Ezechiël 3:22-27
Na de brede en heerlijke openbaring, die God de profeet van Zichzelf heeft gegeven, met volledige aanwijzing, hoe te handelen met degenen, tot wie hij met zijn uitvoerige boodschap gezonden was, zouden wij verwachten, dat hij tot een grote vergadering van kinderen Israëls het Woord van God gaat prediken. Maar wij vinden hier heel wat anders. Eerst schijnt zijn arbeid in geen evenredigheid te staan tot zijn grootse roeping.
I. Hij wordt hier weer afgezonderd tot verder onderricht. Naar zijn voorafgaande onwilligheid om te gaan, kan het schijnen, of hij nog niet zo diep doordrongen is van de macht Desgenen, die hem gezonden heeft. Om hem door alles heen te helpen, om hem dus verder te versterken en te bemoedigen tegen de moeilijkheden, die hij voorziet, gaat God hem in Zijn gunst een nieuw gezicht van Zijn heerlijkheid tonen, dat hem nog meer zal opwekken en bezielen voor zijn werk. Daartoe roept God hem in de vallei, vers 22, en spreekt daar met hem. Zie en bewonder de nederbuigende goedheid des Heeren, die dus gemeenzaam met een mens spreekt, een mensenkind, ja, een arme balling, ja, een zondig mens, die, toen God hem zond, heenging in bitterheid des gemoeds en een tijd lang met zijn taak als overhoop lag. Hoe veel hebben wij dus te danken aan de gezegende voorbede van Christus onze Middelaar, dat God dus gemeenschap wil hebben met de mens, de hemel met de aarde. Zie hier de zegen van de eenzaamheid, die overpeinzing zo zeer in de hand werkt. Het is troostvol, met God alleen te zijn, ver van de wereld met Hem om te gaan, naar Hem te luisteren, tot Hem te spreken. Een gelovige zal zeggen, dat hij nooit minder alleen is dan wanneer hij dus alleen is. Ezechiël ging uit in de vallei met groter gewilligheid dan vroeger tot de weggevoerden, vers 15, want zij, die weten wat gemeenschap met God betekent, kunnen niet anders dan die boven alle gemeenschap met de wereld verkiezen, vooral als men de wereld neemt gelijk ze gewoonlijk is. Hij ging uit in de vallei en zag hier hetzelfde visioen, dat hij aan de rivier Chebar had gezien, want God is aan geen plaats gebonden. Zie, degenen, die God volgen, zullen Zijn troost genieten, waar zij ook heengaan. God riep hem om met hem te spreken, maar deed meer dan dat: Hij toonde hem ook Zijn heerlijkheid, vers 23. Wij kunnen thans zulke gezichten niet verwachten, maar wij moeten erkennen, dat ons geen mindere gunst geschiedt, wanneer wij door het geloof "de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwen, en naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest, dat is het voorrecht van al Zijn heiligen, Halleluja!" 2 Corinthiers. 3:18.
II. Hij wordt hier voorlopig verhinderd, het volk verder te onderrichten. Toen hij de heerlijkheid des Heeren aanschouwde, viel hij op zijn aangezicht, getroffen door ontzag voor Gods majesteit en vreze voor Zijn heilig misnoegen. Maar dc Geest kwam in hem om hem op te heffen. Hij herstelde zich en stond op zijn voeten, en hoorde wat de Geest hem toefluisterde, iets zeer verrassends. Men zou nu verwachten, dat God hem terstond naar de voornaamste plaats van volkssamenkomsten zenden zou, hem genade zou geven in de ogen van zijn broederen en hem en zijn prediking bij hen aangenaam maken, dat hij de deur wijder geopend zou vinden en God hem geven, dat hij met groter vrijmoedigheid mocht spreken. Maar-al wat hier gezegd wordt, is juist het tegengestelde.
1. In plaats van hem naar de ene of andere openbare plaats te zenden, beveelt de Heere hem, dat hij zich binnen in zijn huis opsluit: Ga, binnen in uw huis en sluit u op, vers 24. Hij was onwillig om in het openbaar te verschijnen, en toen hij het deed, gaf het volk geen acht op hem noch toonde hem de nodigen eerbied. Nu verbiedt God hem, in het openbaar te verschijnen, als een terechtwijzing voor beide, voor hem om zijn gebrek aan hartelijke gewilligheid, en het volk om hun koelheid. Zie, onze keuze wordt dikwijls onze straf, en het is rechtvaardig van God, zo Hij predikers, die hun hoorders ontrouw maken in het bijwonen van de onderlinge samenkomsten, in de hoek zet. Ezechiël moest zich opsluiten, gelijk sommigen menen, om daarmee het beleg van Jeruzalem af te beelden, waarbij de inwoners eveneens van de buitenwereld werden afgesloten, en waarvan hij in het volgende hoofdstuk spreekt. Hij moest zich in zin huis opsluiten, opdat hij verdere openbaringen mocht ontvangen omtrent Gods gezindheid en meer kennis erlangen om het volk te onderrichten, wanneer hij weer naar buiten zou gaan. Wij lezen, dat de oudste van Juda hem bezochten en enige tijd voor zijn aangezicht zaten in zijn huis, Hoofdstuk 8:1, om getuigen van zijn verrukking te zijn, maar niet voor Hoofdstuk 11:25 begon hij te spreken tot de gevankelijk weggevoerden alle de Woorden des Heeren, die Hij hem had doen zien. Zie, degenen, die geroepen zijn om te prediken moeten tijd voor studie hebben, en veel tijd ook, zij moeten zich in hun huis opsluiten om te lezen en te overdenken, en dat zal allen ten goede komen.
