8. a) Als wij zeggen (vgl.
Vers 6), dat wij geen zonde hebben, op generlei wijze meer met zonde besmet zijn (
Spreuken 30:12), dan verleiden wij door zo'n verderfelijke waan onszelf. Wij voeren onszelf van de ware weg geheel en al op een dwaalweg, die naar het verderf voert en de waarheid is in ons niet, zij is ons geheel ontweken, zodat wij nu in haar plaats de leugen hebben.
a) 1 Koningen 8:46. 2 Kronieken 6:36 Job. 9:2 Psalm 143:2 Spreuken 20:9 Prediker 7:20
In de tweede helft van het zevende vers werd aan hen, die bij het oprecht wandelen in het licht toch nog altijd de nawerking van de zonde moeten ondervinden en die nu in hun geweten verontrust konden worden, als zij horen, dat men met die God, die licht is, alleen in gemeenschap kan staan, wanneer men in het licht wandelt en toch nog veel in hun wandel moeten opmerken, waardoor het licht in hen verdonkerd wordt, een grond van geruststelling gegeven. Die zegt hun aan de ene zijde, dat het zondige, dat hun nog aankleeft, de gemeenschap met God niet meer zal kunnen verhinderen, alsof ze niet meer aanwezig was, omdat hun zonde vergeven werd en aan de andere zijde zegt het hun, dat het nog nawerkende zondige element bij hen steeds meer moet worden verwijderd, zodat zij de reinigmaking van de hen nog aanklevende zonde met vertrouwen verwachten mogen in een voortgaande heiligmaking van het hele leven (Johannes 15:2). Zo werd ons dus bij de Christus in ons ook op de Christus voor ons gewezen. Nu wendt de apostel zich in het achtste vers tot hen, die bij de Christus in ons, menen, de Christus voor ons niet meer nodig te hebben, zich reeds als zondelozen beschouwen en stelt in tegenstelling tot hen, de behoefte aan voortdurende verlossing bij de geheiligden nog in het bijzonder op de voorgrond.
Tegenover de eis, in Vers 6 v. voorgesteld, dat wij in het licht moeten wandelen, kwam aan het einde van het 7de vers het feit, dat in ons nog zonde, nog duisternis is. Daardoor is nu een tweede gevolgtrekking uit die in Vers 5 genoemde hoofdstelling inwendig voorbereid, namelijk die, dat wij in waarheid en oprechtheid van het hart onze aanwezige zonde onszelf en voor God belijden; want evenals daaruit, dat God licht is en geen duisternis in Hem is, ten eerste volgt, dat de gemeenschap met Hem door het wandelen in het licht zich moet openbaren, zo volgt niet minder daaruit, dat wij, die niet, zoals God, geen duisternis in ons hebben, noodwendig onze duisternis in waarheid moeten belijden, omdat de waarheid evenzeer een werkelijk deel van het licht is als de heiligheid en de liefde.
Zeer nauw is deze tweede gevolgtrekking aan de vorige verbonden. Is de reiniging van zonden een wezenlijk deel van ons wandelen in het licht, dan is de loochening van haar noodzakelijkheid een teken van het zijn in duisternis. Ook deze gevolgtrekking wordt, evenals de eerste (Vers 6 v.) in twee antithetische zinnen ontwikkeld, zodat Vers 6 met het zesde en Vers 9 met het zevende vers overeenkomt, terwijl eerst de valse en vervolgens de ware gesteldheid van het hart ter sprake komt.
