek stuk bij stuk daaruit, laat iedereen in `s vijands hand vallen, `t zij om over de kling gejaagd, of gevangen genomen te worden. Laat ze een lichte prooi zijn, en laat de Chaldeën zo begerig op hen aanvallen, als een hongerige op een goeden schotel vlees, die hem voorgezet wordt. "Laat het lot over hem niet vallen, ieder stuk in de pot zal er uitgehaald worden en verslonden, en daarom bestaat er geen reden, om het lot te werpen, welk stak er eerst uitgehaald zal worden". Het was een zeer strenge militaire strafoefening, toen David Moab mat "met twee snoeren om te doden. en met een vol snoer om in het leven te laten," 2 Samuël 8:2. Maar hier wordt geen barmhartig snoer of lot gebruikt, alles gaat dezelfde weg op, en die gaat ten verderve.
c. Als al het vlees verkookt is dan wordt de pot leeg op de kolen gezet, om ook te verbranden, wat betekent, het verbranden van de stad, vers 11. De roest van het metaal en het schuim van het vlees hebben zich zo vastgehecht aan de pot, dat hij niet schoongemaakt kan worden door wassen en schuren en daarom moet het door vuur gedaan worden zo moet het vuil uitgebrand, of liever versmolten worden en verbrand. De adders en hun nest moeten tezamen verteerd worden. B. Wat de reden is, dat God met haar twist. Hij zou deze strenge maatregelen tegen Jeruzalem niet nemen, als Hij niet getergd was zij verdient het, aldus behandeld te worden want,
a. Het is een bloedstad, vers 7, 8 Haar bloed is in het midden van haar. Veel wrede moorden zijn tot in het hart van de stad gepleegd, ja, en zij hebben liefde tot wreedheid in hun hart, inwendig verheugen zij zich, als zij bloed vergieten kunnen, en aldus is het in het midden van haar. Ja, zij plegen hun moorden op klaarlichte dag, en komen er openlijk en onbeschaamd voor uit, ten spijt van de rechtvaardigheid beide van God en mensen. Zij heeft het bloed, dat zij vergoot, niet op de aarde uitgestort, om het met stof te bedekken, als beschaamd over de zonde en bevreesd voor straf. Zij zag er niet op neer als op iets onreine dat verborgen moest worden, Deuteronomium 23:13, veel minder als op iets gevaarlijks. Neen, zij stortte het onschuldig bloed, dat zij vergoot, op een rots, waar het niet kon wegzakken, boven op een steenrots, zichtbaar voor God en ten spijs van Zijn wraak. Zij vergoten onschuldig bloed onder de schijn van recht, zodat zij er in roemden alsof zij God en het land er een gewichtiger dienst mee bewezen, en zo legden, zij het, als het ware boven op een steenrots. Of het heeft betrekking op het offeren van hun kinderen op hun hoogten, misschien boven op een steenrots. Daardoor deden zij de grimmigheid opgaan om wrake te oefenen, vers 8. Het is onvermijdelijk, God moest in Zijn toorn over die dingen bezoeking doen, zou Mijn ziele zich niet wreken aan zo'n volk als dit is? Als zulke onbeschaamde doodslagen, als deze, die zelfs de goddelijke wraak uittartten, ongestraft bleven dan zou men zeggen, dat God het land verlaten had. Het is absoluut noodzakelijk, dat een bloedstad als deze, bloed te drinken gegeven wordt want zij is het waard, tot handhaving van de eer van de goddelijke rechtvaardigheid. En daar de misdaad wijd en zijd bekend is, is het gepast, dat de straf eveneens in het openbaar plaats vindt: "Ik heb haar bloed bovenop een steenrots gelegd." Aan Jeruzalem moest een voorbeeld gesteld worden, en daarom werd het tot een schouwspel gemaakt voor de wereld, God handelde met haar naar de wet van de wedervergelding. Het is billijk, dat zij, die in `t openbaar zondigen "in tegenwoordigheid van allen bestraft worden" en dat geen rekening gehouden wordt met de naam van hen, die zo onbeschaamd waren, het verbergen van hun zonde niet te verlangen, door het verbergen van hun straf.
