Genesis 27:30-40
Hier wordt:
I. De bondszegen ontzegd aan Ezau. Hij die het geboorterecht zo weinig geteld heeft, zou nu de zegening hebben willen beërven, maar werd verworpen, "want hij vond geen plaats des berouws" bij zijn vader, "hoewel hij dezelve met tranen zocht," Hebreeën 12:17.
Merk op
1. Hoe zorgvuldig hij haar zocht. Hij bereidde de smakelijke spijze, zoals zijn vader het hem bevolen had, en toen verzocht hij om de zegen, die zijn vader hem aangemoedigd had te verwachten, vers 31. Toen hij vernam, dat Jakob die met bedrog van hem had weggenomen, schreeuwde hij met een grote en bittere schreeuw gans zeer, vers 34. Niemand had de teleurstelling meer ter harte kunnen nemen dan hij, hij deed de tent van zijn vader weergalmen van zijn smart, en wederom, vers 38 hij hief zijn stem op en weende. De dag komt wanneer zij, die de zegeningen van het verbond zo weinig tellen en hun recht er op verkopen voor een niets, er tevergeefs om zullen bidden en smeken. Zij, die thans niet eens willen vragen en zoeken, zullen weldra kloppen, en "Heere, Heere" roepen. Minachters van Christus zullen dan Zijn nederige smekelingen zijn.
2. Hoe hij werd verworpen. Toen Izaak zich bewust werd van het bedrog, dat op hem gepleegd was, verschrikte hij met zeer grote verschrikking gans zeer, vers 38. Zij, die de keus volgen van hun eigen genegenheden, in plaats van de voorschriften van de Goddelijke wil, brengen zich in dusdanige verlegenheid. Doch weldra herstelt hij zich en bekrachtigt de zegen, die hij aan Jakob had gegeven. Ik heb hem gezegend, ook zal hij gezegend wezen. Hij zou om zeer billijk-schijnende redenen hem hebben kunnen herroepen, maar hij begon zich nu eindelijk bewust te worden gedwaald te hebben, toen hij hem voor Ezau bestemde. Hetzij dat hij zich nu de Godsspraak herinnerde of liever, meer dan gewoonlijk vervuld was met de Heilige Geest toen hij de zegen gaf aan Jakob, bemerkte hij dat God er, als het ware, Amen op gezegd heeft. Nu wordt:
A. Jakob hierdoor bevestigd in zijn bezit van de zegen en volkomen overtuigd van de geldigheid er van, hoewel hij hem door bedrog had verkregen, daarom had hij nu ook reden te hopen, dat God hem zijn wangedrag genadig heeft vergeven.
B. Izaak berustte hierdoor in de wil van God hoewel die tegen zijn verwachting en genegenheid inging, Hij had Ezau gaarne de zegen gegeven, maar toen hij bemerkte dat God het anders wilde, onderwierp hij zich, en dit deed hij "door het geloof," Hebreeën 11:20, zoals Abraham vóór hem toen hij voor Ismaël bad. Mag God met het Zijne niet doen wat Hij wil?
C. Ezau werd hierdoor afgesneden van de verwachting van die bijzondere zegen, die hij gedacht had zich voor te behouden, toen hij zijn geboorterecht verkocht. Door dit voorbeeld nu wordt ons geleerd:
a. Dat het niet is "desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods," Romeinen 9:16. De apostel schijnt te zinspelen op deze geschiedenis. Ezau had een goede wil naar de zegen, en liep er om, maar God, die genade betoonde, bestemde hem voor Jakob, "opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve." Romeinen 9:11. Evenals Ezau hebben de Joden "de wet der rechtvaardigheid gezocht," Romeinen 9:31, maar hebben de zegen der rechtvaardigheid gemist, "omdat zij die zochten uit de werken der wet," Romeinen 9:32, terwijl de heidenen, evenals Jakob hem zochten door het geloof in de Godsspraak en hem door geweld verkregen, met het geweld, dat het koninkrijk Gods wordt aangedaan. Zie Mattheus 11:12.
b. Dat zij, die hun geestelijk geboorterecht onderschatten en het verkopen voor een spijze, de geestelijke zegeningen verbeuren, en het rechtvaardig is in God om hun de gunsten te ontzeggen waarvoor zij zo onverschillig zijn geweest. Zij, die voor de eer, de rijkdom of de genoegens van deze wereld, afstand willen doen van hun wijsheid en genade, van hun geloof en van hun goed geweten, hebben, wèlke begeerte zij nu ook voorwenden naar de zegen, er zich reeds onwaardig voor geoordeeld, en zó zal dan ook hun oordeel wezen.
c. Dat zij, die hun handen opheffen in toorn, ze tevergeefs opheffen. Inplaats van berouw te hebben over zijn eigen dwaasheid, deed Ezau zijn broeder verwijten, beschuldigde hem onrechtvaardig zijn geboorterecht te hebben genomen, hetwelk hij hem toch bepaald verkocht had, vers 36, en vatte haat tegen hem op om hetgeen hij nu gedaan had, vers 41. Diegenen zullen waarschijnlijk geen voorspoed hebben in het gebed die de toorn, die zij tegen zichzelf moesten koesteren, tegen hun broeders keren, aan anderen de schuld geven van hun wangedrag. waarvoor zij zich behoorden te schamen.