In Vers 6 stelt Johannes met het woord "dan liegen wij" de tegenspraak voor, die uit de zaak zelf duidelijk is en tussen onze rede en onze wandel bestaat. Hij wijst er op hoe hierin de feitelijke verloochening van de goddelijke waarheid gelegen is. Hier stelt hij door de uitdrukking "zo verleiden wij onszelf" eerst die zijde van een leugenachtige rede voor ogen, waarvan deze als een zelfverblinding, als een onzuiverheid, als een bedrog ten opzichte van onszelf voorkomt, waaruit dan tevens is op te maken, dat de "waarheid", als wij die deden (vers 6), ons voor de feitelijke, leugenachtige tegenspraak tussen rede en wandel zou bewaren, zo zou zij ook, als zij in ons was, namelijk in het hart en niet slechts op de lippen, voor de heilloze zelfverblinding bewaren, die ons de heiligmaking en de gemeenschap met God onmogelijk maakt. Al is het, dat wij een nieuw schepsel zijn geworden, toch blijven altijd de overblijfsels van de zonde in ons. Wij hebben zonde en het vergif is nog in ons en deze zonde vervoert ons tot de vruchten van de zonde, zoals wij die in David zien en in Petrus (Galaten 2:11).
Er waren reeds in de tijd van Johannes, die als volmaakte heiligen verzekerden, niets meer van zonde hij zich op te merken; hun gedachten over de zonde putten zij niet uit de geest van de waarheid, maar uit hun eigen vleiende geest, die dat geen zonde noemde wat toch voor God werkelijk zonde is en ook heden rust de roem: "wij hebben geen zonde" op niets anders, dan op verzwakking en vermindering van de zonde.
Het geloof in de vergeving van de zonden veronderstelt: zondebewustheid. Dit ontbreekt bij velen. Het is in het diepst van de ziel de ootmoedige bekentenis, waartoe het door het Woord van God voorgelichte geweten ons brengt, dat men een zondaar is, met al wat dit naar Gods Woord in heeft en teweeg brengt. Dit zondebewustzijn wordt niet slechts gemist door de lichtzinnige, die met het Woord van God de spot drijft, de stem van zijn geweten verdooft en zich driest en onbeschroomd boven de algemene zedenwet, als was hij op een standpunt van hoger wijsheid, verheft. Voor hem is de zonde geen zonde; vrijheid is hem en goed verstand, voor zoveel zij hem baat; en voor zoveel zij hem schaadt: verschoonbare dwaasheid en aangeboren ongeluk. Maar ook hoe menigmaal horen wij hen, die de weg van de ijdelheid onbeschroomd bewandelen, betuigen, dat zij er geen zonde in zien. Waarom niet? Omdat de wereld in het algemeen er geen zonde in ziet, omdat het de wereld over het algemeen aan zondebewustzijn ontbreekt. IJdel zelfbehagen en een onverschoonlijk bijgeloof en het algemeen voelen houden bij de meesten het zelfbewustzijn onder. Latere ingetogenheid doet de zonde van de jeugd door velen vergeten en geen tegenwoordige zonden vermoeden. Hoe zelden wordt over het algemeen de zonde zonde genoemd; hoe moeilijk belijdt zich de zondaar een zondaar. Wat al verbloemingen, wat al vernoemingen van deze ergerlijke woorden. En als de woorden niet gemeden worden, hoe wordt de kracht en betekenis ervan ontveinsd; hoe elke wettige gevolgtrekking voorkomen! Alles ten bewijze dat het zondebewustzijn ontbreekt; vaak levenslang ontbreekt. Nog ontbreekt het op het sterfbed. Enkele beschuldigingen komen op, maar men komt ze te boven. Enkele schrikbeelden vertonen zich, maar verdwijnen weer. Enkele woorden uit Gods Woord treffen en wonden, maar die wond in genezen. Op de bodem van het hart ligt de ingenomenheid met het ik; al het andere smoort en verstikt daarin. Dat ik ziet enige zonden, enige vlekken; dat ik heeft vele zonden gedaan; maar dat ik wil zich geen zondig, door de zonde overheersd, door de zonde veroordeeld ik erkennen. Dat ik verleidt zichzelf; en dat ik is de waarheid niet; dat ik maakt God tot een leugenaar en geeft geen plaats aan het Woord van God. Hoe zou dat ik kunnen zeggen: "Ik geloof de vergeving van de zonden" en daaronder verstaan wat het Evangelie verkondigt; verzoening en uitdelging van de hele zware zondeschuld door Gods genade, in het bloed van Zijn Zoon, dat van alle zonden reinigt. Nee, niet de vergeving van de zonden, maar haar vergeeflijkheid, ziedaar wat ik gelooft. Een geloof, waarbij het kruis van Christus een dwaasheid, het Woord van God een leugen wordt; een geloof, waarmee geen geloof in het Evangelie, of in Hem, die het Evangelie predikt, bestaanbaar is. Een bijgeloof, mag ik zeggen, dat de oorzaak is van alle ongeloof, dat ook bij hen, die niet wensen ongelovig te zijn en de belijdenis van de gelovigen met mond en verstand toestemmen, zo vaak op de bodem van het hart liggen blijft en gekoesterd wordt, zodat zij noch de beschuldiging, noch de troost van die openbaring aannemen, die zij niet zouden durven verwerpen.
