3. En Hij zei tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En Ik zei: Heere HEERE, Gij weet het! Naar menselijk kennen is het onmogelijk, maar bij U zijn alle dingen mogelijk.
Als wij de wereld overzien in al haar ongoddellijk leven en streven, zo doof voor de machtigste roepstemmen, zo blind voor het hemelse licht, zo koud bij wat Engelen van verrukking doen gloeien, dan breidt het tafereel van dit woord zich onwillekeurig uit voor ons oog, en het is ons, als horen wij ons met Ezechiël toeroepen: "mensenkind zullen deze beenderen levend worden?" Ik denk aan u lichtzinnige, die enkel leeft voor de aarde en hare begeerlijkheid; die aan de eeuwigheid niet denkt, dan om de zorg voor de eeuwigheid uit te stellen van de lente tot den zomer, van den zomer tot den herfst uwer dagen; die het lied der gerusten op Zion tot uw morgen- en avondlied maakt: "ik zal wandelen naar de aanschouwing mijner ogen, en toch zal ik vrede hebben. " "Zullen deze beenderen levend worden?" Ik denk aan u, ongevoelige, die ook bij oppervlakkige aandoening inwendig zo afkerig blijft van den geestelijken omgang met God, die door den voorspoed niet door God zijt vertederd; door den onspoed niet voor God zijt gewonnen, die alles wat het Evangelie roerends en lieflijks heeft, hebt aangehoord, toegestemd, vastgehouden, zonder dat het bij u tot waarachtige verandering kwam van beginsel en keuze. Zullen deze beenderen levend worden? Ik denk aan u, trage van hart, die wel van tijd tot tijd uit den zondeslaap opschrikt, maar in plaats van het geneesmiddel telkens opnieuw den slaapdrank in handen neemt, en na ogenblikken van ontroering altijd weer eindigt met de uren te verbeuzelen, op wier vleugelen voor u het heil der eeuwigheid rust. Zullen deze beenderen levend worden! Ik denk maar genoeg. De melding van enkele soorten zou tot den waan kunnen leiden van talrijke uitzonderingen. En daarom zij het met den heiligsten nadruk gezegd: het beeld geldt iederen mens, die het nog niet kan verklaren, dat God hem levend gemaakt en met Christus in den hemel gezet heeft. Kent gij ze niet, mijn medezondaar, die dorheid van binnen, die de Profeet met éénen trek zo sprekend doet uitkomen: de dorheid van een geest, die omdat hij den levenden God niet gevonden heeft, zich afstomt met zoeken naar leven en licht; de dorheid van een hart, dat overal lafenis vroeg, en overal teleurstelling vond; de dorheid van een leven, dat vrucht voor den hemel moest dragen, en van nature gene enkele rijpe vrucht heeft te tonen? Kent gij het niet, dat diep bederf, dat u al het goede ten dode doet worden, en onbeteugeld heerst in het onvernieuwde gemoed, met even weinig eerbied voor ene énige uwer gaven en krachten, als het gewormte voor den dode betoont? Kent gij het niet, kinderen der wereld, dat duister en toch zo drukkend gevoel, dat gij nog nimmer recht hebt geleefd? Wat leven is, gij weet het, het is nog iets anders dan ademen, dan dromen, dan dartelen, dan werken, dan lijden; in dat vijftal woorden was tot nog toe het kort begrip uwer gehele geschiedenis. Leven, het is vol, het is krachtig, het is zalig, het is eeuwig te zijn, dwaze die het zocht in zich zelven, kortzichtige, die het vraagt van de aarde! Even weinig als een dode zich in eigene kracht kan verheffen van zijne sombere sponde; even weinig als de ene prooi des grafs de andere aan het graf kan ontrukken, evenmin kan de zoon van Adam in zich zelven of den broeder het verloren geestelijk leven herstellen. Ja, ook wij boden des levens, "Heere, Gij weet het", zo moeten wij met Ezechiël antwoorden op de vraag, of er aan zoveel dood en verderf nog eenmaal een einde zal komen. En waar wij met dat antwoord de blikken ten hemel hieven, wij slaan ze nogmaals in `t ronde, en zien die allen, die het ware leven in Gods gemeenschap niet kennen, als zovele slaapwandelaars voor onze ogen voorbijtrekken; als slaapwandelaars, die evenmin helder zijn van geest, als bekommerd van harte; die rustig voorttreden, zelfs aan den rand van den gevaarlijksten afgrond, die met verwonderlijke voorzichtigheid ieder struikelblok ontwijken, dat hun rust zou kunnen verstoren, en pas ontwaken uit den sluimer, wanneer hun naam wordt genoemd. Mijn medezondaar, uw naam zweeft op de lippen des Heeren: Zijn krachtige roepstem weerklinke! .
De Heere doet den Profeet de vraag om hem van het onmogelijke er van, op menselijk standpunt geredeneerd, te doen getuigen. Een vallei van doodsbeenderen te veranderen in een dal der levenden is geen mensen werk, is niet iets wat uit den mens voortkomt.
De Profeet weet echter ook, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hem niets te wonderlijk is, dat Hij het is, die het leven te midden van den dood en het licht uit de duisternis doet te voorschijn komen. En daarom geeft Ezechiël niet een antwoord alleen, maar zulk een, waarin het geloof in de mogelijkheid er van ligt opgesloten.