9. Een ieder, die door het geloof in Jezus Christus (Hoofdstuk 5:
1 Johannes 1:13) uit God geboren is, die doet de zonde niet (
Vers 6), a) want Zijn, namelijk Gods zaad blijft in hem (
Hoofdstuk 2:27) door de Heilige Geest, die bij zijn wedergeboorte als Schepper van een nieuwleven in hem is neergedaald (
Johannes 3:5) en hij, wie dat voorrecht is te beurt gevallen, kan ten gevolge van die inwendige toestand van het hart niet zondigen, want hij is uit God geboren (
Hoofdstuk 5:18). Evenals God licht is en gans geen duisternis in Hem is (
Hoofdstuk 1:5), zo heeft ook de uit Hem geborene met de duisternis geen gemeenschap meer, maar wandelt met geheel zijn wezen in het licht (
2 Corinthiërs 6:14).
a) 1 Petrus 1:23
In het voorgaande vers heeft de apostel gezegd, dat hij, die doet wat recht is voor God, daardoor toont dat hij aan het wezen van Christus, en die doet wat zonde is, dat hij aan de natuur van de duivel deel heeft. Hij heeft verder herhaaldelijk herinnerd, dat het hele doel van de menswording van Christus daarop gericht is, dat er een einde komt aan de zonde. Aldus heeft hij aangetoond, dat een Christen, een kind van God, niet mag zondigen; hij voegt er nu bij wat nog dieper gaat, dat die een kind van God is, uit God geboren is, niet zondigen kan. Dat het doen van zonde met het gehele wezen en doel van Christus in tegenspraak is, is in vers 7 v. aangetoond; dat het geboren zijn uit God tot zijn wezenlijk, innerlijk noodzakelijk en dus onafscheidelijk gevolg het niet zondigen heeft, wordt hier bijgevoegd.
Johannes verzekert hier in de eerste plaats een feit; hij spreekt uit, dat die uit God geboren is, in zo verre hij dat is, niet zondigt. De grond daarvan wordt aangewezen door de volgende zin: "wat Zijn zaad, d. i. het zaad, waaruit God hem als het ware heeft verwekt, zijn nieuw leven heeft doen worden, blijft in hem. " Omdat namelijk dit zaad uit God, het door de Heilige Geest gewerkte, van God afkomstige goddelijke leven, de tegenstelling vormt tot het met de duivel verwante leven, tot alles wat zonde is, dan is duidelijk, dat de kinderen van God niet zondigen, juist omdat wat hen tot kinderen van God maakt, dit nieuwe leven, alle zonde van zich uitsluit. Nadat Johannes dit heeft uitgesproken, wijst hij de noodzakelijkheid daarvan aan, dat dit niet anders kan zijn; zo iemand kan niet zondigen, het is uit de aard van de zaak onmogelijk dat hij zondigt. Juist omdat hij uit God geboren is, omdat dit uit God geboren zijn met de zonde geheel in tegenspraak is; en daaruit niet kan voortkomen, daarin geen aansluitingspunt kan vinden. Evenals van het goddelijk leven alleen het goddelijke, niet iets ongoddelijks kan uitgaan, zo kan van het uit God geborene als zodanig geen zonde voortkomen.
Hier blijkt het nu ook, hoe het verder is met het doen van de zonde, dat Johannes van de wedergeborene loochent. Uit de gronden, door hem voor dat ontkennen aangehaald, volgt namelijk alleen dit, dat de wedergeborene met zijn eigen ik, met zijn eigen, gehele persoonlijkheid kan zondigen en dat dus zijn zondigen nooit een zondigen in de eigenlijke en volle zin van het woord kan zijn, maar altijd alleen een overweldigd worden van zijn persoonlijkheid door de macht van het kwaad.
