2 Koningen 25:1-7
Wij lieten koning Zedekia in opstand tegen de koning van Babel, Hoofdstuk 24:20, bedoelende en pogende zijn juk af te werpen, toen hij daartoe volstrekt niet bij machte was, en ook de rechte methode er niet toe aanwendde door eerst God tot zijn vriend te maken. Nu hebben wij hier een bericht van de noodlottige gevolgen dier poging.
I. Het leger van de koning van Babel sloeg het beleg voor Jeruzalem, vers 1. Wat kon hen hinderen, nu het land reeds in hun bezit was? Hoofdstuk 24:2.
Zij bouwden daartegen sterkten rondom, vanwaar zij door de krijgskunst, die zij toen bezaten, het beschoten, er werktuigen des doods in wierpen, en er het nodige levensonderhoud uit hielden.
Vroeger was Jeruzalem omringd door de gunst van God als met een rondas, maar nu was hun schaduw, dat is hun bescherming, van hen geweken, en hun vijanden omringden hen van alle kanten.
Zij, die door de zonde God er toe gebracht hebben om hen te verlaten, zullen bevinden dat kwaden zonder getal hen zullen omgeven.
Twee jaren heeft dit beleg geduurd, eerst trok het leger zich terug uit vrees voor de koning van Egypte, Jeremia 37:11, maar bemerkende dat hij niet zo machtig was als zij dachten, keerden zij spoedig terug met het vaste besluit niet weg te trekken van de stad, vóór zij er zich meester van gemaakt hadden.
II. Gedurende dit beleg heerste er grote hongersnood in de stad, vers 3,, zodat zij gedurende lange tijd hun brood met gewicht en met kommer aten, Ezechiël 4:16.
Aldus werden zij gestraft voor hun gulzigheid en overdaad, hun zatheid van brood en hun zich weiden zonder vreze, eindelijk was er geen brood voor het volk des lands, dat is voor het gewone volk, de krijgslieden, waardoor zij verzwakt werden en ongeschikt voor de dienst.
Uit gebrek aan voedsel aten zij nu hun eigen kinderen, zie dit voorzegd door de profeet Ezechiël 5:10, en beweend door een anderen, Klaagliederen 4:3 en verv.
Jeremia heeft de koning ernstig aangeraden om zich over te geven, Jeremia 38:17, maar zijn hart was verhard tot zijn verderf.
III. Eindelijk werd de stad stormenderhand ingenomen, zij werd doorgebroken, vers 4.
De belegeraars maakten een bres in de muur, door welke zij met geweld naar binnendroegen, de belegerden, niet instaat de stad langer te verdedigen, poogden haar zo spoedig mogelijk te verlaten, velen waren ongetwijfeld reeds over de kling gejaagd, daar het zegevierende leger zeer verbitterd was door hun hardnekkigheid.
IV. De koning, zijn gezin en al zijn rijksgroten vluchtten in de nacht langs een verborgen weg, die de belegeraars 6f niet hadden ontdekt, of waar zij nu het oog niet ophielden, vers 4. Maar zij, die wanen aan Gods oordelen te kunnen ontkomen, misleiden zich evenzeer als zij, die denken ze te kunnen trotseren, de voeten van hem, die ze ontvlucht, zullen even gewis falen als de handen van hem, die er tegen strijdt, als God oordeelt zal Hij overwinnen.
Er werd de Chaldeën bericht gegeven van des konings vlucht, en welke weg hij had ingeslagen, zodat zij hem spoedig achterhaalden, vers 5.
Zijn lijfwacht werd verstrooid, ieder zorgde voor zijn eigen veiligheid. Had hij zich onder Gods bescherming gesteld, dan zou die hem nu niet gefaald hebben. Spoedig viel hij de vijanden in handen en nu wordt ons gezegd wat zij met hem deden.
1. Hij werd tot de koning van Babel gebracht en terechtgesteld voor een krijgsraad wegens zijn rebelleren tegen hem, die hem koning gemaakt had en aan wie hij trouw had gezworen. God en de mensen twistten met hem hierover, zie Ezechiël 17:16 en verv.
De koning van Babel lag nu te Ribla, (dat tussen Judea en Babel was gelegen) ten einde orders te kunnen geven beide aan zijn hof in zijn land en aan zijn leger daarbuiten.
2. Zijn zonen werden voor zijn ogen gedood, hoewel zij nog kinderen waren, opdat dit treurig toneel, het laatste dat zijn ogen aanschouwden, een blijvenden indruk van smart en afschuw in zijn gemoed zou teweegbrengen, en hem zijn leven lang zou bijblijven.
Door zijn zonen te doden toonden zij hun verontwaardiging over zijn trouweloosheid, feitelijk verklaarden zij dat noch hij noch een van de zijnen geschikt was om vertrouwd te worden, en dat zij dus ook niet geschikt waren om te leven.
3. Zij staken hem de ogen uit, en daarmee ontnamen zij hem het lieflijke van het menselijke leven, dat zelfs de ellendige en de bitter bedroefden van gemoed gegeven is, het licht van de zon, waardoor hij ook tot generlei dienst meer instaat was.
Hij vreesde bespot te worden, en daarom wilde hij zich niet laten bewegen om zich over te geven, Jeremia 38:19, maar wat hij vreesde kwam dubbel en dwars over hem en heeft ongetwijfeld zijn ongeluk zeer verzwaard, want gelijk doven denken dat iedereen van hen spreekt, zo denken blinden dat iedereen om hen lacht.
Hierdoor werden twee profetieën, die in tegenspraak schenen met elkaar, beide vervuld.
Jeremia profeteerde dat Zedekia naar Babel gebracht zou worden, Jeremia 32:5, 34:3.
Ezechiël profeteerde dat hij Babel niet zien zou, Ezechiël 12:13.
Hij is derwaarts heengevoerd, maar zijn ogen uitgestoken zijnde heeft hij het niet gezien, aldus eindigde hij zijn dagen eer zijn leven geëindigd was.
4. Zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel, hij, die blind was behoefde niet gebonden te worden zijn blindheid bond hem maar tot zijn grotere smaadheid voerden zij hem gebonden heen, alleen maar, terwijl gewone misdadigers in ijzeren boeien geslagen werden, Psalm 105:18, 107:10, werd hij, een vorst zijnde, met koperen ketenen gebonden maar, dat het metaal ietwat edeler en lichter was, was hem, daar hij toch in boeien was, tot weinig troost.
Laat het niet vreemd geacht worden als zij, die door de boeien van de ongerechtigheid gehouden werden er toe komen om aldus vastgehouden te worden met banden van de ellende, Job 36:8.