14. En Ik zal Mijnen Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten, dat gij daar tot rust komt; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
Dat veld vol doodsbeenderen, zo wordt den Profeet gezegd, is Israël in zijn tegenwoordigen toestand: als gevolgen zijner zonde heeft het den dood tot straf van God ondergaan. Zijne wanhoop is zelfs een teken van dezen dood, het verstorven volk gevoelt zich van God verlaten, de kloof, welke het van Hem scheidt, schijnt ene te zijn, welke nooit meer is te vullen, de verschrikkingen des doods omgeven het natuurlijk oog ziet slechts vernietiging, geen heil en leven. Uit die massa schept zich evenwel Gods almacht een volk, de poorten des doods worden verbroken, het land van heil en zegen wordt aan Israël weer uit genade geschonken; ene nieuwe geestelijke schepping begint, aan het verstorven, geestelijk arme volk wordt de volheid van Goddelijken zegen meegedeeld, nu is alles in rust in `t land van zegen, genietende de genadegiften van zijnen God in zaligen vrede.
De graven der Israëlieten waren toen de steden der Chaldeën. In het gezicht van Ezechiël werd daarop echter niet gewezen, omdat daardoor de aanschouwelijkheid van het beeld zou hebben verloren. Men heeft zich een slagveld te denken, waar de beenderen der verslagenen onbegraven neerliggen.
Als volk van God was Israël gedood, zonder hoop op weer levend worden of opstaan tot een nieuw leven. Deze opstanding toont nu de Heere den Profeet in het beeld van de levendmaking der beenderen, die verdord en overal heen verstrooid liggen. Zij wordt vervuld door de herstelling van Israël als volk van Jehova, waartoe de terugvoering in het heilige land werkelijk behoort; deze vervulling werd wel voorbereid door het terugkeren van een deel des volks uit de Babylonische ballingschap onder Zerubbabel en Ezra, hetwelk de Heere had bewerkt, door de wederopbouwing der verwoeste steden van Juda en door de herstelling der staatsinrichting, maar dat alles was niets meer dan een onderpand voor de toekomstige volkomene herstelling van Israël. Want hoewel de Heere den teruggekeerden zelfs nog Profeten verwekte en den bouw van Zijn huis bevorderde, zo daalde in den nieuw gebouwden tempel toch niet Zijne heerlijkheid neer, en het volk kwam niet weer, ten minste niet voortdurend, tot zelfstandigheid, maar bleef aan het Heidense wereldrijk onderworpen. En al zijn ook na Ezra nog zeer vele ballingen in hun vaderland teruggekeerd, door welke vooral Galilea weer bevolkt en gebouwd werd, zo bleef toch het grootste deel des volks in de verstrooiing onder de Heidenen. De ware herstelling van Israël als volk des Heeren begon eerst met de stichting van het Nieuwe Godsrijk, het Koninkrijk der hemelen, door de verschijning van Christus op aarde. Daar toch het Joodse volk als zodanig of in zijn geheel Jezus Christus niet als den door de Profeten verkondigden en door God gezonden Messias erkende, maar zijnen Heiland verwierp, zo kwam over Jeruzalem en het Joodse volk op nieuw het oordeel der verstoting onder de Heidenen, terwijl het door Christus gestichte Godsrijk, door het ingaan der gelovig gewordene Heidenen, zich over de aarde uitbreidde. Dit gericht duurt over het in ongeloof verstokte volk der Joden nog voort, en zal voortduren tot den tijd, wanneer na het ingaan van de volheid der Heidenen in het rijk van God ook Israël als volk tot Christus zal worden bekeerd, den gekruisigde als zijnen Heiland zal erkennen, en voor Hem Zijne knieën zal buigen. Dan zal gans Israël (Rom 11:26) uit zijne graven, de graven van zijnen burgerlijken en geestelijken dood, worden opgewekt en in zijn land teruggevoerd.
Even als in het gezicht eerst de mindere zijde wordt voorgesteld (Vers 7 v.), vervolgens de hogere (Vers 9 v.) of juister gezegd, het gescheiden zijn dezer beide zijden onder den vorm van onderscheid in tijd wordt voorgesteld, zo wordt ook in de verklaring het politiek herstel (vs 12 v.) en het geestelijke (Vers 14) duidelijk van elkaar onderscheiden. Het "Ik zal Mijnen Geest in u geven, en gij zult leven" heeft wel zijn voorspel reeds vóór de terugvoering in het vaderland, welke zaak volgens de gehele voorstelling der Schrift ene zekere levendmaking door den Geest te weeg brengt, maar de volkomene vervulling wordt eerst gevonden in de krachtige nederdaling van de gave des Heiligen Geestes, over het gehele volk door Christus, en in de toeëigening van dezen Geest door het volk.