Onder de vele ziekten van de tegenwoordige tijd bekleedt ook de miskenning van het eigenlijk wezen van de zonde als schuld een onbetwistbare plaats en op de vraag naar de reden, waarom het Evangelie van de verzoening zo vaak miskend en misduid wordt, is het antwoord reeds voor eeuwen in het Woord van de Heere gegeven: "de gezonden hebben de medicijnmeester niet nodig, maar die ziek zijn". Wij zeggen wel niet luid en in het openbaar, dat wij in het geheel geen zonde hebben, maar voor de innerlijke zondigheid, het diep bederf van het hart zijn de meeste ogen gesloten. Het is al veel als men zich nu en dan, waar die losbreekt, over de stroom van zijn ongerechtigheid ontrust en bekommert, maar bij zijn verborgen bron staan de minsten opzettelijk stil. Doorgaans beschouwt men de zonde wel als een zwakheid, die men te boven moet proberen te komen, maar niet als een noodlottige macht, die, als God het niet verhoedt, de vreselijkste verwoestingen aanricht. Men is voldaan met onberispelijkheid en ingetogenheid voor de mensen en bekommert zich weinig over het oordeel van de rechtvaardige Rechter. Men vergeeft eenvoudig, voor zover men dit nog nodig acht, de zonde zichzelf en stelt zich gerust met de waan, dat God die even gemakkelijk kwijtschelden zal. Dat de wet geestelijk is; dat reeds één overtreding voldoende mag heten, om ons voor Zijn heilig oog te veroordelen; dat ook zelfs het beste met onreinheid besmet en menige hoog geroemde deugd niet anders is dan een blinkende zonde. Heere, wie heeft deze prediking geloofd en aan wie is Uw arm geopenbaard, die de blinddoek van de zelfmisleiding aan zijn beneveld ook heeft ontrukt? Want zelfmisleiding toch blijft het naar het zinrijk woord van Johannes, wanneer wij ons zelf diets maken, dat wij, als al met enige, toch althans met niet vele zonden besmet zijn. Wat ons zo doet denken en spreken, het is een oppervlakkigheid zonder weerga, een hoogmoed zonder grens een vermetelheid zelfs zonder verschoning. Immers waar wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, daar maken wij de Waarachtige zelf tot een leugenaar en spreken Zijn heilig Woord, dat allen als zondig veroordeelt, als in het aangezicht tegen. Zo voegen wij nog nieuwe zonde bij de reeds aanwezige, waarvan het bestaan of gewicht wordt miskend en wat vooral niet mag voorbijgezien worden, zo sluiten wij onszelf de weg van de behoudenis, die Gods genade in Christus ons opent. Of wie zal naar bevrijding verlangen, die het gewicht van zijn boeien niet voelt; wie de handen heilbegerig uitstrekken naar een Redder en Helper, die zich niet bewust is in wezenlijke nood te verkeren? Wie een aalmoes aanvaarden, die in eigen schatting tot de tamelijk gegoeden behoort? Het is, als wilde Johannes zelf op het onafscheidelijk verband tussen het een en het ander ons wijzen, waar hij het tekstwoord onmiddellijk op de blijde boodschap laat volgen: "het bloed van Christus Jezus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden. " Immers, die blijmare mist alle betekenis, zolang men heimelijk spreekt, "Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van zonde. " Ach, vandaar zoveel onverschilligheid voor een Evangelie van vrije genade; vandaar dat zo velen genoeg hebben aan een Christus, die niets is dan Leraar en Voorbeeld; dat anderen wel van volmaking willen horen, maar niet van wedergeboorte; dat enkelen zelfs liever hardnekkig de ogen