22. Nu was de hand des HEEREN tot ene buitengewone werking Gods op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijnen mond opengedaan, zodat ik reeds den gehelen nacht door weer had kunnen spreken, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd door den Heere tengevolge dier wonderbare werking ook voor het vervolg mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom, gelijk mij dat in
Hoofdstuk 3:26,
24:27 was opgelegd.
De chronologische nauwkeurige opgaaf, wanneer de bode met het bericht van Jeruzalems val was aangekomen, dient om het tijdpunt aan te wijzen, waarop het keerpunt tot onverhinderd spreken en profeteren voor den Profeet was gekomen.
In het begin zijner profetische werkzaamheid verkreeg de Profeet van God de aanwijzing, dat hij, om haar te volbrengen, vooreerst niet onder het volk moest gaan, maar zich in zijn huis moest terugtrekken, en daar wachten totdat de Israëlieten tot hem zouden komen; en dat hij ten tweede zich stom moest houden, niet uit eigen begeerte, maar alleen dan wanneer God hem een bepaald woord gaf, om in den naam Gods tot het volk te spreken. Het was nu toch geen tijd meer, dat God Profeten tot Israël zond om ze te zoeken, en door herhaalde vermaning tot bekering op te wekken. Er blijft alleen nog over, dat hun het oordeel wordt aangekondigd, en dan moet de Profeet in zijn teruggetrokken zijn en zijn stom gedrag tevens het uiterlijke van een ongeluksbode aan zich hebben. Zo ging het tot Hoofdstuk 24:25, met welk tijdstip ene verandering begon, dat hij tot en over Israël in het geheel niet meer, maar alleen nog over buitenlandse volken sprak, omdat hem in het geheel gene woorden meer van de eerste soort, en nog alleen woorden van de laatste voort werden gegeven. Nu bracht echter de bovengenoemde reden, waarom God hem zulk een stom zijn had opgelegd, het van zelf mede, dat zulk een gedrag na het begin der katastrofe en het bekend worden daarvan, niet meer nodig noch gepast was voor den kring der hoorders. Integendeel was het van nu aan nodig het aangevangen gericht te leiden tot ene ware boete, en de boetvaardigen door belofte van toekomstige ontferming en latere wederherstelling te vertroosten. Nu moest de Profeet voortaan omgekeerd de Israëlieten nalopen, onafgebroken door zijn woord hun hart zoeken, en zich aan hen ook niet meer als een donkere bode des onheils, maar als een voorzegger van toekomstig heil, in het openbaar vertonen. Nog in den nacht vóór de aankomst des ontkomenen, kwam, opdat Ezechiël met hem zou kunnen spreken, de hand des Heeren over hem, en deed hem den mond open, om niet meer te verstommen; gaf hem dus de vrijheid en mogelijkheid om te spreken, wanneer hij wilde, voor `t vervolg terug. Nu toch moest hij de harten des volks tot boete dringen en de boetvaardigen door beloften vertroosten. Dat deed hij dan ook later in voortdurende opklimming door de woorden Gods, welke hij van tijd tot tijd ontving en predikte.
Reeds in den nacht vóór de aankomst des ontkomenen, volgde de opening van den mond des Profeten, die sedert Hoofdstuk 24:27 gesloten was, alsof het zegel er was afgenomen. De voorspellende werkzaamheid begint eerst nadat de ontkomene was ontmoet, wiens aankomst de bode was voor het ontvangen van nieuwe openbaringen. Eerst nadat de gehele dood, de vernietiging van alle aardse verwachtingen, hem voor ogen was getreden, kon de aankondiging van de vrolijke opstanding volgen.
Het is opmerkelijk, dat Eerst (op den 5den dag der 10de maand) in het twaalfde jaar het bericht van de verwoesting der stad (die op den 10den dag der 5e maand in het 11de jaar had plaats gehad), tot de ballingen in Tel Abib kwam; maar bijna 1 1/2 jaar kunnen bij de van Babel zo ver gelegene verblijfplaats des Profeten zeer goed zijn verlopen, voordat het bericht daar aankwam.
Van den eersten tot den laatsten dag der belegering van Jeruzalem kon natuurlijk geen bericht van de belegerden tot de gevangenen aan den Chaboras komen.
De gevangenen in Chaldea mochten niet gaan, waarheen zij verkozen; hun woonplaatsen werden hun aangewezen. Langzamerhand verkregen zij meer vrijheid.
De hand des Heeren kan ook op ene andere wijze worden gevoeld, de ziel versterkende en de geest verheffende tot de eeuwige dingen. O! dat ik in dit opzicht moge ervaren, dat de Heere met mij bezig is! Het bewustzijn der Goddelijke tegenwoordigheid en de inwoning, draagt de ziel ten hemel als op arendsvleugelen. In zulke tilden zijn wij ten boorde toe gevuld met geestelijken blijdschap, en vergeten wij de zorgen en verdrietelijkheden der aarde. De Onzienlijke is nabij, en het zienlijke verliest zone kracht over ons; het dienstbare lichaam wacht aan den voet van den berg, en de meestergeest aanbidt op den top, in de tegenwoordigheid des Heeren. O! dat een geheiligd tijdstip van goddelijke gemeenschap mij worde geschonken! De Heere weet hoezeer ik dat van node heb. Mijne genadegaven falen, mijn bederf woelt, mijn geloof is zwak, mijne toewijding ir gebrekkig; deze allen zijn redenen, waarom Zijne hand ter genezing op mij gelegd is. Zijne hand kan de hitte verkoelen van mijn brandend hoofd, en den angst stillen van mijn kloppend hart. Die heerlijke rechterhand, die de wereld formeerde, kan mijn gemoed herscheppen, de onvermoeide hand, die de grootse pijlers der aarde draagt, kan mijn geest schragen; de liefdevolle hand, die al Zijne heiligen omsluit, kan ook mij omvatten; en de machtige hand, die den vijand verbreekt, kan ook mijne zonde overwinnen. Welaan, mijn ziel! wend u tot God met den machtigen pleitgrond, dat Jezus handen doorboord zijn voor uwe zaligheid, en gij zult ongetwijfeld ervaren, dat dezelfde hand op u wordt gelegd, die eenmaal Daniël aanraakte, en hem op zijne knieën stelde om hem de gerichten zijns Gods te doen zien.