Het is altijd maar tot op zekere hoogte mogelijk in de verklaring deze plaats met de uitleggers mede te gaan. Wij hebben ons moeten veroorloven van hun uitspraken het een of ander weg te laten, en daaraan door ene kleine wending gedeeltelijk een anderen zin te geven dan waarop hun mening eigenlijk uitloopt. Dat komt daarvan, dat over de zaligwording en herstelling van Israël, over de terugvoering des volks in het heilige land en over zijne roeping en zijnen toestand aldaar meestal nog meningen heersen, welke de woorden der Schrift tegenspreken, zo als wij mochten beweren, en welke rusten op ene miskenning der wegen Gods met Zijn uitverkoren volk. Zulke schrijvers zijn er wel is waar heden nog maar weinige, die met verachting en verwerping van de Joden spreken als van een "gepeupel, gelijk aan de Zigeuners, dat onder andere volken zit als bloedzuigende dieren, en die van niets anders dan van dieren kunnen leven. Wat Paulus in Romeinen 11 schrijft is toch van te veel betekenis, dan dat niet het grootste gedeelte van hen ene bekering in de toekomst zou moeten aannemen. Maar nu denkt men zich zowel de middelen en wegen, hoe het tot die bekering komt, als ook den tijd en de wijze der gebeurtenis met de gevolgen, welke het meebrengt, zo als het een ieder lust, zonder grondig de Schrift te onderzoeken en zich door deze te laten leiden. Uitgaande van de veronderstelling, dat Israëls bekering tot Christus ene vrucht zal zijn van eigen zendingswerk tot dit volk, of van allengs rijpende overtuiging, of ook van teruggave des heiligen lands aan de wettige bezitters, verdaagt men het gevolg daarvan tot ene ver af zijnde onbepaalde toekomst, en stelt zich die voor als een overgang tot de nu bestaande, uit de Heidenen zamengebrachte Christelijke kerk, welke overgang dan zal volgen, als de Heidenen in hun geheel Christelijk zullen geworden zijn, en voor wie het heilige land van ondergeschikte betekenis is. Eigenlijk zou het misschien wel het raadzaamste zijn, de kerk zelf voor dat vaderland aan te zien, waarin de Joden ten laatste uit hun verstrooiing zullen terugkeren. Israëls land, zegt een van de bovengenoemde uitleggers, zal zo ver reiken als het Israël Gods de aarde bewoont; en een ander zegt: "de aarde van het ene einde tot het andere en de hemelse heerlijkheid is Israëls erfenis; aan het oude land Kanaän nog enig gewicht te leggen ware een treurig anachronismus. " Wij willen niet alle dergelijke meningen naar hare verschillende schakeringen elk in `t bijzonder voordragen en wederleggen, maar aanstonds onze mening, zo als wij ons die op den weg van Schriftonderzoek gevormd hebben, kort en bondig voorstellen. Toen Israël zijn Messias verwierp en aan het kruis hechtte, toen was dat nog geenszins de volkomene en laatste beslissing des gansen volks, zodat nu reeds de verwerping en verstrooiing zou hebben moeten volgen. Zeker hadden daarin alle drie de hoofdstanden deel, zo als in Openbaring 2:4 wordt gezegd: "Zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels en wierp die op de aarde; " maar toch geschiedde het nog meer door bedrog des satans, die de zinnen der oversten verwarde en het dolle volk mede voortsleepte (Handelingen 3:17. 1 Corinthiërs 2:8 nog had Christus voorbede ruimte (Lukas 23:34 en Zijne toezegging ene plaats, om tot hen Profeten en wijzen en schriftgeleerden te willen zenden (Mattheus 23:34). Eerst met het vervullen van de maat der vaderen door het vermoorden van Jakobus den jongeren tussen den tempel en het altaar, voorafgebeeld door het doden van Zacharias, den zoon van Barachia (Mattheus 23:35), ontstond een toestand, dat tussen Israël en God niet meer Degene stond, die Zijn volk zou zalig maken van hun zonden, zodat Zijn bloed nog meer voor hen sprak, maar integendeel de aanklager (Openbaring 2:10). Israël is van dien tijd overgegeven niet alleen aan het uitwendig gericht, waaronder het nog heden zucht, maar vooral ook aan een inwendig oordeel, zodat het deksel hangt voor zijn hart (2 Corinthiërs 3:14 v.), en het, met uitzondering van enige weinige leden, die verder niets zijn