5. Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen, in welke Hij het wat de zaak aangaat met persoonlijke wezens te doen heeft: Ziet, Ik zal den Geest in u brengen, en gij zult levend worden. 6. En Ik zal, zoals dat later in het gezicht met de beenderen, die daar liggen, ook werkelijk zal geschieden (
Vers 7), zenuwen (
Job 10:11) op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en ene huid over u trekken, en den geest, adem in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult, daar gij eigenlijk personen zijt, die in deze beenderen hun type hebben, weten, dat Ik de HEERE ben.
De zekerheid van het heil is verzekerd. Het profetische oog vertoeft nog slechts bij de levendige beschouwing van zijne ontplooiing en ziet met verrukking, hoe het ontstaat, hoe het toeneemt, hoe het onoverwinnelijk groot wordt.
Wij zijn bij ene van de meest grootse en diepstzinnige symbolische voorstellingen van onzen Profeet gekomen, die van vroegeren tijd af hare onwederstaanbare macht over de gemoederen heeft uitgeoefend. Zij toont in een beeld volkomen levendig, wat het woord bij brokstukken van den tijd der nieuwe genade slechts onvolkomen verkondigd had.
De uitleggers zijn het daarin eens, dat volgens Ezechiëls ondubbelzinnige verklaring dit gezicht niet moet worden verstaan van de opstanding der lichamen, maar van de bezieling van het geestelijk dode, maar nog in levenden lijve rondwandelend volk van Israël. Het woord des Heeren bevestigt dit in Vers 11 ten stelligste. Deze beenderen zijn het gehele huis van Israël. Ziet, nu zeggen wij: "onze beenderen zijn verdord en onze hoop is verloren, en het is uit met ons. " Even zeker als Israël met deze klacht "onze beenderen zijn verdord" slechts beeldsprakig wilde zeggen: "wij zijn geheel krachteloos (vgl Psalm 22:15) onze hoop is verloren; wij zijn als volk niet meer te herstellen", zo zeker ook is het doel der zinnebeeldige voorstelling geen ander dan de belofte van de herstelling van het levend dode Israël.
Met recht heeft men er aan herinnerd, hoe wederherstelling van elken aard in de oudheid en ook bij de Hebreën een weer levend worden genoemd wordt, en hoe er geen gepaster beeld was voor den toenmaligen toestand des volks, dan de lichamelijke dood, en voor de herstelling dan de opwekking uit de doden. Voor den Profeet staat een volk, dat zich in zijne hopeloosheid voor verloren houdt; hier nu wil hij met zijn krachtig woord ingrijpen, opdat de diepste verslagenheid tot versterking, tot leven worde. Hoe minder het volk het wilde geloven, des te meer beslist spreekt Ezechiël het uit, Gods Almacht en Geest kan het dode weer levend maken. God is werkelijk dodende en weer levend makende, zo als van Hem geschreven staat (Deuteronomium 32:38. 1 Samuël 2:6 en deze scheppende levenskracht Gods, die zelfs doodsbeenderen weer opwekt, is de grond der verlossing, de oorzaak van Israëls heil. Zo zeker als dat waar is, zo zeker ook het andere. Wanneer dus de gemeente vraagt (Psalm 85:7): "Zult Gij ons niet weer levend maken?" dan luidt het antwoord, dat, gelijk God dat kan, Hij het ook wil (Hosea 13:14).
Die vertroosting moest te krachtiger tot de harten spreken, wanneer hij aan de woorden der wanhopenden zelf, hen bij hun woord aangrijpende, het antwoord tegen allen twijfel ontleende, zo moet de vraag van God aan den Profeet in Vers 3 bij de taal, die Israël volgens vers 11 voert, de wanhoop des volks uit het hart ontlokken, om er ruimte in te maken voor de voorzegging des heils. Langs talloze wegen wil God ons op den weg der bekering geleiden, van talloze zijden grijpt en spreekt Hij slapenden aan, opdat zij de sluimerzieke blikken voor het licht des levens ontsluiten. Nu fluisterend, dan donderend, nu biddend, dan dreigend; nu vaderlijk, dan rechterlijk richt Hij Zich tot hart en geweten. Ja waar gij terugziet op al den weg van uw leven, alles wat God u heeft beschikt en bescheiden, wordt weergalm van Ezechiëls profetie aan uw hart: "laten deze beenderen levend worden. " Hier ene vrome moeder u ontnomen, en daar een dierbaar pand u geschonken; nu ene lieflijke bloem voor uwe voeten ontloken, en dan een scherpe doorn in vlees en bloed u gedrukt; ginds een diepe val, die u aan u zelf moest ontdekken, en elders een pijnlijk gemis, dat uw gebeente van smart deed verouden; heden ene krachtige prediking, die in de ziele u aangrijpt en morgen ene gezegende ontmoeting, die u weken lang stof geeft van peinzen, 't is alles, alles ene Godsstem: "Zondaar, buiten hij is dood en verderf! Schepsel Gods, slechts in God is leven en vrede!" En die stem klonk gene uren of dagen slechts, maar reeds sedert maanden en jaren; zij wordt zelfs het roepen niet moede, waar ons het horen verdroot, zij wordt meer klimmend en klemmend, naarmate de levensdag opkort en de doodsengel rasser zal spreken. voorwaar, voorwaar, onze God is een God, die het dode levend maakt!