sluiten, dan een waarheid te willen zien, die hen ten diepste vernedert. Wel blijkt het telkens opnieuw, dat het alleen de Heilige Geest is, die de zondaar kan overtuigen van zonde; wel heeft ook de Christen nog telkens aanleiding om aan het woord van de grote Hervormer te denken: "De kennis van de zonde is de aanvang van het heil". Menigeen acht zich veel te snel volleerd ten aanzien van het eerste stuk in het leerboek van onze vaderen: "hoe groot onze zonden en ellende zijn. " Al kunnen wij zelfs bij ervaring van verlossing en dankbaarheid spreken, telkens moeten wij weer naar de alfa van de leer van de ellende terug. Als voor velen, die vroeger de liefelijkheid van het Evangelie gesmaakt hebben, het goede woord de goede smaak heeft verloren, het is ook, omdat zij te weinig doen, wat de overste van schenkers aan Farao getuigde: "Ik gedenk heden mijn zonden. " Wat zegt men toch, dat zo'n gedurige zondenbeschouwing overbodig en schadelijk zijn zou? Zij doet ons integendeel te ootmoediger schuld belijden, te blijder geloven, te zorgvuldiger waken, te hoopvoller uitzien naar de grote dag van de verlossing. Beter met de tollenaarsbede geleefd en gestorven, dan men de Farizeeërs' danktoon zichzelf in een sluimer gewiegd, waaruit men nooit te vroeg, maar wel te laat kan ontwaken. 9. a) Als wij onze zonden, in plaats van ze voor onszelf te verbergen en voor God te loochenen, voor God en voor zoveel nodig ook voor mensen belijden, Hij, de God aller genade en de Vader der barmhartigheid (1 Petrus 5:10). 2 Corinthiërs 1:3) is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid (Spreuken 28:13).
a) Psalm 32:5
De apostel plaatst hier tegenover het verloochenen het positieve, het belijden over. Hij spreekt van het belijden niet van de zondige toestand in het algemeen, maar van de bepaalde, concrete, afzonderlijk begane zonden; want dat moet het belijden van de zonden worden, als het inwendige kracht en heerlijkheid zal hebben. Het belijden in abstracto dat men zonde heeft, zou zonder de erkentenis van de concrete bijzondere zonden geen waarheid en geen waarde hebben, maar een blote frase worden. Het is veel gemakkelijker een vroom praatje over boete en grote ellende door de zonde te maken, dan in een bepaald geval, als men gezondigd heeft, zijn onrecht in te zien, berouw en leed daarover te dragen. Johannes verlangt het laatste. Evenals nu het "zeggen, dat wij geen zonde hebben" in Vers 8, in zoverre het een verleiden van zichzelf genoemd wordt, in de eerste plaats ook een belijden voor eigen binnenste en voor God bedoelt, zoals ook inderdaad de nazin. "Hij is getrouw en rechtvaardig" wijst op iets, dat is voorgevallen tussen de Christen en God. Zo zeker als echter dat zeggen in Vers 8 ook een spreken voor mensen kan worden, zo zeker kunnen en zullen er ook omstandigheden zijn, die tot een belijden van begane zonden voor mensen dringen.
Evenals onze gemeenschap met de onzichtbare God zich uitdrukt in de gemeenschap met de zichtbare broeders (Vers 7), zo kunnen zij, die voor God hun zonden zonder valsheid belijden, die niet voor de broeders willen verzwijgen. Beproeve zich toch ieder, die zich voor boetvaardig, maar een belijden van zijn zonden voor mensen voor overbodig houdt (Jakobus 5:16), of geen bedrog van de zonde daarbij in het spel is. Waarachtige ootmoed en diepe haat tegen de zonde maken het belijden van haar tot een heilige behoefte.