dan ene bestendig nieuwe heenwijzing naar het einddoel der wegen Gods, zich in `t geheel niet bekeren kan. Er ligt een ban op: daarom is ook de zending onder Israël van een zo betrekkelijk gering gevolg; het blijft bij het oordeel, dat bij de verwoesting van Jeruzalem en den tempel, over het volk is gekomen, dat zo zwaar misdaan heeft, en in Openbaring :12 v. op ene zeer opmerkelijke wijze is gesymboliseerd; de Schriftuitleggers hebben echter den zin van dit symbool zo weinig juist erkend. Met langzaam christianiseren, met menselijk werken en overtuigen is bij dat volk, zo hard als een steen, als ijzer, als de duivel, gelijk Luther het heeft genoemd, niets uit te richten, het is op generlei wijze te bewegen; eerst moet de ban worden opgeheven en de verklager uit het midden worden gedaan. Als dat geschied is, en Christus eerst weer tussen Israël en God zal staan, dan zal Gods genade Zich zo heerlijk betonen, als die zich in den verloren zoon krachtig betoonde, toen hij op eens tot nadenken kwam en wederkeerde, en Christus zal aan het gehele Israël gelijktijdig doen, wat Hij te voren aan Paulus op zijnen weg naar Damascus gedaan heeft. Dan zal er een geruis en ene beweging komen onder de verdorde beenderen. Er zal een adem in hen dringen, zodat zij levend worden, en de beenderen zullen te zamen komen, ieder been bij zijn been; wij behoeven er dus ons hoofd niet mede te vermoeien, hoe een te zamenbrengen van alle 12 stammen mogelijk zal zijn. Is deze geestelijke wederopwekking van Israël, even als de toekomstige opstanding der doden, het werk van enen bepaalden, door God in Zijn raadsbesluit Zich voorbehouden tijd, zo komt het er slechts op aan, of Hij in Zijn woord ons iets daarover heeft willen openbaren: en wat zou dan de plaats (Openbaring 2:7) van den strijd van Michaël met den draak, anders willen zeggen, dan dat op bepaalden tijd en ure Michaël, de aartsengel (Daniël 10:13, 21; 12:1) voor het volk zal tusschentreden en zijnen aanklager zal werpen uit den hemel, om voor den waarachtigen Hogepriester plaats te maken? en wat zou het dan te betekenen hebben, dat Christus reeds in de dagen Zijner vernedering op een vast bepaalden tijd van Jeruzalems vertreding door de Heidenen heeft gewezen (Lukas 21:24), en vervolgens ook uit Zijne hemelse heerlijkheid door Zijnen knecht Johannes dezen tijd nauwkeurig heeft bepaald (Openbaring 1:2), zo wij hier op aarde niet mochten weten, wanneer Israëls uur zou geslagen zijn? Het is zeker voor ons, Christenen uit de Heidenen, ene diepe verootmoediging, dat onze tijd nu vervuld is, en onze kerk voortaan niet meer het centraalpunt zal zijn voor het rijk Gods op aarde, maar dat dit zwaartepunt weer naar Jeruzalem zal overneigen. Maar wij zijn toch door Paulus in Rom 11:17, nadrukkelijk genoeg gewaarschuwd, ons niet tegen de takken te beroemen, maar te vrezen, dat wij ook ene zouden worden afgehouwen, en-dit moeten wij toch toegeven-wij merken zo weinig de goedheid en den ernst Gods op; wij zijn er zo welgemoed bij, zelf de hand aan den olijfboom der kerk te slaan, en de takken af te houwen, welke hij heeft voortgebracht; waarom zou God dan niet het recht hebben, de oude takken weer in te enten? Er ligt echter omgekeerd ook een grote troost in, dat de Heere dit voornemen heeft en in korten tijd doen zal. Wat zou er dan van worden, wanneer Hij, die de Heer is in Zijn huis, ganselijk geen welgevallen heeft in de lauwheid, waarmee wij de kerk denken te hervormen, zodat Hij het ganse maaksel uit Zijnen mond spuwt (Openbaring :15 v.), en nu dengenen, die zich door de twee profeten gekweld gevoelen, vrijheid laat, deze getuigen te doden, en hun lijken op de straten der grote stad te werpen, zodat zij onbegraven moeten liggen, wanneer Hij, die in den hemel woont, er niet voor zorgde, dat na drie dagen en een halven, de geest des levens door God weer in de getuigen kon varen (Openbaring 1:7)? Het opstijgen in den hemel in de wolk, dat de vijanden zien, zal wel niets anders te betekenen hebben dan Israëls verheerlijking, wanneer het gezicht van onzen Profeet aan het volk