2. In plaats van hem van de belangstelling en genegenheid van zijn hoorders zekerheid te geven, voorspelt Hij, die hem zendt, dat zij dikke touwen aan hem zouden leggen en hem daarmee binden, vers 25, of
a. Als een misdadiger. Zij zullen hem binden om hem als rustverstoorder te straffen, ofschoon zij zelf naar Babel gevoerd waren, omdat zij de profeten vervolgd hadden, gaan zij voort ze te vervolgen. Of veeleer,
b. Als een buiten zijn zinnen, want daaraan schreven zij zijn onstuimige bewegingen in zijn verrukking toe. Aan Jehu vroegen de hoofdlieden: "Waarom is deze onzinnige tot u gekomen?" Festus zei tot Paulus: "Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij." En de Joden spraken ook zo van de Heere Jezus, Markus 3:21. Misschien was dit de reden, waarom hij binnenshuis moest blijven, omdat anderen hem zouden binden, onder voorwendsel dat hij krankzinnig was, daarom dan moest hij niet onder hen uitgaan. Terecht wordt profeten verboden, uit te gaan tot degenen, die hen mishandelen zouden.
3. In plaats van zijn lippen te openen, dat ze Gods lof mochten verkondigen, doet God zijn tong aan het gehemelte kleven, zodat hij vrij lang stom was, vers 26. De vrome ballingen in Babel riepen deze straf over zichzelf in: "Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte, indien ik u, o Jeruzalem, vergete," Psalm 137:6. "Ezechiël denkt meer aan Jeruzalem dan een hunner, en toch kleeft zijn tong aan zijn gehemelte, hem, die het best kan spreken, wordt verboden te spreken". En de reden daarvan is "dat zij een weerspannig huis zijn, tot hetwelk hij gezonden is, dat niet waard is door hem bestraft te worden". Hij zal hem geen verder onderricht of vermaning geven, want het is verloren moeite. Te voren wordt hem bevolen, stoutmoedig tot hen te spreken, omdat zij weerspannig zijn, Hoofdstuk 2:7, maar terwijl dat nutteloos is gebleken, wordt hem nu stilte opgelegd, hij zal tot hen in het geheel niet spreken. Zie, zij, wier harten zich tegen overtuiging in verharden, worden rechtvaardig van de middelen ter overtuiging beroofd. Waarom zouden de bestraffers niet stom worden, nu, na veel pogingen, de bestraffers verkiezen doof te blijven? "Indien Ephraim vergezeld is met de afgoden, laat hem varen," Hosea 4:17. "Gij zult stom zijn, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man," dat is: wanneer hij niet stom werd, zou hij voortgaan hen te bestraffen. Indien hij spreken kon, zou hij getuigen tegen de goddeloosheid van de goddelozen. Maar als God met hem spreekt en bedoelt, door hem te spreken, dan zal hij zijn mond opendoen, vers 27. Zie, al moeten Gods profeten een tijd lang zwijgen, er komt een tijd, dat God hun mond weer opendoet. En wanneer God tot Zijn dienaren spreekt, opent Hij niet alleen hun oren om te horen wat Hij zegt, maar tevens hun mond om te antwoorden. Mozes legde een deksel op zijn aangezicht, wanneer hij omlaag kwam naar het volk, maar nam het weer weg, wanneer hij opklom tot God, Exodus 34:34.
4. Inplaats van hem een goede uitslag te verzekeren, wanneer hij andermaal tot het volk zal spreken, laat Hij die zaak onbesproken, Ezechiël moet zich deswege niet ongerust maken, hoe het ook gaan moge. "Wie hoort, die hore, troost zal hem geworden, hij hore, en zijn ziel zal leven. Maar wie het laat, die late het, tot zijn oordeel, en verwachte wat komen zal". Zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen, noch God noch de profeet zullen er schade van hebben. De profeet zal voor zijn trouw beloond worden, terwijl hij de zondaars gewaarschuwd heeft, en Gods rechtvaardigheid zal verheerlijkt worden door de veroordeling van hen, die de waarschuwing niet ter harte hebben genomen.