De beide gezegden van God: "Hij is getrouw en rechtvaardig" zijn wel niet van gelijke, maar toch van verwante betekenis. God wordt getrouw genoemd, in zoverre Hij, als degene, die belooft, datgene, wat Hij beloofd heeft, ook vervult (Hebreeën 10:23; 11:11), waarbij dan hier in het bijzonder over de belofte wordt gehandeld, dat op een berouwvol belijden van zonde de verlossing van zonde moet volgen. Als rechtvaardig wordt God voorgesteld, in zoverre hij ten einde het rijk van de genade te realiseren, aan ieder zonder aanzien des persoons datgene toedeelt, wat hem overeenkomstig zijn verhouding tot God of tot het rijk van God toekomt en dan betoont Hij voor hem, die in het licht wandelt en zijn zonde belijdt, Zijn gerechtigheid daardoor, dat Hij van hem steeds meer alles, wat de volle gemeenschap met Hem in de weg staat, zowel zijn schuld als de hem nog altijd aanklevende ongerechtigheid wegneemt, om hum ten slotte al die zaligheid te geven, die bereid is degenen, die Hem liefhebben.
Wezenlijk zondebewustzijn openbaart zich in ootmoedige belijdenis van zonden. Blijvend zondebewustzijn in een gedurige zondebelijdenis. Het geloof in de vergeving van de zonde veronderstelt de belijdenis van de zonde en daarom kan, terwijl overal de vergeving van de zonde aan een ieder, die gelooft, wordt toegezegd, de apostel die ook toezeggen aan een ieder, die zijn zonde belijdt. "Als wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. " Ja, als daar geen geloof is zonder voorafgaand schuldbewustzijn, wij mogen zeggen dat geloof en schuldbelijdenis één zijn. Zoals het geloof van het hart niet volkomen is, dan door de belijdenis van de mond, zo is ook het schuldbewustzijn niet volkomen dan door de schuldbelijdenis. Hierin blijkt het onderscheid tussen een koude, onverschillige, zuiver verstandelijke erkenning van zonde en een ernstig zieldoordringend zondebewustzijn, dat de eerste tot niets leidt dan tot ontveinzing, verontschuldiging, voorwendsels, valse redenering over Gods liefde en toegeeflijkheid en het laatste tot belijdenis. De eerste richt zich met haar verontschuldigingen tot de mens, het laatste met haar zelfbeschuldiging tot God. En reeds dit is een daad van geloof. Of was het geen vertrouwen op de liefde van de Vader, wat de verloren zoon, tot zichzelf gekomen, deed zeggen: "ik zal opstaan en zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u en ben niet waardig uw kind genoemd te worden? " En toen de vader zijn zoon in zijn liefdearmen ontving, was het om zijn zondebelijdenis, of was het om dat vertrouwen in zijn vaderliefde, dat hij hem vuriger drukte aan zijn hart? O mijn lezers, dat ogenblik, dat u voor het oog van die God, die doorgrondt en kent, uw zonde voelde, dat ogenblik, dat u het niet langer voor uzelf kon of wilde verbergen of ontveinzen, "Ook ik ben een zondaar, ook ik de dood schuldig; " dat ogenblik, dat u er te midden van uw zeer diepe droefheid een stille vreugde van het hart in vond, het voor God te belijden; dat was het ogenblik, waarin u, schoon nog verre misschien van de klaarheid van die bewustheid, kwaamt tot het geloof in de vergeving van uw schuld. Dat zeggen tot de Vader: "Vader! ik heb gezondigd en ben niet waardig uw kind genoemd te worden; het was metterdaad de belijdenis: "ik geloof in de vergeving van de zonde". Is het u sindsdien niet tot bewustheid geworden? En ondervindt u niet dat in ieder vernieuwd schuld belijden, het geloof een moed vat, het geloof zichzelf versterkt? Als wij onze zonde belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. Gods woord betuigt het en ons hart ondervindt het. Ook het tegendeel wordt ondervonden. Zonder zondebelijdenis geen schuldvergeving; zonder schuldvergeving, ondanks het rusteloos opdringen, dat men over zijn staat gerust is, geen gemoedsrust; niets, dat daarnaar gelijkt.