wordt vervuld en het in zijn aards vaderland wordt teruggebracht. Daar heeft het een groot doel te vervullen, eendeels zijn eigen nog jeugdig geloof te bevestigen, en na de dagen zijner rechtvaardiging in de jaren zijner heiligmaking in te gaan; anderdeels ook het oude Woord (Genesis 12:3): "in u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden", op nieuw te vervullen. Aan de wereld toch is een leven uit den dode, als vrucht van Israëls wederaanneming beloofd (Romeinen 11:15); de onderdrukte kerk zal hier niet anders weer kunnen worden verheven, dan wanneer een nieuwe levensgeest van boven weer tot de volken komt, na de zware gerichten, die over hen komen. De kerk heeft ook hier, zo lang de tijd der heidenen duurde, over `t geheel weinig gedaan, opdat de volheid der Heidenen mocht ingaan in het rijk van God, de Heere moet het getal afsluiten voordat het eigenlijk vol is, om Israël niet langer te laten wachten op den tijd der verkwikking van Zijn aangezicht, dan Hij bepaald heeft Het is bovendien eigenlijk niet de kerk, die zendingswerk verricht, het is altijd maar een klein hoopje in de kerk, en alzo is er dan nog ene geheel andere, wel ijverigere en geschiktere zendingsgemeente nodig. Zelfs in de Bijbelverklaringen der gelovige theologie dient er veel toe, om den inhoud van de waarheid der Schrift te bedekken, dan meer om die duidelijk en bepaald is doen kennen. Wat eindelijk de zogenaamde wetenschappelijke kritiek en het hoog geprezene onderzoek eist, doet dikwijls wensen, dat wij er toch eens van bevrijd mochten geraken.
Het is een huishoudkundige regel der natuur, om door één middel vele en velerlei oogmerken te bereiken. Zo is de mond gegeven om er het meest geestelijke en het meest lichamelijke werk mede te doen, om er mede te spreken en te eten. Zo weet God de hoogste en laagste dingen door één en hetzelfde werktuig voort te brengen. Hetzelfde geldt ook de Heilige Schrift, zij is gegeven tot een veilige gids en voor de meest dagelijkse dingen des levens, en voor de hoogste belangen der ziel en der eeuwigheid. En toch nog op ene andere wijze is de Schrift zo eenvoudig als veelomvattend. Even als dezelfde hand door hare onderscheidene vingers op een piano of orgel onderscheidene toetsen of klavieren tegelijk aanslaat, en in lieflijken éénklank hun tonen doet horen, zo verenigt de Heilige Geest, bij voorbeeld in dit hoofdstuk, drieërlei waarheid in éénen greep ons voorstellende: de tijdelijke verlossing van Israël uit de verstrooiing, de geestelijke opwekking van den doden zondaar, of de opstanding der ziel en de opstanding onzer lichamen. Wij kunnen het gezicht der doodsbeenderenvallei op al deze toestanden toepassen; in elk geval moeten wij ze bij de uitlegging voor ogen houden. Nu weten wij dat de opstanding van Christus het beginsel is van alle leven, van alle wedergeboorte, en ook van de opstanding des vleses. Dezelfde kracht, waarin Christus zelf opstond, wordt voortgezet in de wedergeboorte, zodat ieder mens, die bekeerd is, deelt in de opstanding van Christus. Omdat nu de mens bij de wedergeboorte de opstandingskracht van Christus in zich ondervindt, is het duidelijk, waarom de Apostel Paulus zich zelven en anderen beschouwt als nog in de zonde en verloren, wanneer Christus niet ware opgestaan. Hij zegt er eenvoudig mede: "Is Christus zelf niet uit de doden opgestaan, zo kan Hij ook geen ander uit den doden doen opstaan. " Daarom kan ieder bekeerde zeggen: "Ik weet, ik zelf ben getuige dat Jezus uit de doden is opgestaan, want Hij heeft mijne ziel uit den dood opgewekt, en zo ben ik zeker dat Hij het ten laatsten dage mijn lichaam doen zal. " En gelijk nu ziel en lichaam herleven, alzo zal ook Israëls volk herleven uit den dood door de opstanding van Christus. God, die Zijne eenmaal bezochte plaatsen telkens op nieuw bezoekt, om ze door nieuwe openbaring te heiligen en te verheerlijken, zal ook Israël, dat Hij zo menigmaal bezocht, in de laatste dagen andermaal bezoeken, om, na al Zijne oordelen daarover uitgestort te hebben, het al Zijne ontfermingen te doen ondervinden.
