21. Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, waarvan hij reeds met het afkeren van zijne gerechtigheid een begin heeft gemaakt, en hij niet zondigt, niet voortgaat op den verkeerden weg, maar tot den waren weg terugkeert, hij zal zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is, en de bedoeling, met welke Ik u tot een wachter gesteld heb (
vers 17) aan zijn hart is bereikt; en gij hebt hier op ene veel zaliger wijze dan in het geval van
vers 19 uwe ziel bevrijd 1).
1) Wanneer de Profeet zijnen plicht verzuimt, komt dat den goddeloze niet ten goede, hij sterft om zijne misdaad, hij heeft toch Mozes. Waar de openbare leraars hun plicht niet doen, daar is toch de Heilige Schrift aanwezig en het is een ieders eigen schuld, wanneer hij zich door die stem niet tot bekering laat leiden. Maar aan den ontrouwen dienaar Gods wordt in zulk een geval de bedreiging vervuld, volgens welke God van hem, die bloed vergiet, de ziel des mensen wil vorderen; want het woord: "wie bloed vergiet, " heeft niet slechts betrekking op den gewonen moordenaar, het geldt al degenen, die op enige wijze door daad of nalatigheid tegen het leven des naasten handelen, het geldt in `t bijzonder hen, die niet getrouw zijn in het ambt, dat tot leven en zaligheid moet leiden.
Gij zult verantwoordelijk zijn voor den dood des zondaars, wanneer gij niet hebt gewaarschuwd, gelijk iemand, die zijn naaste in doodsgevaar ziet verkeren en hem niet waarschuwt, mede schuld heeft aan zijnen dood en voor zijne nalatigheid in zo gewichtig ene zaak geoordeeld en gestraft wordt.
Het zijn voor God nog lang niet zulke erge moordenaars, die door beulshanden moeten sterren, als vele zeer gemoedelijke, zeer beschaafde mensen zijn, die op hun ambt als op een goed inkomen nederliggen, maar door hun voorbeeld, of doordat zij slechts stomme honden zijn, de zielen in de hel laten verderven. Wanneer een leraar niet met allen ernst de zaligheid zijner toehoorders zoekt, is dit een zeker teken, dat hij voor zijne eigene zaligheid niet waarlijk bekommerd is, want waar het ene is, kan het andere niet uitblijven. 0
22.
B. Nu begint het eerste gedeelte der voorzeggingen van Ezechiël, die doorgaans op de verwoesting van Jeruzalem zien en van Hoofdstuk 3:22-24 :27 loopt, Even als in Hoofdstuk 1:1 nauwkeurig de tijd werd aangegeven, op welken de Profeet de openbaring van God had, welke hem tot zijn ambt riep, zo worden ook vervolgens de tijdpunten, op welke de opdracht Gods tot hem komt nauwkeurig aangegeven na het jaar sedert de wegvoering van den koning Jojachin en volgens dag en maand van het jaar (Hoofdstuk 8:1; 20:1; 24:1 En daar nu voor Hoofdstuk 1-7 het vijfde, voor 8-19 het zesde, voor 20-23 het zevende, en voor Hoofdstuk 24 het negende jaar sedert die wegvoering is aangegeven, zo blijkt, dat de voorzeggingen juist volgens tijdorde zijn gerangschikt. Het beeld der Profetische werkzaamheid stelt zich alzo bij Ezechiël voor als in een door hem zelven voortgezet profetisch dagboek, en dat heeft Zijne deugdelijke reden: "daar de werkzaamheid der Profeten voornamelijk ene geestelijke was, bestaande in de prediking des Woords, daar is mededeling en bewaring van dit Woord zelf de schildering van hun werkzaamheid, eigenlijk hun profetische biografie. HÄVERNICK).
I. Vers 22-27. In de eerste afdeling die van Hoofdstuk 3:22-7 :27 loopt, en nog in het eerste jaar van Ezechiëls roeping valt: hebben wij de eerste algemene volvoering voor ons van hetgeen den Profeet was opgedragen. De ondergang, die Juda en Jeruzalem wacht, met alle zijne verschrikkingen, wordt zeer omstandig meegedeeld. Aan die afdeling gaat de inleiding, die voor ons ligt, vooraf. Dadelijk na zijne roeping en nog op dezelfde plaats, waar het laatste woord der roeping tot hem was gekomen (Vers 17-21), dus te Tel-Abib, verkrijgt Ezechiël ook de eerste bijzondere opdracht. Terwijl hem wordt geboden uit het midden der gevangenen, onder welke hij zich ophoudt, naar buiten in het veld te gaan, om Gods openbaring te ontvangen, en hij aan dit bevel gehoorzaamt, verschijnt hem daar in de eenzaamheid wederom het Goddelijk gezicht, dat hij aan den Chebar had, en geeft hem eerst algemene aanwijzingen, hoe hij zich bij de volvoering der Goddelijke opdrachten moet gedragen.