Op de grote dag van de verzoening moesten de kinderen van Israël niet alleen hun zielen verootmoedigen, dat is, ter oorzake van hun zonden (Leviticus 16:29), maar de hogepriester moest beide zijn handen leggen op het hoofd van de geitenbok en over hem belijden al de ongerechtigheden van de kinderen van Israël en al hun overtredingen en al hun zonden: die leggende op het hoofd van de bok, die hij moest uitlaten in de woestijn; en de bok moest alle ongerechtigheden op zich wegdragen in een woest en onbewoond land, daar zij van hem niets meer horen konden (Leviticus 16:20 enz). Door dat zinnebeeld werden zij geleerd, dat, als zij niet alleen hun zonden beleden, maar ook nalieten; zo zij hun zonden wegdeden met de bok en ze nooit weer zagen, of iets daarmee te doen hadden, zij vertrouwen mochten op de vergiffenis van God. En Johannes, even te voren gewag gemaakt hebbend van het bloed van Christus, dat de Christenen reinigt van alle zonden, met zinspeling op de reiniging van Israël door de hogepriester, vervolgt die zinspeling op dezelfde zaak en geeft te kennen, dat, wanneer hun ongerechtigheden beleden en verzaakt, weggedaan en van hun huis afgezonderd waren voor altoos, of volgens de voorwaarden van het Evangelie, zij op Gods goedertierenheid staat konden maken. Wij hebben niet alleen de waarachtigheid of getrouwheid van God, om ons op te verlaten, tot vervulling van de beloften van Zijn goedertierenheid, die hij gedaan heeft aan oprechte boetvaardigen, maar ook de weldadigheid of goedheid van Zijn natuur, om onze hoop van genade op te vestigen. En het is niet de rechtvaardigheid, maar de goedertierenheid van God, waaraan de Schrift de vergeving van onze zonden toe-eigent. Maar (dicaiov) schijnt hier gebruikt te worden in de eigenlijke betekenis, dat is van rechtvaardig, want een belofte geeft een zeker recht aan hen, waaraan de belofte gedaan is. En daarom, wanneer God eenmaal iets beloofd heeft, is Hij niet alleen getrouw, een wezen van de volmaakte trouw, maar ziet het ook aan als rechtvaardig, Zijn verbintenissen gestand te doen. 10. Als wij zeggen (om nog eens op de stelling in Vers 8 terug te komen en nog sterker uit te drukken), dat wij niet gezondigd hebben, zo spreken wij Hem tegen, die overal in Zijn Woord en door Zijn gehele verlossingswerk in Christus getuigenis geeft, dat wij niets dan zondaars zijn en steeds zondaars blijven, die alleen door gedurige vergeving van zonden en steeds weer van vernieuwde reiniging van de verkeerdheid verlost kunnen worden. Door die ontkenning maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn Woord, waarvan wij beweerden, dat wij het in geloof hadden aangenomen, is niet in ons, het is ons inwendig vreemd gebleven.