Niet minder ligt hierin een bijzonder onderricht voor ieder mens, ten aanzien van de waarachtige bekering, alleszins behartigenswaardig. Hier zien wij, in de eerste plaats, als in ene schilderij, ons voor ogen gesteld, dat wij van nature dood zijn in de zonden en in de misdaden (Efeze 2:1), en dat wij even zo min ons zelven tot een waar geestelijk, Gode welbehagelijk leven herscheppen kunnen, als een dode iets tot zijne herleving kan bijdragen. De mens moge een redelijk en zedelijk wezen blijven, hoe ook anders misvormd en bedorven, en als zodanig verantwoordelijk voor zich zelven en voor al zijn doen, machteloos is hij voor een geestelijk bestaan, en een Ezechiël zelf ziet zich onkundig en onbekwaam om enen doden zondaar tot het leven terug te brengen. De mens heeft wel een oog, maar het is blind voor alle geestelijke onderscheiding, en gesloten voor de rechte beschouwing van God en van zijnen waren toestand; een oor, maar het wordt noch door de lieflijke stem des Evangelies, noch door het donker geluid der wet getroffen; ene tong bezit hij, doch zij vermeldt den lof des Heeren niet, maar spreekt dikwijls zonde en onreinheid uit; het geweten zelfs sluimert vaak of dwaalt, overeenkomstig de blindheid van het verstand; geen wil noch kracht ten goede woont in hem; ten alle tijde is het heersend beginsel, waaruit hij werkzaam is, geneigdheid ten kwade en vijandschap tegen God. Vervreemd zijn wij van het leven Gods, door de onwetendheid, die in ons is, en de verharding onzer harten. Maar hier ontdekken wij dan ook, dat de Heere Zich van middelen bedient, en tevens, welke het zijn, waarvan hij Zich bedienen wil. Het zijn Zijne dienstknechten, welke Hij uitzendt, en gebiedt te profeteren over deze dorre doodsbeenderen. Zij moeten dus niet slechts spreken het woord der waarheid, niet slechts prediken en met luide stemmen uitroepen, maar profeteren, dat is, onder aandrift en leiding des Heeren, als in Zijnen naam spreken en prediken, en op Goddelijk bevel, al is het in de ogen der wereld ene ongerijmdheid, uitroepen: "Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten. " Het zijn de dienstknechten des Heeren, welke tot de dorre doodsbeenderen moeten roepen: "Hoort des Heeren woord! al wat in dat woord geschreven staat, den vloek der wet, den schrik der eeuwigheid, zowel als de lieflijke lokstem des Evangelies. " het zijn des Heeren knechten, welke zonder bedenkingen des vleselijken vernufts, zonder menselijke wijsheid, die dwaasheid is, daaraan gehoorzamen moeten, en voor wier rekening de getrouwe behartiging dezer aangelegenheid ligt. En hier ontdekken wij dan ook eindelijk, dat dit werkt niet ongezegend blijft, hoewel zijne eigenlijke en eindelijke bereiking alleen door des Heeren Geest geschiedt. Die God toch, welke Zijne dienaren zendt en beveelt, heeft ook de belofte van levendmaking gedaan, en hare volvoering in Zijne eigene macht gesteld. Maar spreekt de dienaar des Evangelies op Zijn bevel en in Zijne kracht, dan komt er onder de dorre doodsbeenderen van Godswege beweging en geluid; men ziet en bemerkt in de gemeente ene werking als het rammelen der doodsbeenderen, het is niet meer die zorgeloze gerustheid, dat nadenkeloos voortleven, dat achteloos verwoesten van zich zelven en zijne gelukzaligheid, maar nadenken; angst en kommer ontstaat er, onrust en zorg is er in het geweten, en de geluksbegeerte wordt opgewekt. Gaat de Heere voort, dan worden die doodsbeenderen met zenuwen en pezen overtogen en met ene huid overdekt. Trapsgewijze ontwikkelt zich in de misvormde menselijke natuur iets van het oorspronkelijke beeld; allengs worden alle krachten en werkingen wederom hersteld, om aan des Heeren doel te beantwoorden; het zijn niet meer geheel dode mensen, hoewel er de Geest des levens nog gene woonstede in genomen heeft. Maar eindelijk stort de Heere den Geest des levens in volle mate uit, herschept tot kinderen des lichts, doet Christus ene gestalte in ons krijgen, en ons in volle kracht gevoelen, dat wij uit den dood in het leven zijn overgegaan. Alzo is dan de bekering eens zondaars niet door kracht noch door geweld, maar door des Heeren Geest. Wat de mens niet vermag, dat werkt de genade Gods; dat is ons geopenbaard, opdat wij er de noodzakelijkheid van zouden inzien, opdat wij weten zouden, wat de Heere doen wil, en waarom wij dus te bidden hebben, en opdat wij voor ons zelven niet zouden rusten, zonder die levendmakende werking te kennen, waardoor het leven, dat uit God is, in onze zielen gewrocht zij.