Volstrekt onverenigbaar met het zondigen is het nieuwe leven van de gelovigen, dat door de geboorte uit God is voortgekomen; dit voert werkelijk de geest af van alle zonde, vervult met onverzoenlijke haat tegen haar en zet tot een rusteloze strijd tegen haar aan. In zo'n strijd ontvangt een kind van God dagelijks wonden, zoals Luther zegt, maar werpt het toch nooit de wapens weg en sluit nooit vrede met de doodsvijand. Zijn wapens tegen het kwaad zijn, als hij overwonnen wordt, deze, dat hij voortdurend de zonde, waartegen hij in besliste tegenstelling als iets, dat aan zijn wezen vreemd is en gehaat is, berouwvol en boetvaardig belijdt, de vergeving ervoor zoekt en zich zo weer van haar vrij maakt (Hoofdstuk 1:8), de verzoeking tot het kwade mijdt en altijd weer opnieuw de plicht van reiniging en heiligmaking probeert te vervullen, evenals een goed discipel zijn werkstuk altijd weer beproefd op te lossen, al hoeft hij zich ook nog zo vaak bij zijn vorige pogingen verrekend. Die het nu verzuimt, om deze verdedigingsmiddelen te gebruiken tegen de kracht van de zonde, die het door de Geest uit God voortgekomen nieuwe leven, dat hier beneden nooit tot zijn volle machtsontvouwing naar buiten komt, probeert te overweldigen, die heeft, zoals dat wel het meest het geval zal zijn, dat nieuwe leven nog nooit ten volle in zich opgenomen, of hij heeft met of zonder bewustzijn nog deze of geen deel en van zijn hart voor de zonde zich voorbehouden en wordt nu niet zozeer van buiten als van binnen door de zonde overmeesterd; of hij maakt zich schuldig aan een ontrouw, die het allerzwaarste gericht van God, dat er is (Hebreeën 6:4), na zich sleept.
Wij hoeven naast 1 Johannes 3:9 slechts Romeinen 7:20 te leggen, om te zien, hoe wij hier niet met een leer van Paulus of Johannes, maar eenvoudig met de gewone leer van de hele Schrift te doen hebben, die en door de man van Tarsen en door de jonger van Patmos in bijna gelijkluidende bewoordingen wordt vertolkt. Legt Johannes aan een kind van God de woorden op de lippen: "Ik doe de zonde niet meer, want ik kan ook niet zondigen, wijl het zaad van God in mij blijft. " dan spreekt Paulus in geheel gelijke zin uit eigen zielservaring: "Als ik het doe hetgeen ik niet wil, dan doe ik dat niet meer, want ik heb een vermaak in de wet van God naar de inwendige mens. " En als Paulus omgekeerd aan die hooggestemde triomfkreet de bittere belijdenis en de droeve klacht toevoegt: "Hetgeen ik haat dat doe ik", dan komt Johannes u op even roerende toon de ontzettende bekentenis brengen: "Als wij zeggen dat wij niet zondigen, dan misleiden wij ons zelf en de waarheid is in ons niet. " Wij komen niet voor de dag met de gewone uitvlucht, dat een kind van God wel kleine onbeduidende, maar geen dodelijke zonden, geen "zonde tot de dood" begaat en dat de apostel alleen op die laatste ontzettende uitbarstingen van de zonde het oog zou hebben. Wij zeggen óók niet, dat dit "niet zondigen" van de apostel op zijn doorgaande levensstand ziet, als wilde Johannes zeggen: "Er komen wel uitzonderingen voor, maar zijn gewone leven staat buiten de sfeer van de zonde. " En evenmin proberen we ons te redden door de apostel de mening toe te dichten, als had hij bedoeld: "Aan zonde in de wettelijke zin staat hij niet meer schuldig, al komt hij nog wel tekort, vaak veel te kort, in de liefde en de ootmoed. " Zie, veeleer verwerpen wij al deze halfslachtige uitleggingen als onwaar, onmanlijk en onvoldoende. Omdat wij bij eigen droeve ervaring weten, dat zij toch niet bevredigen en de ziel in