24. Mensenkind! (
Hoofdstuk 2:1) de nog achtergeblevene (
Jeremia 39:10) inwoners van die woeste plaatsen in het land Israëls, tot welke Juda volgens het bericht des ontkomenen geworden is, spreken bij zichzelven en onder elkaar, en hun rede dringt door tot hun broederen in de ballingschap en vindt daar instemming, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat hoewel hij slechts een enige was, dit land erflijk, naardien Ik hem het bezit land beloofd (
Genesis 13:14 v.); maar onzer zijn velen, ook nog nadat het grootste gedeelte van ons is omgekomen: het land isook ons gegeven tot ene erflijke bezitting, wij hebben er veel meer aanspraak op, en zullen gemakkelijk en spoedig weer in het bezit daarvan komen.
Zegen aan te kondigen is van nu aan Ezechiëls roeping; maar niet zulk een zegen als het de verdorven menigte des volks verwacht en begeert: daarbij zou de betekenis, het Goddelijk doel van het strafgericht, geheel verloren gaan, en het tot een ware loutering des volks nooit komen. Integendeel, het gericht en de zegen staan in onafscheidelijk verband met elkaar. Om deze gedachte zo sterk mogelijk op den voorgrond te stellen, voert de Profeet de Israëlieten, die op de puinhopen van Jeruzalem zitten, sprekende in. Zelfs bij hen, voor wier ogen het ontzettende geschied is en voortdurend staat, zijn nog de verkeerdste verwachtingen van zegen diep geworteld. De inhoud daarvan is geheel en al de Farizese hoogmoed, die in zijne eigengerechtigheid voor het heil gene vatbaarheid toont. Zelfs de rede, de uitdrukking dier gezindheid, komt geheel overeen met het verhovaardigen op Abraham, zoals dat bij de latere Joden gevonden wordt. (Johannes 8:33, 39).
Het gehele land was een land van ruïnen; er was dus reden genoeg, om eindelijk de verwachtingen van een verdwaasd hart te laten varen; zij houden echter nog altijd die verwachtingen vast (dat bewijst de opstand, waarbij de Chaldeeuwse stadhouder Gedalia vermoord werd, Jeremia 41), en beroepen zich op Abraham. Deze was kinderloos, en toch heeft hij en zijne nakomelingen het land geërfd. Waarom zouden zij, die in vergelijking met hem altijd nog talrijk zijn, het bezit van het land niet weer verkrijgen? .
In hun ontvluchten van de bekering (1 Samuël 14:24, 35), willen zij aan het werkelijk verlies van het heilige land niet geloven; zij kunnen echter ook tegen het verlies, dat in werkelijkheid heeft plaats gehad, geen troostgrond vinden, die steek houdt; daarom maken zij zich de illusie, alsof God, nadat Hij aan den éénen Abraham het land gegeven had; dat onmogelijk aan hen, die zo velen, een geheel volk, waren, ontnemen kon.
Wat den gelovige is beloofd, kennen zich ook overigens de ongelovigen wel gaarne toe.
Heilige puinhopen zijn reliquiën, waarop men zich niet kan verlaten.
Zoals Ezechiël in het eerste deel van zijn Boek de bedreigingen omtrent den ondergang van Jeruzalem en Juda voor zijne landslieden aan den Chaboras heeft uitgesproken, en tot hen gericht heeft, omdat zij innerlijk in dezelfde verhouding tot den Heere stonden, als hun broeders, die zich in Jeruzalem en Juda bevonden, zo houdt hij hun ook hier dien waan ter waarschuwing voor, om hun de nietigheid van zulk ene ijdele verwachting te doen gevoelen, en boete en bekering als den enigen weg ten leven te prediken.