Onmiddellijk na deze belofte volgt ene nadere bepaling, namelijk dat deze belofte de verenigde twaalf stammen en der éénen koning (den tweeden David, den Messias) geldt. Daartoe moest de Profeet twee stukken hout voor de ogen des volks zodanig ineenvoegen, als een timmerman doet, die twee balken zodanig aaneen last, dat zij een vast geheel uitmaken: als zulk een gelast hout dan geschilderd wordt, kan niemand zien dat het gelast is. De Profeten moesten tot het volk meermalen komen met iets zichtbaars, als met de stukken zelf in hun handen. Waar de tien stammen na hun verplaatsing in Assyrië gedurende het verloop der eeuwen gebleven zijn, daarvan vindt men duizend gissingen maar niets zekers. Slechts enkele godvruchtige families, die misschien altijd in Judea, van wege den waren godsdienst gewoond hadden, vinden wij in het Nieuwe Testament onder de uit Babel teruggekeerde Joden. In elk geval zijn de twaalf stammen na de Babylonische gevangenschap evenmin verenigd onder één hoofd, als Israël als volk onder zijn wettigen Davidischen koning is geworden. Wij hebben derhalve de vervulling dezer belofte nog te goed. God zou een verbond des vredes, een eeuwig verbond met hen maken, door het geloof zonder de werken, doch waaruit de werken voortvloeien. Hij zou hen reinigen van hun drekgoden, en schoon zij sedert de Babylonische gevangenschap gene afgoderij bedreven, zo lang zij den Heere Jezus Christus verwerpen, bedrijven zij afgoderij met het geld en het goed dezer wereld, en dienen zij de ijdelheden des levens, welke bij God niet anders zijn den drekgoden. Voorts zou Gods tabernakel bij hen zijn. Daarmee wordt gezegd: dat de tempeldienst niet hersteld zou worden, maar God en het Lam hun tempel wezen zou (Openbaring 1, 22). Zo wordt dan door dit zeven en dertigste hoofdstuk van Ezechiëls profetieën het lot der wereld beslist. Wat God eens heeft liefgehad, dat kan Hij een tijd lang aan zich zelven overlaten, maar niet voor altijd verlaten. Het is daarom met Israël als met ene komeet, welke men in vele jaren, ja soms gedurende eeuwen niet zien kan, doch ziet! op eens, daar komt zij weer. Ja, de bekering van Israël is onmogelijk, en onze opstanding uit de doden is het ook, doch juist dit wil God ons door dit gezicht van Ezechiël leren, evenals een kind, juist door ene zaak te willen doen, die het niet tot stand kan brengen, tot de ondervinding komt, dat hij het niet doen kan. De Schrift leert van Israël en van ons zelven, eerst de dood en daarna het leven, het leven uit den dood. Israël, Jeruzalem, het heilig land, ligt in den dood, maar om weer op te staan. Bij God is daartoe de wil en de macht, en Hij belacht de dwazen, die Hem dien wil en die macht ontzeggen. Hij zal ze eenmaal tot sidderende (mocht het zijn tot aanbiddende) getuigen stellen van Zijne wonderen. Israël heeft niets minder nodig dan zulk ene opstanding, want alle andere voorrechten baten hem niets zonder zijn Messias, deze is zijn leven, en zonder Hem kan hij niets anders zijn dan in den dood. Tegenover het onmogelijke der zaak staat het woord der Schrift: "Alle dingen zijn mogelijk bij God. " Wee onzer, zo wij niet geloven tegen alles aan wat ook onze zielsbehoudenis tot ene onmogelijkheid maakt. Er is bij den Heere ene opeenstapeling van onmogelijkheden, opdat het geloof geoefend worde om evenwel de vervulling van Gods belofte te verwachten. God is getrouw, ook jegens Israël. Doch indien wij het herstel van Israël slechts geestelijk moeten verstaan, dan is geheel dit volk slechts ene figuur, een zinnebeeld, ene schilderij, en zijn de Joden niet meer