De apostel komt al de afschuwelijkheid van het loochenen van eigen zonde, waarvan in Vers 8 sprake was, voor de geest; hij merkt hier nog aan het slot op, dat hij daar eigenlijk nog veel te weinig van dit loochenen gezegd heeft en haalt het verzuimde in. Daar heeft hij dat loochenen alleen voorgesteld als een zichzelf verleiden en als een teken van gebrek aan inwendige waarheidszin, maar er is iets nog veel ergers. De mens vergrijpt zich daarmee niet slechts aan zichzelf, maar hij begaat daarmee ook een euvel tegen God; hij vergrijpt zich daardoor ook aan Hem, omdat hij Hem tot een leugenaar maakt. Maar hoe maken wij door zo'n loochenen God tot een leugenaar? Het gezegde van God, ten opzichte waarvan van loochenen sprake is, schijnt hier hetzelfde te zijn als door het volgend "Zijn woord" wordt genoemd. Dat is de goddelijke openbaring in haar hele omvang, de Oud-Testamentische en de Nieuw-Testamentische, ook wel bepaald, zoals die in de Heilige Schrift is opgetekend. Deze goddelijke openbaring is werkelijk een verklaring van God, dat de mensheid zondig is en wel zonder uitzondering. Niet slechts vele afzonderlijke uitspraken in de Schrift verzekeren dat op het sterkst, maar deze algemene zondigheid van de mensheid is de noodzakelijke veronderstelling van de gehele goddelijke openbaring, in zo verre die werkelijk een weg ter zaligheid is. Ook bij de mens in het bijzonder is dit het bestendige thema, dat God met hem handelt, om hem door Zijn Woord en Zijn Geest vanwege zijn zonden te straffen. Die nu niets van zijn zonde wil weten, die meent vals Gods openbaring in geloof te hebben aangenomen, haar te bezitten als een, die hem tot zijn zaligheid gegeven is. Dit woord van God is voor hem niet werkelijk een kracht, die werkzaam is tot zaligheid; het is slechts uitwendig tot hem gekomen, maar hij bezit het niet.
De apostel neemt daarmee niet alleen de zonden van het verleden (vóór de bekering), maar ook die, die wij in het nieuwe leven begaan hebben; want zolang de mens het vlees aan zich draagt, heeft hij steeds, al zijn het dan ook lichtere, zijn zonden. Wacht er u echter voor om zonden, die wij klein noemen, gering te achten. Telt u ze licht, als u ze weegt, verschrik dan als u ze telt. Vele lichte maken een zware; vele druppels maken een stroom.
Als wij zeggen, dat wij geen zonden hebben, dan misleiden wij onszelf, want wij zijn zondaren; wij zijn allen zondaren voor God. In het gedenkboek, dat voor Zijn aangezicht ligt, moge van de ene een grotere schuld dan van de ander staan opgetekend; sommigen mogen zich aan verregaande buitensporigheden en wanbedrijven hebben overgegeven, waarvoor anderen bewaard zijn gebleven, wij hebben echter allen onze weg bedorven en een zondeschuld voor onze rekening. Dat ons geweten hier spreekt! Wie kan zeggen: "ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van zonde? " Wie moet niet met David bidden: "gedenk niet de zonden van mijn jeugd, noch van mijn overtredingen; gedenk mij naar Uw goedertierenheid, omwille van Uw goedheid, o Heere! Wie niet, met toepassing op zichzelf, hem nazeggen: Wie zou de afdwalingen verstaan? reinig mij, o God! van de verborgene? " Als wij ook al door Gods genade met Obadja getuigen kunnen, dat wij van onze jeugd af de Heere gevreesd hebben, was die vrees voor God bestendig in ons levendig en heeft zij zich steeds geopenbaard in al onze wandel? "U zult liefhebben de Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en u zult uw naaste liefhebben als uzelf", dat eist de Heere van ons. Hebben wij die eis volbracht, te allen dage volbracht? Ach, wij vergaten onze God gedurig. Wij hadden Hem en Zijn Zoon, onze Heer en Zaligmaker, niet zo lief als het ons betaamde. Het ontbrak ons maar al te veel aan dat kinderlijk vertrouwen, aan die innige gemeenschapsoefening, aan die onbepaalde gehoorzaamheid en dat ijverig streven om de Vader en de Zoon gelijkvormig te worden, dat de vrucht van de oprechte, hartelijke liefde is. Al kenden wij ook de ogenblikken, waarin wij ons gedrongen gevoelden om met Asaf te zeggen: "Wie heb ik naast U in de hemel, naast U lust mij ook niets op de aarde", hoe vele uren en dagen gingen er voorbij, dat