spanning laten en eenvoudig ten gevolge hebben, dat de meeste Christenen maar voortleven en voortdenken, als had Johannes zijn apodictisch "niet-zondigen", nimmer ten papiere gebracht en voorts, komen zij er hij het lezen aan toe, er met een zucht over heen te lezen. Een zucht, waarin zij de droeve bekentenis zich ontglippen laten: "Och, stonden die zonderlinge woorden er maar niet. Op mij kunnen zij geen vat krijgen en ik wordt zo nooit! " Terdege, wat Johannes zegt, op het woord af, nemen zoals het er staat, is tegen deze ziekelijke lafheid het enig afdoend geneesmiddel. Metterdaad, het is zoals Johannes zegt: "Een kind van God doet de zonde zelf nooit. " En dit moet betuigd en moet beleden, niet omdat de ervaring het ons zo leert. Integendeel, door de ervaring komen wij schijnbaar tot een geheel andere slotsom. Maar moet beleden, "omdat niet kan zondigen wie eenmaal uit God geboren is, d. w. z, beleden, wijl het tegendeel eenvoudig onmogelijk zou zijn. Letterlijk dus hetzelfde, als wat Jezus gezegd heeft: "Uit een goede boom kan geen kwade vrucht voortkomen", een woord dat men ook al gewoon is, zeer onschriftuurlijk, naar eigen inzicht te verdraaien. Meestal toch maakt men hier zo iets van, alsof Jezus gezegd had: "Een goede boom begint met eerst nog al veel kwade vruchten voort te brengen. Van lieverlede komen er dan meer goede. En eindelijk komt er een tijd, dat er niet dan goede vrucht aan zit. " Lijnrecht dus het tegendeel van wat Jezus beweert. Nee, de Heere zegt wel zeer stellig, wat bovendien ieder boomkweker weet, dat aan een tamme boom geen wilde vrucht komen kan. Dat "het onmogelijk is ooit of immer druiven te lezen van distels", maar ook even onmogelijk, wilde vruchten in te zamelen van een tam en deugdelijk geënt lot. Dat er wormstekige, bedorven, onooglijke vruchten ook aan de beste boom kunnen zitten, weet Jezus uitnemend goed, maar wat niet kan, wat onmogelijk zou zijn, wat tegen de natuur zou strijden, is, dat u wilde kastanje zou zien groeien aan een kastanjeboom, die tam is. En vond u dat toch zo in het woud, zag u voor uw ogen dat tussen de takken met goede vruchten toch enkele takken met kwade vruchten heen zaten, dan zou elk houtvester, of boomkweker, of ook gewone boswachter, u zonder aarzeling verzekeren kunnen, dat hier een van tweeën plaats greep: óf dat er een wilde plant door de tammen boom was heengegroeid, of dat de tamme op een wilde boom geënt was en die tak met wilde vruchten nu onder uit de oude wilde stam was opgeschoten. Maar en hier zou zo iemand u, op zijn houtvesterseer, voor instaan, uit een tamme boom kon die tak niet zijn. Want, zo zou hij u zeggen, "een lot uit de tamme aard brengt nooit of nooit wilde vrucht voort, omdat dit tegen zijn aard strijdt en het kan zo'n vrucht ook niet voortbrengen, want het is van een tamme boom geënt. " En zou hij er u bijvoegen, nu is het wel waar, dat die kwade vrucht er nog groeit, zelfs nog zeer sterk omzit, maar kon de tamme geënte boom spreken, wees verzekerd, dat hij u betuigen zou: "Die kwade vrucht, die ik niet wil, komt er nog wel, maar nu maak ik die vrucht niet meer, maar de wilde oude stam, waarop men mij entte. " Is nu een kind van God metterdaad niet beter te vergelijken dan met zo'n tam lot, dat geënt is op een wilde stam, wat zo vragen we, is er dan onnatuurlijks aan, dat van zo'n "geënte" nieuwe persoon èn door Jezus èn door Paulus èn door Johannes geleerd wordt dat het kwaad, dat men aan hem ziet, niet komt uit hem. Zo Jezus: "De goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen. " Zo