4. Toen zei Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.
Het Christendom is ene verwonderlijke zaak, het is een werk, het is een profeteren, een spreken van de Woorden Gods. God zei niet tot den Profeet: "Blijf gij stil zitten. Ik zal het buiten u doen", neen, de Profeet moest profeteren. Aan den anderen kant is het weer geen werk, het is enkele spreken. Daarom is het ene verkeerdheid in den Christen, zelf iets te willen doen, of iets op eigene hand tot stand te willen brengen. Den Heere moeten wij gedurig vragen: "Wat wilt Gij, dat ik doen zal?" anders bouwen wij aan Babels toren. Gesteld eens dat wij zeiden: "wat zullen wij doen om deze doodsbeenderen te doen leven? zullen wij ze door ene galvanische bewerking laten huppelen en springen?" Zouden wij niet dwaas handelen? Laat ons toch in zulke hoog ernstige zaken gene ijdele kunsten vertonen. God alleen kan het leven geven, wij kunnen het niet, en wat zou het ons baten, een gewaand leven te stellen in de plaats van het waarachtig leven? Wij kunnen enkel nazeggen, wat God ons voorzegt. Wie weet het niet, de natuurlijke wijsheid wil zich zelf helpen, door te ontkennen, dat de mens van nature geestelijk dood is door de zonde, en te beweren, dat ieder mens nog een vonk van leven in zich heeft, welke, door haar van de as te ontdoen en er brandstof bij te leggen, weer tot een brandend vuur kan ontvlammen. Doch het is louter zelfbegoocheling. De Schrift spreekt zo niet; zij misleidt den mens niet; zij spreekt in alles de volle waarheid. Zij zegt: dat zo waarachtig, zo volkomen Christus dood was, alvorens Hij opstond, ook de zondaar dood is voor God, alvorens hij door de kracht des Heiligen Geestes bekeerd wordt. "Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord!" Welk een wonder bevel, welk ene dwaasheid voor den natuurlijken mens! Kunnen dan de doodsbeenderen horen? Ja, als God tot hen spreekt, kunnen zij horen. Eigenlijk spreekt God altijd tot hetgeen niet horen kan, maar onder, door en in het spreken doet Hij horen. God zei tot het licht, dat het zij, en het licht kon niet horen, en toch het was er; tot de gevoelloze aarde: "Breng voort, " en de aarde hoorde, en bracht voort. God roept de dingen, die niet zijn, alsof ze waren. Ook gebood Christus Lazarus uit zijn graf te komen, en hij kwam er uit; en ook ons leven hangt er van af, dat Christus tot ons spreekt, gelijk Hij tot Lazarus sprak. Want met den zondaar is het niet anders als met Lazarus. Ook de zondaar kan niet horen, en toch moet hem het Evangelie verkondigd worden, want onder het prediken hoort hij; wij weten niet hoe, maar hij hoort en bekeert zich. Daarom moeten wij, wel verre van de mensen diets te maken, dat zij gene dorre beenderen zijn, hen juist met dien naam noemen, en wel met dien van zeer dorre beenderen, opdat zij weten dat zij het zijn, en zich niet inbeelden, dat zij zonder de prediking zich zelf wel kunnen bekeren, als zij maar willen. Neen, de prediking des Evangelies is ene prediking aan de doden. Christus zegt tot de discipelen: "Predikt het Evangelie allen creaturen. " Creaturen, schepselen, waarlijk geen vleiend woord voor mensen, doch een waar woord. Christus zendt het Evangelie tot de mensen, zo als zij in hunnen natuurstaat zijn, tot gene kinderen Gods, maar tot schepselen Gods, die een natuurlijk leven hebben, maar geen Goddelijk leven, die levend zijn voor zich zelven en voor de aarde, maar dood voor het geestelijk goede en voor hun eeuwige belangen, en daarin gelijk staan met de dierlijke en onbezielde schepping. Daarom staan wij met het woord van God altijd is het midden der doden; ja, als wij waarlijk Christenen zijn, dan wandelen we ook zelven onophoudelijk onder de doden. Doch daarom behoeven wij nu niet moedeloos te worden, en zonder geloof, hoop en liefde te arbeiden, neen! wij hebben slechts bij onzen arbeid te vuriger te bidden tot Hem, die alles spoedig kan veranderen, tot Hem, die de doden levend maken kan en werkelijk levend maakt. Indien toch de Profeet niet onvoorwaardelijk gedaan had, wat God hem beval, maar geredeneerd en gezegd had: "hoe kunnen doodsbeenderen horen?" en dus het bevel Gods niet opgevolgd had, wat zou er het gevolg van zijn geweest? Dat Gods oogmerk niet vervuld ware geworden? Neen, Gods raad zou daarom toch tot stand gekomen zijn, maar niet door dit middel en niet langs dezen weg.