10. En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend 1) (
Genesis 2:7), en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir 2).
1) De voorstelling van het levend worden der dode beenderen in twee acten, is te verklaren uit de aansluiting aan de geschiedenis van de schepping van den mens. Daar dient het om de schepping van den mens, hier om de scheppende wederlevendmaking van Israël duidelijk als een werk van den almachtigen God voor te stellen. Wanneer de met zenuwen, vlees en huid beklede doodsbeenderen niet gestorvenen, maar gedoden, verslagenen worden genoemd, zo blijkt daaruit, dat ons visioen niet de algemene opstanding der doden, maar de opwekking van het gedode volk van Israël moet afbeelden.
De verklaring van ons gezicht als een leerrijk artikel van de lichamelijke opstanding der doden, wordt evenzeer door den zamenhang van de gehele profetische rede bepaald geoordeeld, als de verklaring dat dit alleen op de burgerlijke herstelling des volks na de ballingschap zien zou, blijkt verkeerd te zijn, aan den adem, die de beenderen levend maakt.
2) Zo één feit van de geschiedenis van `t Godsrijk der toekomst, dan moet de hier voorzegde wederlevendmaking en herstelling van Israël ook voorwerp der gezichten van de Openbaring van Johannes zijn; maar waar is in dit Boek de plaats waar zij voorkomt? Voor zover ons bekend is, heeft nog geen uitlegger die bepaald kunnen aanwijzen, hoewel het toch zozeer voor de hand ligt, hier op Openbaring 1:11 te wijzen. Ook daar zijn twee acten beschreven, hoewel op enigszins andere wijze. Wel is van den Geest des levens van God sprake, die in de gedoden voer, zodat deze nu op hun voeten treden. Volgens Openbaring :4, en 14:1, 1 wordt de zeer grote menigte der in `t leven teruggeroepenen berekend op 144. 000 verzegelden. Daarin komt elk der twaalf stammen gelijkmatig met 12. 000 personen voor. Ten opzichte der namen van de stammen is tussen Openbaring :5-8; Juda, Ruben Gad, Aser, Nafthali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef, Benjamin; en Ezechiël 48:1-28 : Dan, Aser, Nafthali, Manasse, Efraïm, Ruben, Juda, Benjamin, Simeon, Issaschar, Zebulon, Gad, een onderscheid, dat wij voor heden alleen noemen, en later verklaard zal worden. Als dood des volks merkt Baumgarten bij onze afdeling op, zal volgens de wet de als hoogste en laatste straf uitgesprokene scheiding van Israël van zijn land of de ballingschap moeten worden gehouden, deze ziet het Oud-Testamentisch bewustzijn aan als den dood, daar ieder in `t bijzonder tot zijn lichaam in betrekking staat, als het volk tot zijn land, en het van hem gescheiden land aan de vreeslijkste verwoesting is overgegeven evenals het ontzielde menselijk lichaam. En nu is, zoals van Hoffmann juist zegt, op onze plaats niet zozeer de nieuwheid des levens voorgesteld, waarin, als integendeel de volkomenheid van den toestand des doods, uit welken Israël weer moet worden hersteld.