b. Het is een onreine stad. In de verklaring van deze gelijkenis wordt veel aandacht geschonken aan het schuim van de pot, waarmee de zonde van Jeruzalem bedoeld wordt, die bovendrijft, en zich vertoont als de oordelen Gods reeds gekomen zijn. Het is de pot welks schuim in hem is en van welke zijn schuim niet is uitgegaan, vers 6. Haar overvloedig schuim, dat van haar niet is uitgegaan, vers 12, dat aan de pot bleef, toen alles opgekookt en gesmolten was, vers 11, een deel er van loopt over in het vuur, vers 12, doet het opvlammen en te feller branden, maar alles zal tenslotte verteerd worden, vers 11, Toen de hand Gods tegen hen uitgestrekt was, vernederden zij er zich niet onder, om zich te bekeren en te verbeteren, en namen de straf voor hun ongerechtigheid niet aan, maar werden onbeschaamder en losbandiger in de zonde, twistten met God, vervolgden Zijn profeten, waren verbitterd tegen elkaar, haatten de Chaldeën met een dodelijken haat, gromden tegen de stenen, beten op hun ketting, en deden als een wilde stier in een net. Dat was hun schuim, "in hun ellende maakten zij des overtredens tegen de Here nog meer, zoals koning Achaz", 2 Kronieken 28:22. Er is weinig hoop voor degenen, die erger gemaakt worden door wat hen beter maken moest, wier gebreken geprikkeld en getergd worden door de bestraffing beide van het Woord en de leiding Gods, die bestemd waren om hen klein en nederig te maken, of voor hen, wier schuim eens boven dreef in hun overtuiging van zonde en hun belijdenis daarvan, alsof het door verbetering afgeschept zou worden, maar later weer zakte in de afval van hun goed begin, en als het hart, dat zacht scheen te worden, opnieuw verhard werd. Zo was het met Jeruzalem: "Met leugens heeft zij God moede gemaakt", zij heeft God moede gemaakt met voornemens en beloften van verbetering, die zij nooit vervuld heeft, ook heeft zij zich moe gemaakt met vleselijk vertrouwen, dat haar bedrogen heeft, vers 12. Die ijdele leugens navolgen, maken zich zelf moe. Nu volgt haar vonnis. Omdat haar goddeloosheid ongeneselijk is, wordt zij aan `t verderf overgegeven, onherroepelijk.
Ten eerste Allerlei middelen waren tot haar verbetering beproefd, maar tevergeefs, vers 13 :In uw onreinheid is schandelijkheid, gij zijt er verhard en onbeschaamd in geworden, het is u een gewoonte geworden, wat bevestigd wordt door veelvuldige daden. In uw onreinheid is een ingewortelde schandelijkheid, dat blijkt want Ik heb u gereinigd en gij zijt niet gereinigd. Ik heb u medicijnen gegeven, maar zij hebben u niet geholpen. Ik heb middelen aangevoerd om u te reinigen, maar zonder resultaat, het doel is er niet mee bereikt. Het is treurig te moeten denken hoevelen er zijn, aan wie Gods geboden en leidingen verspild zijn.
Ten tweede Daarom wordt besloten, dat er geen pogingen meer gedaan zullen worden: "Gij zult van uw onreinigheid niet meer gereinigd worden." Het vuur zal niet meer een louterend vuur, maar een verterend vuur zijn, en daarom zal het niet getemperd en verkort worden, als voorheen, maar zal blijven branden ten einde toe, totdat het zijn vernielend werk gedaan heeft. Die niet genezen willen, worden met recht opgegeven, en hun geval onder de hopeloze opgenomen. Eens zal er een dag komen, dat er gezegd zal worden: "Die vuil is, dat hij nog vuil worde".
Ten derde. Er blijft niets over dan hen volkomen te verderven: "Ik zal Mijn grimmigheid op u doen rusten". Dit is hetzelfde, wat van de latere Joden gezegd wordt, "dat de toorn over hen gekomen is tot het einde," I Thessalonicenzen 2:16. Zij verdienen het: Naar uw handelingen zullen zij u richten, vers 14. En dat zal God doen. Het vonnis wordt door herhaalde betuigingen bekrachtigd, opdat zij opgewekt mochten worden om te zien hoe zeker hun verderf was: "Ik de Here heb het gesproken, die in staat ben te doen, wat Ik gesproken heb, het zal komen, niets zal het verhinderen, want Ik zal het doen, Ik zal er niet van wijken, al zoudt gij bidden en smeken, het besluit is uitgevaardigd, en Ik zal niet verschonen uit medelijden met hen, noch berouw hebben". Hij zal noch van plan, noch van weg veranderen. Hierdoor werd de profeet verboden voor hen tussenbeide te komen, hun werd verhinderd zich te vleien met de hoop op ontkoming. God heeft het gezegd en Hij zal het doen. De besluiten van Gods toorn tegen de zondaars zijn even onschendbaar als de verzekeringen van gunst, die Hij Zijn volk gegeven heeft, en inderdaad treurig staat het geval van dezulken, die het zo gemaakt hebben, dat God vals moet zijn, of dat zij verdoemd worden.