dan figuurlijke personen, die ons evenals in ene parabel, moeten leren wat waarheid is. Neen, Israël is een wezenlijk volk, en al wat aan dat volk gedreigd en beloofd is, heeft ene wezenlijke vervulling. Doch het volmaakte is niet in het begin, maar in het einde. Eerst het leven, dan de dood, daarna het herleven. En zien wij nu niet op den enkelen Jood, die ons op den weg voorbijgaat, maar op geheel dat volk in zijne nationaliteit, historie en actualiteit of tegenwoordige houding en toestand, ja dan moet ik zeggen: de dorre beenderen, die zo lang stil lagen, beginnen zich te bewegen. Vergeten wij niet, dat hoe nader men tot Christus staat, hoe langer men in den dood moet blijven, ja, maar ook hoe heerlijker de opstanding is. De Heere had Jaïrus dochtertje nooit gezien, en Hij wekte haar op, terwijl zij nog op het bed lag. Hij had den jongeling te Naïn ook nooit gezien, en Hij wekte hem op, terwijl hij nog op de baar lag. Maar Lazarus, dien Jezus liefhad, wekte Hij eerst op uit het graf, na er vier dagen in gelegen te hebben, toen zijne eigene zuster niet meer van hem weten wilde. En nu, wij herhalen wat wij reeds zeiden: De opstanding van den Heere der heerlijkheid zelf is de grondslag en het beginsel van alle de nog te verwachten opstandingen in heerlijkheid. Ja, opstanding uit de doden is het grote einde van alles. Eerst staat Christus op, dan staan de zondige zielen op; ten laatste staan allen op. Het eerste punt (de opstanding van Christus) is het middelpunt, het brandpunt, en rondom dit punt lopen kringen zonder ophouden; ook lopen rondom deze opstanding van Christus de drie genoemde opstandingen tot aan het einde, als wanneer alles is opgestaan. En zie nu op Israël. Het heeft ongeveer zijn getal, zijne hoeveelheid als volk, gedurende de verstrooiing behouden. Het bestaat uit vijf, zes millioen mensen, of iets meer, want de tellingen zijn verschillend; doch het getal is niet groot. Het kenmerk van een familie- of broedervolk is gebleven. Het breidt zich niet meer uit, het conserveert zich enkel. Overal in de wereld zijn de Joden burgers, en toch is het een volk, onvermengd en onvermengbaar met de volken. Ook staat bij Israël alles in dezelfde evenredigheid. Zijne zonde staat in evenredigheid met zijn oordeel, en met zijn oordeel zijn herstel. Daarom draagt Israël, met de belofte van God, het zaad ener nieuwe wereld, in zich. Israël heeft geleefd, is gestorven en zal weer opstaan. Nu, men kan dan ook geen vier duizend jaren oud worden, zonder een tijd lang neer te liggen en te rusten. Ons leven is ook geen gedurig voortleven en voortwerken, maar ene gedurige vernieuwing en opstanding; men gaat des nachts slapen en staat des morgens weer op. Doch in de historie is er voor een volk niet, gelijk voor den enkelen mens, ene lieflijke rust, een natuurlijke slaap; maar een nederliggen in den dood in marteling en lijden naar het lichaam en een nederliggen in den dood naar de ziel. Israël getuigt dan ook wel in zijne gebeden, dat het dood is en dat het herleven zal, doch het gelooft niet in Hem, die zijn Leven is, Christus! Ja, zo onafscheidelijk is bij dit volk het denkbeeld der opstanding uit de doden en het denkbeeld Gods, dat de Joden alle dagen God aanspreken met dezen titel: "God onzer vaderen, die de doden levend maakt" Is niet de cirkel des bestaans reeds in de natuur: leven, sterven, herleven? De zon gaat op, gaat onder en gaat weer op. In de Schrift is het niet anders; daar lezen wij van verkiezing, verwerping en wederaanneming. En zo staan wij dan met Israël voor die ontzettende wereld, welke nederligt in