Paulus; "Ik nu doe dat niet meer, maar de zonde, die in mij woont. " En zo nu ook Johannes: "Wie uit God geboren is, kan niet meer zondigen. " Dit geldt dus niet alleen van de grote, maar ook van de kleinste zonde. Uit "het zaad van God", dat in ons blijft, kan hij geen mogelijkheid, ooit, ook maar zelfs de minste zondige gedachte opwellen. Uit het "van Godswege in ons geborene" kan nooit of nimmer, onder wat bange verzoeking, ook maar voor één ondeelbaar ogenblik, de zwakste overtuiging tot wat zondig is, voortkomen. Door het "kind van God" kan niet worden uitgeademd iets, dat zijn oorsprong heeft in Satan. Was nu een belijder van de Heere op aarde niets dan "kind van God; " enkel "die heilige persoon; " alleen "dat hemelse; " werkten er in hem geen andere drijfveren dan de drijvingen, die uit hem zelf komen, dan zou er daarom ook geen zonde aan hem wezen, want hij kan ze eenvoudig niet doen. Maar dit is niet zo. De oude stam, waarop het tamme lot geënt werd, is er nog en schiet telkens uit. Aanvankelijk zelfs nog zo sterk uit, dat de kleine uitbotting van het nieuwe lot nog geheel overschaduwd wordt door de wilde loten, die opschieten van omlaag. Dat betert dan van lieverlede wel, als er aan die wilde stam meer gesnoeid wordt en aan dat nieuwe lot meer levenssap toekomt, maar toch het blijft een dooreenstrengeling van wild en tam tot de einde en dan pas kan aan die tweeslachtigheid voorgoed een einde komen, als eindelijk de hemelse Landman het nu krachtig geworden lot geheel van de wilde stam afsnijdt en bij het wegsterven van deze aarde overplant op eigen wortel in de hemelse grond. En nu voegt bij die toestand tweeërlei belijdenis al naar gelang het kind van God van zichzelf spreekt, als voor zijn oude natuur nog aansprakelijk, dan wel als van die oude natuur in Jezus af. Spreukenekt hij als voor die oude natuur van vroeger en van nu nog aansprakelijk, dat heet het achtereenvolgens: 1e. van het verleden: a. "Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, dan maken wij Hem tot een leugenaar; " en b. "Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw dat Hij ons onze zonden vergeeft. " En 2e. van het heden: a. "Als wij zeggen dat wij geen zonden hebben, dan verleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet" en b. "Als iemand gezondigd heeft: wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de rechtvaardige. " Spreukenekt hij daarentegen, als van die oude natuur door de wedergeboorte afgescheiden, dan geldt het getuigenis: a. "Uit die goede boom kan geen kwade vrucht voortkomen; " b. "Ik nu doe dit niet meer, maar de zonde, die in mij woont; " en c. "Die uit God geboren is, kan niet zondigen. " De onbekeerde en de bekeerde nemen in hun leven aan zichzelf zonden waar. Maar het verschil ligt hierin, dat de onbekeerde de zonde zelf doet, willens en wetens doet, terwijl de bekeerde de zonde ondergaat, als iets, dat hij af bidt, dat hem een lijden veroorzaakt, waar hij zich van los wil woelen. Bij de kinderen van de leugen is het een zondigen, waarbij men de zonde mint en bij de kinderen van God een zondigen, waarbij men de zonde haat. Bij beiden weet de zonde nog te woelen en te werken. Maar terwijl zij bij de onbekeerde het goed heeft en gevierd en in de kamers van het hart feestelijk onthaald wordt, heeft diezelfde indringster het bij de kinderen van God hard te verduren en lijdt er honger en wordt er rusteloos in de hoek gedrongen en na elk levensteken, dat zij weer geven dorst met dubbele slagen, al ziet het ook geen mensenoog, in de kamers van het hart gekastijd.