2 Koningen 2:1-8
Elia's tijden en de gebeurtenissen, die hem betroffen, zijn even weinig gedateerd als die van sommige andere grote mannen in de Schrift. Er wordt ons niets gezegd van zijn ouderdom noch in welk jaar van Achabs regering hij het eerst optrad noch in welk jaar van Joram's regering hij verdween, en daarom kunnen wij niet weten, hoelang hij gebloeid heeft, men onderstelt dat het in het geheel twintig jaren is geweest. Hier wordt ons gezegd:
I. Dat God bepaald had hem met een onweer ten hemel op te nemen, vers 1. Hij wilde het doen, en waarschijnlijk heeft Hij hem enige tijd tevoren bekendgemaakt met Zijn voornemen, om hem weldra weg te nemen van de wereld niet door de dood, maar door hem met lichaam en ziel op te nemen in de hemel, zoals Henoch, hem slechts zo'n verandering doende ondergaan om een inwoner te zijn van die wereld van de geesten, en zoals zij ondergaan zullen, die bij Christus' wederkomst levend gevonden zullen worden. Het komt ons niet toe te zeggen waarom God Elia zo bijzonder boven alle andere profeten heeft willen eren, hij was "een mens van gelijke bewegingen als wij," hij heeft zonde gekend, en toch de dood niet gesmaakt. Waarom is hij aldus verhoogd, aldus onderscheiden, als een man tot wiens eer de Koning van de koningen een welbehagen heeft? Wij kunnen onderstellen dat God hierin:
1. Terugzag op zijn vroegere diensten, die groot en buitengewoon waren, een beloning daarvan bedoelde en een aanmoediging voor de zonen van de profeten om te wandelen in zijn voetstappen van ijver en getrouwheid, en, wat het hun ook mocht kosten, te getuigen tegen het bederf van hun tijd.
2. Neerzag op de tegenwoordige donkere en ontaarde toestand van de kerk, en aldus een zeer duidelijk en merkbaar bewijs wilde geven van een leven na dit leven, om het hart van de gelovigen naar boven te trekken, naar Hem en naar dat andere leven.
3. Voorwaarts zag naar de Evangeliebedeling, en in de wegneming van Elia een type gaf van de hemelvaart van Christus en de opening van het koninkrijk van de hemelen voor alle gelovigen. Door geloof en gebed had Elia veel gemeenschap met de hemel, en nu is hij erin opgenomen om ons te verzekeren dat wij, zo onze wandel in de hemel is terwijl wij op aarde zijn, weldra daar zullen zijn, de ziel-dat is de mens-zal er zalig wezen tot in eeuwigheid.
II. Dat Elisa had besloten hem, zolang hij op aarde was, aan te kleven en hem niet te verlaten. Elia scheen verlangend zich van hem te ontdoen, wilde hem laten achterblijven te Gilgal, te Bethel, te Jericho, vers 2, 4, 6. Sommigen denken dat het was uit nederigheid. Hij wist welke eer God voor hem bestemd had maar wilde er zich niet op verheffen, begeerde niet dat zij door mensen gezien zou worden. Gods gunstgenoten staan er niet naar dat het voor de mensen uitgebazuind zal worden, dat zij dit zijn, zoals de gunstelingen van aardse vorsten zo graag doen. Of liever, het was om hem op de proef te stellen, en zijn standvastig blijven bij hem des te meer loffelijk te maken, zoals Naomi's poging om Ruth tot teruggaan te bewegen. Tevergeefs smeekt Elia hem hier te blijven, en daar te blijven, hij besluit nergens anders dan bij zijn meester te blijven totdat hij naar de hemel gaat en hem achterlaat op deze aarde, wat er ook van kome, ik zal u niet verlaten, en waarom wil hij hem niet verlaten? Niet alleen omdat hij hem liefheeft, maar 1. Omdat hij begeerde door zijn heilige, hemelse gesprekken gesticht te worden zolang hij op aarde bleef, die waren hem altijd nuttig geweest, maar, naar wij kunnen onderstellen, nu meer dan ooit. Wij moeten elkaar al het geestelijke nut doen dat wij kunnen, en zoveel mogelijk geestelijk nut van elkaar ontvangen, terwijl wij bij elkaar zijn, omdat wij toch slechts voor een wijle bij elkaar zijn.
2. Omdat hij overtuigd wilde zijn van zijn heengaan, hem zien toen hij opgenomen werd, opdat zijn geloof bevestigd zou worden, en zijn bekendheid met de onzichtbare wereld zou toenemen. Hij had lang Elia gevolgd, en hij wilde hem nu niet verlaten, nu hij op een zegen hoopt bij het scheiden. Laat hen, die Christus volgen, niet achterblijven door ten laatste moede te worden.
