Ezechiël 17:22-24
Toen de koninklijke familie van Juda door de verbanning van Jehojakim en Zedekia ondergegaan was, zo mag gevraagd worden, wat was er nu geworden van het verbond met David, "dat hij en zijn kinderen op de troon des koninkrijks zouden zitten tot in eeuwigheid?" "Zijn de gewisse weldadigheden Davids ongewis geworden?" Om deze tegenwerpingen tot zwijgen te brengen, is het genoeg, te antwoorden, dat de belofte voorwaardelijk was. "Indien zij mijn verbond houden, zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten," Psalm 132:12. Maar Davids nakomelingschap heeft het verbond verbroken en daardoor de belofte verbeurd. Toch zou het ongeloof des mensen Gods belofte niet krachteloos maken. Hij zou een ander zaad Davids stellen en daarin zijn belofte verwezenlijken en dat wordt in deze verzen toegezegd.
I. het huis van David zal weer grootgemaakt worden, en uit zijn as zal een andere phoenix verrijzen. De gelijkenis van een boom, waarvan gebruik was gemaakt als bedreiging, wordt hier weer gebezigd voor de belofte, vers 22, 23.
1. De belofte werd reeds gedeeltelijk vervuld, toen Zerubbabel, een tak van het huis Davids, verheven werd tot een hoofd van de Joden bij hun terugkeer uit de ballingschap, om de stad en de tempel te herbouwen en kerk en staat te herstellen. Maar de volle vervulling zou ze hebben in het koninkrijk van de Messias, "die een wortel was uit een dorre aarde, en Wien God, naar de belofte, de troon van Zijn vader David geven zou," Lukas 1:32. God zelf neemt op Zich, het huis Davids te doen herleven en te herstellen. Nebukadnezar was de grote arend geweest, die het herstel van Davids huis had beproefd in afhankelijkheid van hem, vers 5. Maar de poging was mislukt, zijn planting verdorde en werd uitgeroeid. "Wel", zegt God, "de volgende poging zal van Mij uitgaan: Ik zal ook van de bovenste tak van de hoge ceder een stekje nemen, dat Ik inzetten zal." Zie, gelijk mensen hun plannen hebben, zo heeft God de Zijne, maar de Zijne zullen voorspoedig zijn, terwijl geen mislukken. Nebukadnezar verhovaardigde zich, dat hij koninkrijken stichtte naar Zijn welgevallen, Daniël 5:19. Maar die koninkrijken hadden een spoedig einde, terwijl "de God des hemels een koninkrijk zou verwekken, dat in der eeuwigheid niet zou verstoord worden," Daniël 2:44.
2. Het huis Davids herleeft in "een tere tak van het bovenste van zijn jonge takjen." Dat was Zerubbabel, wat hem hoop gaf was de dag van de kleine dingen, Zacheria 4:10, toch werden voor hem grote bergen vlak gemaakt. Onze Heere Jezus was de bovenste tak van de hoge ceder, het verst verwijderd (want spoedig na Zijn verschijning werd het huis Davids afgesneden en uitgeroeid), maar het naast bij de Hemel, want Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Hij werd genomen van de bovenste van zijn jonge takjen, "want Hij is de man, de scheut, de tedere plant, en een wortel uit de dorre aarde, Jesaja 53:2, maar een spruit van de gerechtigheid, de planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde."
3. Deze tak wordt geplant op een hoge en verheven berg, vers 22, Op de berg van de hoogte van Israël, vers 23. Daarheen heeft Hij Zerubbabel gebracht in triomf, daar verwekte Hij Zijn Zoon Jezus, zond Hem om de verlorene schapen van het huis Israëls te vergaderen, zalfde Hem tot koning over Zion, de berg van Zijn heiligheid, zond het Evangelie uit van de berg Zion, het Woord des Heeren van Jeruzalem, daar op de hoogte van Israël, een volk, waarop zijn naburen het oog gericht hadden als uitstekend en verheven, werd de Christelijke kerk het eerst geplant. De kerken in Judea waren de meest oorspronkelijke kerken. De ongelovige Joden deden wat zij konden om die planting te verhinderen, maar wie kan uitroeien wat God heeft geplant?
4. Van daar verspreidt ze zich ver en wijd. De Joodse staat, of schoon die onder Zerubbabel zeer nederig begon, was als een tere tak die gemakkelijk kon afgesneden worden. Maar die schoot wortel breidde zich wonderbaarlijk uit en werd na enige tijd zeer aanzienlijk, uit andere volken kwamen "vogels van allerlei pluimage en nestelden in zijn takken". De Christelijke kerk was eerst als een mosterdzaad, maar werd, als deze tere tak, een grote boom door zijn toename ieders bewondering wekkend. Toen de heidenen de kerk kwamen binnenstromen, toen kwamen "de vogels van allerlei pluimage (zelfs roofvogels, als wolf en lam samen weidende, Jesaja 11:6) en nestelden in zijn takken," Daniël 4:21.
II. God zelf zal hierin verheerlijkt worden, vers 29. De oprichting van het koninkrijk van de Messias in de wereld zal de kinderen van de mensen duidelijker dan ooit tonen, dat God de koning is van de gehele aarde, Psalm 47:3. Nooit is er krachtiger bewijs van deze waarheid geleverd, dat alle dingen door een wijze en almachtige Voorzienigheid geregeerd worden, dan in de verhoging van Christus en de vestiging van Zijn koninkrijk onder de mensen. Daardoor bleek, dat God alle harten in Zijn hand heeft en souverein over alle dingen beschikt. Alle bomen des velds zullen weten,
1. Dat de boom, die God wil vernederen en verdrogen, vernederd en verdroogd zal worden, hoe hoog en statig, hoe fris en groen hij ook moge zijn. Geen eer of welvaart, geen uiterlijke voorspoed of innerlijke waardij, is een waarborg tegen Gods vernederende werking.
2. Dat de bomen, die God wil verheffen en doen bloeien, verheven worden en bloeien zullen, al zijn ze nog zo laag en dor. Het huis van Nebukadnezar, dat nu op het toppunt van macht en aanzien stond, zou uitgeroeid worden, en het huis van David, dat nu zo'n pover figuur maakte, zou groot worden, en de Joodse natie, nu veracht, belangrijk. Het koninkrijk van Satan, dat zo lang en zo breed geheerst heeft zal verbroken worden., en Christus' koninkrijk met verachting aangezien, zal bevestigd worden tot in eeuwigheid. De Joden, die door God als Zijn volk rijk begenadigd waren, zouden verworpen worden, en de heidenep, lage en dorre bomen, zouden in hun plaats worden aangenomen, Jesaja 54:1. Al de vijanden van Christus zullen vernederd en een voetbank van Zijn voeten gemaakt, maar Zijn macht bevestigd en uitgebreid worden: "Ik, de Heere, heb het gesproken (het is het besluit, het geopenbaarde besluit, dat Christus moet verhoogd, ten uiterste hoeksteen worden, en Ik heb het gedaan, dit is, Ik zal het op Mijn tijd doen, even zeker als ware het reeds volbracht". Bij mensen zijn zeggen en doen twee, niet alzo bij God. Wat Hij heeft gesproken zal Hij, daarvan kunnen wij zeker zijn, ook doen, geen tittel of jota ervan zal op de aarde vallen, "want Hij is geen mens, dat Hij liegen, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou". En dat geldt zowel Zijn bedreigingen als Zijn beloften.