27. Maar als Ik met u spreken zal, zo als dat op bepaalde tijden en met bepaalde bedoelingen toch zal geschieden, dat ik u een woord geef, om hun mede te delen, zal Ik uwen mond opendoen, en gij zult tot hen zeggen; Zo zegt de Heere HEERE! waarop gij dan laat volgen, wat gij moet mededelen. Wat het gevolg of de uitwerking aangaat, daarop is van toepassing de vaste regel (
Hoofdstuk 2:5,
7 3:11): Wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; het worde aan hun keuze overgelaten; want zij zijn een weerspannig huis, dat ik enigermate heb losgelaten.
Het besluiten in zijn huis moet zijne volksgenoten niet van hem afsluiten, want wat hij daar doet is voor het huis van Israël en geschiedt voor hun ogen (Hoofdst 4:3, 12; 8:1 1); maar hij moet voor hen een afgeslotene zijn, d. i. een die niet in hun midden mede uitgaat.
De Profeet moet zich in zijn huis opsluiten in tegenstelling tegen het openlijk optreden als redenaar. De naaste gedachte in Vers 25 is dan: zij mogen met u handelen zo als zij willen, toch zult gij niet als redenaar optreden, wanneer gij gene bijzondere opdracht van Mij hebt ontvangen. Het geval, dat naar de zaak slechts ondersteld is, wordt voorgedragen in den vorm als ware het werkelijk geschied, alleen voor het visioen is het werkelijk.
In plaats van hem de verzekering te geven van goed gevolg, wanneer hij te eniger tijd tot het volk zou spreken, laat God de zaak hier twijfelachtig, en Ezechiël moest daarover niet verslagen of ongerust zijn, maar het laten zijn zoals het wilde. Noch God, noch Zijn Profeet zullen er iets bij verliezen, maar de Profeet zal beloond worden, voor zijn getrouwheid in het bestraffen van zondaars, en God zal de ere van Zijn rechtvaardigheid ontvangen in het veroordelen van hen, omdat zij de bestraffing niet hebben aangenomen. Dat de Profeet tot aan het uitspreken der Hem van God gegevene woorden zich van alle spreken onthoudt, moet aan de ene zijde de woorden Gods, die hij uitspreekt des te duidelijker als zodanige laten voorkomen, aan de andere zijde zijnen hoorders een getuigenis zijn van stomme smart, waarmee de inhoud van Gods woorden hem vervult en naar recht ook hem moest vervullen.
Dit zich stom houden, volgens hetwelk hij alleen dan moest spreken, wanneer God hem den mond zou openen tot het uitspreken van een hem ingegeven woord, wordt den Profeet in de eerste plaats wel opgelegd voor den duur der tijdruimte in onze afdeling vervat tot Hoofdstuk 7:27; maar de Goddelijke bedoeling strekt zich toch verder uit over den gehelen tijd, tot aan de vervulling zijner bedreigende voorzeggingen door Jeruzalems verwoesting.
Ten gevolge daarvan sprak hij in den tijd van nu tot Hoofdstuk 24:27 (4 jaren en 6 maanden) alleen dan, wanneer God hem tegen Israël te spreken gaf; in den tijd tussen Hoofdstuk 24:27 en 33:21 (3 jaren) sprak hij ook niet tegen Israël, maar was geheel stom, wanneer God hem gene bedreigingen tegen buitenlandse volken gaf uit te spreken. Toen echter na Hoofdstuk 33:21 Jeruzalem was veroverd werd de stomheid van hem weggenomen, opdat hij verder zegen aankondigen zou.
Het is geen goed teken, wanneer God Zijnen knechten, om de verkeerdheid als het ware den mond snoert, en alle opgewektheid tot spreken ontneemt (Handelingen 16:6).