den dood, maar die op het punt staat van te herleven. Ook het land van Israël is tevens als een lijk in het graf, dat bewaard wordt tot den dag der opstanding. Doch hoe duidelijk worden de profetieën, nu de tijden der vervulling naderen! God werkt altijd door gebeurtenissen. En ziet nu, hoe de graven opengaan! Ene nieuwe wereld wordt ontdekt, een leven uit den dood! Ninevé is begraven geworden als een mens, en gelijk een mens opstaat uit den doden, zo staat ook Ninevé op. God gebood haar op te staan, om te getuigen, dat de profetieën waar zijn, als zei Hij met zo vele woorden: "Sta op Ninevé! en zeg dit ongelovig geslacht, dat Ik weer uit het graf kan doen opkomen wat er duizende jaren in begraven lag, en getuigt gij, opgegraven stenen, den wederhorigen, die het levend getuigenis van Mijn woord niet willen aannemen, dat Ik door den mond der Profeten gesproken heb!" Treffend, niet waar, dat de gedenktekenen der profetische oudheid thans de museums der machtigste en grootste volken moeten vullen. Welnu, Ninevé zelf is de profetie, dat al het oude zal herleven, maar niet in den ouden vorm. De oude zaken komen wel weer voor den dag, doch niet in haar vorm, maar in haar wezen. De opstanding is het nieuwe leven uit den ouden zaadkorrel; doch de opstanding zelf is zo waarachtig, dat God het niet alleen bewijst in de opstanding van steden, maar zelf met die steden de grote opstanding begint. Ja, dit zal zo voortgaan, totdat het paradijs weer zal gezien worden en het Jeruzalem Gods weer op aarde hersteld zal zijn (Openbaring 1, 22).
Heerlijk beeld van wat God in Christus talloze malen gedaan heeft en nog onder ons werkt. Zo vaak een zondaar uit zijnen doodslaap één met den Levensvorst werd, herhaalde zich onder talloze vormen in den grond hetzelfde verschijnsel. Wij zijn dan in zeker opzicht dezelfde, maar toch ook geheel anders geworden en groter dan de afstand tussen het graf en de wieg is het onderscheid, dat tussen den ouden mens buiten Christus en den nieuwen mens in Hem bestaat. Vroeger het oog afgewend van God, van zich zelven, van de toekomst, thans de ogen geopend om God en mens, leven en dood, aarde en hemel in het aangezicht en in het hart te staren. Vroeger hard en koud voor den broeder, thans in liefde tot allen ontgloeid, die met ons door éénen Geest zijn geleid en tot ene hope geroepen. Vroeger den voet op den breder weg van zelfzucht en lust, thans den tred op het smalle spoor van zelfverloochening en hemelsgezindheid gericht. Ziet zo aanschouwt de nieuwe mens wat de oude voorbij zag, zo kan de nieuwe mens wat de oude te zwaar vond, zo geniet hij wat hij eenmaal versmaadde, en haat wat hij vroeger beminde. Achter hem ligt het tijdperk van machteloosheid, van moedeloosheid en van liefdeloosheid, vóór hem een leven van kracht en moed, van liefde en reinheid. Hij heeft andere vrienden en andere vijanden dan immer te voren; de onbekende God van voorheen is thans de vriend zijner ziele, de geliefkoosde zonde van weleer is thans de schrik van zijn hart. Ene nieuwe levensvreugd leert hem kennen: Het doen van Gode heiligen wil. Een nieuw levensdoel zweeft hem voor: de verheerlijking Gods in woorden en werken; een nieuw levenseind lacht hem tegen: het einde der rechtvaardigen, die den dood als bevrijder begroeten. Verstand en gevoel, wil en verbeelding, geweten en wandel, het wordt alles, alles door den Geest des levens verlicht, vernieuwd, geheiligd, bekrachtigd. En nu, maar ook nu alleen wordt het leven hem schoon, het lijden het sterven hem zalig. Geest der vernieuwing gene lentelucht zo bezielend als Gij! .