III. Dat Elia vóór zijn heengaan de profetenscholen bezocht en afscheid nam van de profeten. Het schijnt dat er in vele steden van Israël zulke scholen waren, waarschijnlijk zelfs in Samaria. Hier vinden wij zonen van de profeten en wel in grote getallen, zelfs te Bethel, waar een van de kalveren was opgericht, en te Jericho dat onlangs herbouwd was in trotsering van de Goddelijke vloek. Te Jeruzalem en in het rijk van Juda hadden zij priesters en Levieten en de tempeldienst, het gemis waarvan in het rijk van Israël God genadig vergoed heeft door deze scholen, waar mannen opgeleid werden voor de Godsdienst en er voor gebruikt werden, en waar vrome mensen heengingen ter viering van de plechtige feesten met gebed en het horen van het woord, als zij geen gelegenheid hadden voor offeranden en reukwerk en zo bleef in een tijd van algemene afval de Godsdienst toch nog in stand. Er was veel van God onder deze profeten, en de kinderen van de eenzame waren meer dan de kinderen van de getrouwde, geen van al de hogepriesters was te vergelijken met deze twee grote mannen Elia en Elisa, die, voorzover wij weten, nooit de dienst in de tempel hebben bijgewoond Deze kweekplaatsen van Godsdienst en deugd, voor welker stichting Elia waarschijnlijk het middel is geweest, gaat hij thans vóór zijn wegneming bezoeken om hen (de profeten, die er opgeleid werden) te onderrichten, te bemoedigen en te zegenen. Zij, die zelf naar de hemel gaan, moeten zorg hebben voor hen, die zij op aarde achterlaten, hun hun ervaringen hun getuigenis, hun raad en hun gebed nalaten 2 Petrus 1:15. Toen Christus triomferend gezegd heeft: Ik ben niet meer in de wereld, heeft Hij er met tederheid bijgevoegd: maar deze zijn in de wereld. Vader! bewaar hen.
IV. Dat de zonen van de profeten bericht hadden (hetzij van Elia zelf, of door de geest van de profetie in sommigen van hun gezelschap) of door het plechtige van Elia's afscheid vermoedden, dat hij nu weldra weggenomen zou worden, en:
1. Zij zeiden het aan Elisa, beide te Bethel vers 3, en te Jericho, vers 5. Weet gij dat de Heere heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? Dit zeiden zij, niet als om hem zijn verlies te verwijten, of omdat zij verwachtten dat hij, als zijn meester heengegaan zou zijn, met hen op gelijke voet zou komen, maar om te tonen hoe hun gedachten vervuld waren van deze zaak, dat zij in spanning waren omtrent deze gebeurtenis, en om Elisa te vermanen om zich voor te bereiden op dit verlies. Weten wij niet dat onze naaste bloedverwanten, onze dierbaarste vrienden weldra van ons weggenomen moeten worden? De Heere zal hen wegnemen, wij verliezen hen niet vóór Hij hen oproept, wiens zij zijn. Hij neemt de meerderen weg van ons hoofd, de minderen van onze voeten, de gelijken uit onze armen, laat ons daarom zorgvuldig de plicht volbrengen van elke betrekking, opdat wij er met vertroosting aan kunnen denken, als de banden aller betrekkingen los worden gemaakt. Elisa wist het maar al te goed, en te dien opzichte had droefheid zijn hart vervuld (zoals van de discipelen in een gelijk geval, Johannes 16:6, en daarom was het niet nodig het hem te zeggen, wilde hij het ook niet graag horen, wilde hij niet gestoord worden in zijn bepeinzing van die grote gebeurtenis, of ook maar in het minst afgeleid worden van het dienen van zijn heer, ik weet het ook wel, zwijgt gij stil. Hij zegt dit niet gemelijk of in minachting van de zonen van de profeten, maar als een man, die zelf kalm en bedaard was, en wilde dat zij het ook zijn zullen, om in eerbiedig zwijgen de gebeurtenis af te wachten, "ik weet het, zwijgt," Zacheria 2:13.
2. Zij gingen zelf om er op een afstand getuigen van te zijn, hoewel zij er niet dichtbij mochten wezen, vers 7. Vijftig van hen stonden van verre om te zien, bedoelende hun nieuwsgierigheid te bevredigen, maar God heeft het zo gewild, opdat zij ooggetuigen zouden zijn van de eer, door de hemel aan die profeet aangedaan, die door de mensen veracht en verworpen was. Gods werken zijn onze aandacht wel waardig, als een deur geopend is in de hemel, dan roept de stem kom hier op, en Ik zal u tonen hetgeen geschieden moet.
V. Dat de wonderdadige verdeling van de Jordaan de inleiding was tot Elia's overbrenging in het hemelse Kanaän, zoals zij het geweest is van Israëls ingang tot het aardse Kanaän vers 8. Hij moet naar de overzijde van de Jordaan gaan, om weggenomen te worden, omdat dit zijn geboorteland was, en om dicht bij de plaats te zijn, waar Mozes gestorven is, en opdat aldus eer gelegd zou worden op dat deel van het land hetwelk het meest geminacht was. Hij en Elisa zouden in een veerboot over de Jordaan hebben kunnen gaan, zoals andere reizigers, maar God wilde Elia bij dit zijn heengaan grootmaken, zoals Hij Jozua groot gemaakt heeft door de verdeling van deze rivier bij zijn intocht in Kanaän, Jozua 3:7. Gelijk Mozes met zijn staf de zee heeft gekliefd, zo heeft Elia met zijn mantel de Jordaan gekliefd, beide waren de insignes van hun ambt. Deze wateren zijn vanouds geweken voor de ark, nu voor de mantel van de profeet, die voor hen, die de ark misten, een gelijk teken was van de Goddelijke tegenwoordigheid. Als God Zijn getrouwe gelovigen opneemt in de hemel, dan is de dood de Jordaan, die zij onmiddellijk vóór hun opneming door moeten, en zij vinden er een weg doorheen, een veilige en troostrijke weg. De dood van Christus heeft die wateren verdeeld, opdat de vrijgekochten des Heeren er doorheen kunnen gaan. Dood, waar is uw prikkel? waar is uw verschrikking?