d. Dat zij die niet zoeken eer het te laat is, verworpen zullen worden. Dit was het verderf, de ondergang, van Ezau: hij kwam niet intijds. Gelijk er een tijd des welbehagen is, een tijd wanneer God gevonden zal worden, zo is er ook een tijd wanneer Hij hun, die Hem aanroepen, niet zal antwoorden, omdat zij de bestemde tijd veronachtzaamd hebben. Zie Spreuken 1:28. De tijd van Gods geduld en van onze op-de-proefstelling zal niet altoos duren. Dan zullen velen die nu de zegen verachten, hem ijverig zoeken, want dan zullen zij hem weten te waarderen, en dan zullen zij zien, dat zij zonder hem rampzalig, voor eeuwig rampzalig zijn, maar zonder dat het hun baat, Lukas 13:25-27. O mochten wij dus heden, in deze onze dag, "bekennen wat tot onze vrede dient!"
II. Hier wordt "een algemene zegen" aan Ezau geschonken.
1. Deze begeerde hij. Zegen ook mij, vers 34. Hebt gij dan geen zegen voor mij behouden? vers 36. De slechtste mensen weten zich nog wel het goede toe te wensen, en zij zelfs, die goddeloos hun geboorterecht verkopen schijnen Godvruchtig de zegen te begeren, een flauwe begeerte naar geluk, zonder een rechte keuze van het doel en een recht gebruik van de middelen, heeft velen tot hun eigen verderf misleid. Zeer velen gaan naar de hel met hun mond vol goede wensen. De begeerte van de luiaard en van de ongelovige zal hen doden. Velen zullen, gelijk Ezau, zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen, omdat zij niet strijden, Lukas 13:24. Het is de dwaasheid van veel mensen, om zich tevreden te stellen met "het goede," Psalm 4:7, waarin dat dan ook moge bestaan, zoals Ezau hier, die slechts een zegen van de tweede rang begeerde, een zegen die afgescheiden was van het geboorterecht. Onheilige, wereldsgezinde harten achten iedere zegen evengoed als die van de Godsspraak: Hebt gij slechts een zegen? Alsof hij gezegd had: "Ik zal wel met iedere andere tevreden wezen, heb ik al niet de zegen van de kerk, zo laat mij een andere hebben."
2. Die had hij, en laat hem daar nu maar zijn voordeel mee doen, vers 39, 40. A. Het was iets goeds, beter dan hij verdiende. Er werd hem beloofd:
a. Dat hij voldoende levensonderhoud zou hebben: de vettigheden der aarde en de dauw des hemels. Zij die geen deel hebben aan de zegeningen des verbonds, kunnen toch een ruim deel hebben van uitwendige zegeningen. God geeft een goede grond en goed weer aan velen, die Zijn verbond verwerpen, en er part noch deel aan hebben.
b. Dat hij langzamerhand en trapsgewijze zijn vrijheid zal herkrijgen, als Jakob moet heersen, vers 29, dan moet Ezau dienen, maar hij heeft dit om er zich mee te troosten dat hij zal leven op zijn zwaard, hij zal dienen, maar hij zal niet verhongeren, en ten laatste na veel strijd en worsteling, zal hij het juk der dienstbaarheid afwerpen en de tekenen der vrijheid dragen. Dit is vervuld geworden, 2 Koningen 8:20, 22, toen de Edomieten in opstand kwamen.
B. Maar hij bleef ver achter bij Jakob's zegen, voor hem had God iets beters weggelegd.
a. In Jakob's zegen wordt de dauw des hemels het eerst genoemd, als wat hij het meest begeerde en op prijs stelde, en waarop hij rekende, in Ezau's zegen wordt de vettigheid der aarde het eerst genoemd, want dat was hem het voornaamste.
b. Ezau heeft ze, maar Jakob heeft ze uit Gods hand, God geve u van de dauw des hemels, vers 28. Voor Ezau was het genoeg het bezit te hebben, maar Jakob begeerde haar door de belofte en van de verbondsliefde te ontvangen.
c. Jakob zal heerschappij hebben over zijn broeders, want de Israëlieten hebben dikwijls over de Edomieten geheerst. Ezau zal heerschappij hebben, dat is: hij zal enige macht en invloed hebben, maar nooit zal hij heerschappij hebben over zijn broeder, nooit bevinden wij dat de Joden verkocht waren in de handen der Edomieten, of dat deze hen verdrukten, maar het grote verschil is, dat er in Ezau's zegen niets is, dat op Christus wijst, niets, dat hem of de zijnen in de kerk brengt en in het verbond Gods, en zonder dat is hem de vettigheid der aarde en de roof des velds van weinig nut. Aldus heeft Izak door het geloof beide gezegend zoals hun lot wezen zou. Sommigen merken op, dat Jakob gezegend werd met een kus, vers 27, maar niet alzo Ezau.