Genesis 16:10-14
Wij kunnen veronderstellen dat Hagar, toen de engel haar de goede raad had gegeven, om weer te keren tot haar vrouwe, vers 9, terstond beloofde dit te zullen doen, en haar aangezicht huiswaarts richtte, en toen ging de engel verder en bemoedigde haar met een verzekering van de zegen, die God voor haar en haar zaad bereid had, want God zal hen tegenkomen met een zegen, die terugkeren tot hun plicht: "Ik zei: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde," Psalm 32:5.
Hier is:
I. een voorzegging betreffende haar nakomelingen, die haar gedaan wordt om haar te vertroosten in haar tegenwoordig leed. Zie, gij zijt zwanger, en daarom is het hier geen passende plaats voor u. Het is voor zwangere vrouwen zeer troostrijk te denken, dat zij onder de bijzondere belangstelling en zorg staan van de Goddelijke voorzienigheid. God neemt genadig zulk een geval in aanmerking, en richt er Zijn steun naar in. De engel nu:
1. Verzekert haar van een goede, veilige verlossing, en wel van een zoon, naar de begeerte van Abram. Haar schrik en daarop gevolgde omzwerving zouden haar hoop op kroost hebben kunnen vernietigen, maar God heeft niet naar haar dwaasheid met haar gehandeld, gij zult een zoon baren, zij was veilig en behouden in het baren, niet slechts door Gods voorzienigheid, maar door Zijn belofte.
2. Hij geeft een naam aan haar kind, hetgeen zowel voor haar als voor het kind een eer was. Noem hem Ismaël, God zal horen en de reden ervoor is, dat de Heere gehoord heeft, Hij heeft gehoord, en daarom zal Hij horen. De ervaring, die wij gehad hebben met Gods tijdige goedheid jegens ons in onze benauwdheid, behoort ons aan te moedigen, om in gelijke nood op een zelfde hulp te hopen Psalm 10:17. Hij heeft uwe verdrukking aangehoord. Zelfs daar waar slechts weinig geroep is van Godsvrucht, hoort de God des ontfermens genadig het geroep van de verdrukking. Tranen spreken even goed als woorden. Dit spreekt van troost tot de verdrukten dat God niet slechts ziet wat hun verdrukking is, maar wat het zegt. Tijdige hulp ten dage van de benauwdheid moet altijd met dankbaarheid aan God herdacht worden. Op zulk een tijd en in die nood of benauwdheid "hoorde de Heere de stem mijner smekingen, als ik tot Hem riep," Psalm 31:23. Zie Deuteronomium 26:7.
3. Hij belooft haar een talrijk nakroost vers 10. Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, Vermenigvuldigende, zal Ik het vermenigvuldigen, dat is: het vermenigvuldigen in elke tijd, zodat het bestendigd zal worden. Men onderstelt dat de Turken van onze tijd afstammelingen zijn van Ismaël, en zij zijn een groot, talrijk volk. Dit was ook ingevolge de belofte, gedaan aan Abram, Hoofdstuk 13:16 :Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde. Vele kinderen van Godvruchtige ouders hebben, om hunnentwil, een ruim deel van algemene zegeningen, hoewel zij, evenals Ismaël, niet opgenomen zijn in het verbond, velen zijn vermenigvuldigd, die niet zijn geheiligd.
4. Hij zegt welke aard het kind hebben zal, die hoe zij ons ook moge voorkomen, haar wellicht niet ongevallig was, vers 12. Hij zal een woudezel van een mens zijn, ruw en stoutmoedig, voor niemand bevreesd, ongetemd, onhandelbaar, vrij levende, ongeduldig onder dienst of bedwang. De kinderen van de dienstmaagd, die buiten het verbond met God zijn, zijn naar hun geboorte als het veulen van een woudezel, het is genade, die de mensen temt, hen beschaaft, hen verstandig en tot iets van nut maakt. Er wordt voorzegd:
a. dat hij in strijd zal leven, in een toestand van krijg, zijn hand zal tegen allen zijn, dat is zijn zonde, en de hand van allen tegen hem, dat is zijn straf. Zij, die van een onstuimiger aard zijn moeten dikwijls een onrustig leven leiden, zij, die tergend, prikkelend en beledigend zijn voor anderen, moeten verwachten met hun eigen munt betaald te krijgen. Hij, van wie hand en tong tegen allen zijn, zal bevinden, dat de hand en tong van allen tegen hem zijn, en hij heeft geen reden om hierover te klagen.
b. Dat hij echter in veiligheid zal leven, en zich tegenover de ganse wereld zal kunnen handhaven, hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen, hoewel bedreigd en beledigd door al zijn naburen, zal hij toch stand houden en om Abram's wil, meer dan om zijns zelfs wil zullen zij hem verdragen. Dienovereenkomstig lezen wij, Hoofdstuk 25:18 dat hij gestorven is zoals hij geleefd heeft, voor het aangezicht van zijn broeders. Er zijn velen, die door hun eigen onvoorzichtigheid aan veel gevaar zijn blootgesteld, maar door de Goddelijke voorzienigheid wonderlijk bewaard blijven, zo veel beter is God voor hen dan zij verdienen die niet slechts hun leven verbeuren door zonde maar het nog moedwillig in de waagschaal stellen.