wij ons hoogste goed stelden in de dingen van deze wereld, en onszelf genoeg waren! En wat zullen wij zeggen van onze liefde tot onze naaste, zoals tot ons zelf? Ontbrak het ons niet menigmalen aan liefde tot onszelf, zodat wij, in plaats van ons waarachtig geluk te bedoelen en te bevorderen, onze belangrijke, verheven bestemming uit het oog verloren, voor de bewaring en ontwikkeling van onze lichaam- en zielskrachten geen behoorlijke zorg droegen, de rust van ons hart verstoorden en ons wezenlijk geluk verwoestten? Waren wij niet menigmalen over onze medemensen, over onze broeders en zusters in de Heere onverschillig? Kwam er niet bij voorspoed en tegenkanting en miskenning aan hun zijde, wel eens afgunst en nijd en wraakzucht op in ons binnenste? Hebben wij ons niet wel verblijd over de tegenspoed van hen, die om in de weg waren, of ons benadeeld hadden? Vervulden wij als echtgenoten, als ouders en kinderen, als broeders en zusters, als hoofden van het huisgezin en dienstbaren ten allen tijde al de plichten, die in deze verschillende betrekkingen op ons rusten? En als wij ze deden, was dan niet vaak, in plaats van de liefde tot God en de naaste, de liefde tot onszelf, onze hoogmoed, onze eerzucht, ons eigenbelang het beginsel, waaruit wij handelden? Wie zou de geschiedenis van zijn hart durven openleggen? En als wij reeds zoveel verkeerds in ons ontdekken, wat moet dan het oog van de Alwetende, Heilige niet in ons opgemerkt hebben! Wij misleiden daarom onszelf, als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben. En wat is dwazer, wat schandelijker en gevaarlijker dan deze zelfmisleiding? Zij maakt ons onvatbaar voor ware ootmoed van het hart, voor de juiste waardering en gelovige aanneming van het Evangelie, voor waarachtige bekering, voor de ervaring van Gods vergevende, heiligende genade in Jezus Christus. Zij moge ons voor een tijd rust schenken, die rust is noodlottig. Het is de rust van de zelfverblinding en van de dood. Wat zal zij ons baten, als wij geopenbaard, ook aan onszelf geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus? En wij misleiden niet alleen onszelf, als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, maar wij maken dan ook God tot een leugenaar en de waarheid, Zijn woord is dan niet in ons. Want wat zegt dat woord? Wat zegt God in dat woord? Hij stelt ons voor als zondaren, die Zijn geboden overtreden hebben en schuldig staan voor Zijn aangezicht. "Wat uit vlees geboren is, is vlees", zegt de Heere. Hij dringt aan op bekering, op wedergeboorte, op vernieuwing van hart en leven en gaf aan Zijn apostelen bevel, dat in Zijn naam gepredikt moest worden bekering en vergeving van zonden onder alle volken, als de hoofdinhoud uitmakende van Zijn Evangelie. Die prediking veronderstelt dat wij bekering en vergeving nodig hebben, dat wij dus zondaren en voor God strafwaardig zijn. Maar is dit zou, dan volgt, dat wij het woord van God weerspreken, dat wij de waarheid, ons door Hem geopenbaard, verwerpen en Hem tot een leugenaar maken, als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben. Belijden wij daarentegen onze zonden, is die belijdenis ootmoedig en oprecht, vloeit zij voort uit diep besef van het schandelijke en strafwaardige van onze zonden, uit waar berouw over onze zonden en gaat zij gepaard met de vurige wens en het ijverige streven om voortaan naar al Gods geboden te leven, en zo'n belijdenis bedoelt de apostel, dan mogen wij ons van de vergeving van onze zonden volkomen verzekerd houden. Johannes drukt zich zo sterk mogelijk uit. Hij zegt niet alleen, dat God ze ons dan vergeven zal, maar: "God is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. " Hij beroept zich daarom op de trouw en rechtvaardigheid van God en hij zondert geen ongerechtigheid uit. God heeft vergeving, volkomen vergeving van alle zonden, ook van de schandelijkste en strafwaardigste, op ootmoedige belijdenis beloofd en Hij is de getrouwe en rechtvaardige in de vervulling van Zijn beloften. Wij mogen er dus vaste staat op maken. Zijn trouw en rechtvaardigheid staan er ons borg voor, dat Hij ons de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid.