19. Doch als gij uwen plicht getrouw waarneemt en den goddeloze waarschuwt en hij zich ondanks dat van zijne goddeloosheiddes harten en van zijnen goddelozen weg en wandel niet bekeert, hij zal in zijne ongerechtigheid sterven, die ook zonder uwe bijzondere waarschuwing reeds het oordeel waardig was, maar bij zulk ene verharding zeker den dood heeft verdiend; maar gij hebt uwe ziel bevrijd, zodat gene bloedschuld aan u kleeft. Zeer juist merkt Hengstenberg hier op, dat de "goddeloze" hier niet een enkel individu is, maar een ideaal persoon, de gepersonifiseerde soort. In de toen zo diep gezonken tijden was het begrip van den goddeloze en dat van het volk vrij wel één, daar dan de zending der Profeten het geheel des volks aanging, was niet zozeer de bijzondere zielenzorg, als wel de openbare prediking hun opgelegd, en zo hebben ook Ezechiëls voorzeggingen over `t algemeen ene nationale betekenis; met de bijzondere personen als zodanig heeft hij nooit te doen. Wanneer intussen bij verdere ontwikkeling dezer gedachte wordt beweerd, dat ook de rechtvaardige, over wien de beide volgende verzen handelen, hetzelfde subject aanwijst, en wel Israël naar zijne eigenlijke bestemming en naar zijn beter verleden (vgl.
Jesaja 1:21 1), dan verkrijgen wij op die wijze gene bevredigende verklaring. Integendeel wordt in het volgende van het groot geheel des volks, zo als dat naar zijne overwegende meerderheid "de goddeloze" wordt geheten, het kleine deel der beter gezinden afgescheiden, die echter toch ook wel velerlei aandeel hadden aan het goddeloze, en in gevaar waren door het zuurdeeg der groot menigte geheel doorzuurd te worden. Deze rechtvaardige is het dan, die er voor moet bewaard worden, dat hij zich niet van zijne gerechtigheid afkere, en die nu, als hij "niet zondigt, " zich niet in de algemene goddeloosheid laat verstrikken, dit verkrijgt, dat hij leeft; opmerkelijk is het dadelijk, op den eersten blik, dat van de zijde der goddelozen slechts dat ene wordt in ogenschouw genomen, dat hij sterft, en het voor den Profeet alleen de vraag is, of hij voor dat sterven verantwoordelijk is of niet. Van een zich bekeren er levend blijven is alleen als goddelijke bedoeling maar niet als werkelijk gevolg sprake. Dit is zeer goed daaruit te verklaren, dat ontkent het gehele huis van Israël, d. i. het huis van Israël in zijn geheel, reeds vast staat, wat in
Vers 7 is gezegd. Daarentegen wordt omtrent de rechtvaardigen dadelijk zo gesteld, dat hij, die zich van zijne gerechtigheid afkeert, des Profeten verantwoordelijkheid wordt er naar afgemeten, of hij het van zijne zijde aan de waarschuwing heeft laten ontbreken, zodat hij in zijne zonde gestorven is, of dat hij die waarschuwing heeft laten plaats vinden. In dit tweede gedeelte wordt we der slechts ene zaak in beschouwing genomen, namelijk, dat de gewaarschuwde niet zondigt en blijft leven, terwijl al het andere geheel buiten ogenschouw blijft. Hier bij het kleinere, betrekkelijk rechtvaardige gedeeld, dat echter in gevaar is van door den zuurdesem der grote massa te worden aangestoken, moet dus den Profeet bepaald een werkelijk gevolg zijner prediking voor ogen worden gesteld, gelijk hem vroeger bij Israël in `t algemeen, zulk een uitzicht bepaald was afgesneden. Zo alleen, menen wij, wordt de plaats juist opgevat.
Wij hebben de verklaring van Hengstenberg en Dächsel laten staan, opdat men kunne zien, hoe door velen gedacht wordt over "de goddelozen" en "de rechtvaardigen". Wij voor ons zijn echter van mening, dat ook hier wel degelijk gedacht wordt aan bijzondere personen. Het is volkomen waar, Israël als volk was niet te redden van de slavernij van Babel, maar uit Israël waren er nog wel te redden uit het algemeen verderf, hetwelk onder Israël werd gevonden. En daartoe wordt de Profeet gezonden, om zowel den goddeloze als den rechtvaardige te waarschuwen, opdat de goddeloze leerde wandelen op den weg des behouds en de rechtvaardige behoed werd voor afval.