II. Hagars vrome opmerking omtrent Gods genadige verschijning aan haar, vers 13, 14. In hetgeen zij zei valt op te merken:
1. Haar eerbiedige aanbidding van Gods alwetendheid en voorzienigheid met toepassing op haarzelf, zij noemde de naam des Heeren die tot haar sprak, dat is: aldus deed zij belijdenis van Zijn naam, dit zei zij tot Zijn lof: Gij God ziet mij. Dit zal voortaan voor haar Zijn naam wezen, en dit Zijn gedachtenis waaraan zij Hem, zolang zij leeft, zal kennen en gedenken: Gij God ziet mij. De God, met wie wij te doen hebben, is een ziende, een alziende God. God is (naar de ouden het hebben uitgedrukt) een en al oog. Wij behoren dit te erkennen met toepassing op onszelf. Hij, die alles ziet, ziet mij, zoals David in Psalm 139:1. "Heere, Gij doorgrondt en kent mij." Een gelovig acht geven op God als een God, die ons ziet, zal ons van groot nut wezen bij ons terugkeren tot Hem. Het is een gepast woord voor een boetvaardige:
a. "Gij ziet mijn zonde en dwaasheid". Ik heb gezondigd voor u, zegt de verloren zoon, in Uwe ogen, zegt David.
b. "Gij ziet mijn smart en verdrukking", hierop inzonderheid doelt Hagar. Als wij door onze eigen dwaasheid in moeite en verdriet zijn gekomen, heeft God ons toch niet verlaten.
c. "Gij ziet de oprechtheid en de ernst van mijn terugkeer en van mijn berouw. Gij ziet mijn verborgen treuren over de zonde, mijn verborgen smachten naar U."
d. "Gij ziet mij, als ik van U wijk", Psalm 44:21, 22. Dit denkbeeld moest ons altijd weerhouden van zonde en ons opwekken tot onze plicht: God ziet mij.
2. Haar nederige bewondering van Gods gunst jegens haar: Heb ik ook hier gezien naar dien, die mij aanziet? Heb ik hier de achterste delen gezien van Hem, die mij ziet? Zo zou dit gelezen kunnen worden, want het woord is ongeveer gelijk aan dat in Exodus 33:23. Zij heeft niet van aangezicht tot aangezicht gezien, maar als `door een spiegel in een duistere rede," 1 Corinthiërs 13:12. Waarschijnlijk wist zij niet wie het was, die met haar sprak, voordat hij van haar wegging, zoals Richteren 6:31, 22, 13:21,. en toen zag zij hem na met de gedachte van de twee discipelen Lukas 24:31, 32. Of: heb ik ook hier gezien naar dien, die mij aanziet? De gemeenschap die heilige zielen hebben met God, bestaat hierin, dat zij met het oog des geloofs zien op Hem, als op een God, die met een oog van gunst en genade ziet op hen. De omgang wordt onderhouden door het oog. Het voorrecht van gemeenschap te hebben met God moet verwondering en bewondering in ons wekken, in aanmerking genomen wie en wat wij zijn, die tot deze gunst worden toegelaten. "Heb ik, ik die zo gering en onwaardig ben?" 2 Samuël 7:18. Dit voorrecht moet ook bezien worden met betrekking tot de plaats, waar wij aldus bevoorrecht zijn: ook hier? Niet slechts in Abram's tent en bij zijn altaar, maar ook hier, in deze woestijn? Hier, waar ik dit nooit verwacht zou hebben, waar ik buiten de weg was van mijn plicht? Heere, wat is het? Johannes 14:22. Sommigen nemen het antwoord op deze vraag in ontkennende zin, en beschouwen het dus als een berouwvolle gedachte: "Heb ik ook hier in mijn benauwdheid en verdrukking naar God gezien. Neen, ik was even zorgeloos en achteloos ten opzichte van Hem als ik altijd placht te wezen, en toch heeft Hij mij aldus bezocht en aangezien", want dikwijls voorkomt God ons met Zijn zegeningen, en wordt Hij gevonden van hen, die naar Hem niet vroegen, Jesaja 65:1.
III. De naam, die zij aan deze plaats heeft gegeven, vers 14. Beër Lachai-Roï, "De put van Hem, die leeft en mij ziet." Het is waarschijnlijk, dat Hagar die naam er aan gegeven heeft, en dat hij nog zeer lang daarna aldus genoemd werd in `perpetuam rei memoriam "- tot een blijvende herinnering aan deze gebeurtenis. Dit was de plaats, waar de God der heerlijkheid getoond heeft welk een zorg Hij droeg voor een arme vrouw, die in nood en benauwdheid was. Hij, die de Alziende is, is ook de Eeuwig-levende, Hij leeft en ziet ons. Zij die genadiglijk toegelaten worden tot gemeenschap met God en tijdige hulp en vertroosting van Hem ontvangen, moeten aan anderen vertellen, wat Hij gedaan heeft voor hun ziel, ten einde hen aan te moedigen om Hem ook te zoeken en op Hem te bouwen. Gods genadige openbaringen van zichzelf aan ons moeten in eeuwige gedachtenis bij ons blijven, en nooit vergeten worden.