Ezechiël 20:10-26
De geschiedenis van de worsteling tussen de zonden van Israël, waardoor zij zichzelf trachtten te verderven, en de gunsten van God, waardoor Hij hen trachtte te redden en gelukkig te maken, wordt hier voortgezet, en de voorbeelden van die worsteling in deze verzen hebben betrekking op hetgeen tussen God en hen in de woestijn voorviel, waarin God Zich met eer en zij zich met schande overlaadden. Op de geschiedenis van Israël in de woestijn wordt dikwijls gezinspeeld in het Nieuwe Testament, 1 Corinthiers. 10, Hebreeën 3, en dikwijls ook in het Oude, als een waarschuwing voor ons, Christenen, en daarom hebben wij bijzonder belang bij deze verzen.
I. De grote dingen, die God voor hen gedaan heeft en waaraan Hij hen herinnert, niet alsof Hij hun Zijn gunsten misgunde, maar om te tonen, hoe ondankbaar zij geweest waren. En wij zeggen, dat men iemand geen erger naam geven kan dan ondankbare. Het was een grote gunst,
1. Dat God hen uit Egypteland voerde, vers 10, hoewel, als volgt, Hij hen in de woestijn bracht en niet terstond in Kanaän. Het is beter om vrij te zijn in de woestijn dan slaven in een land van overvloed, om ons in de eenzaamheid in God te verblijden dan Hem te verliezen in een bewoond land, toch waren er onder hen veel van die lage slaafse geesten, die dat niet begrepen, maar toen zij in de woestijn op moeilijkheden stieten, wensten, dat zij weer in Egypte waren.
2. Dat Hij hun de wet gaf op de berg Sinaï, vers 11, en hun niet alleen onderricht gaf betreffende goed en kwaad, maar hen door Zijn macht losmaakte van het kwade en bond aan het goede. Hij gaf hun Zijn inzettingen, en dat was een waardevolle gave. "Mozes heeft hun de wet geboden, een erfenis van Jakobs gemeente, Deuteronomium 33:4. God maakt hun Zijn rechten bekend, Hij gaf hun niet alleen wetten, maar toonde hun ook de redelijkheid en de billijkheid van die wetten met hoeveel oordeel ze waren samengesteld". Zij werden aangemoedigd de wetten, die Hij hun gaf, waar te nemen en te gehoorzamen, want "zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven," in het houden van Gods geboden is overvloedige troost en een groot loon. Christus zegt: "Wilt gij in het leven ingaan, en het genieten, onderhoudt de geboden." Hoewel zij, die het meest nauwgezet in hun gehoorzaamheid zijn, in zover onnutte dienstknechten zijn, dat zij niet meer doen dan hun plicht is, toch worden zij rijkelijk beloond. "Doe dit en gij zult leven." De Chaldeeuwse tekst luidt: "Hij zal een eeuwig leven in hen leven". Paulus haalt dit aan, Galaten 3:12, om te tonen, dat "de wet niet uit het geloof is," maar het leven geeft op voorwaarde van volmaakte gehoorzaamheid, die wij niet in staat zijn in acht te nemen, en daarom moeten wij hulp zoeken bij de genade van het Evangelie, zonder `t welk wij allen teniet gaan.
3. Dat Hij de oude instelling van de Sabbatdag hernieuwde, die verloren geraakt en vergeten was, terwijl zij slaaf waren in Egypte: want hun meesters daar wilden hun in geen geval toestaan een van de zeven dagen te rusten. In de woestijn was weliswaar iedere dag een rustdag, want waarvoor zouden zij werken, als zij toch leefden van manna, en hun klederen niet oud werden? Maar een van de zeven dagen moest een heilige rustdag zijn, vers 12 :"Ik gaf hun Mijn Sabbaten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen (de instelling van de Sabbat was een teken van Gods goedgunstigheid jegens hen, en hun waarneming van die dag een teken van hun ontzag voor Hem), opdat zij zouden weten dat Ik de Heere ben, die ze heiligt." Daardoor liet God uitkomen, dat Hij hen van de rest van de wereld had afgescheiden en besloten hen te vormen tot een bijzonder volk voor Hem, en door God te dienen op hun plechtige bijeenkomsten op de Sabbatdagen moesten zij toenemen in de kennis Gods, in de kennis van de ondervinding van de kracht en het welbehagen van Zijn heiligende genade.
a. De Sabbat is een voorrecht, en moet als zodanig beschouwd worden, in dat hoofdstuk, dat een parallel is van dit en hierop terug schijnt te zien, Nehemia 9:14, erkent de kerk als een grote gunst, dat Gij hun Uw heilige Sabbat bekend gemaakt hebt.
b. De Sabbat is een teken, het is een teken, dat de mensen godsdienstig gezind zijn, en dat er een goede verstandhouding is tussen hen en God, als zij er gewetenswerk van maken de Sabbatdag heilig te houden.
c. Als de Sabbat behoorlijk geheiligd wordt, is hij het middel tot onze heiliging, als wij de plichten van die dag waarnemen, dan zullen wij bevinden, tot onze troost, dat het de Heere is, die ons heiligt, die ons hier heilig (dat is, waarlijk gelukkig) maakt, en ons voorbereidt om hiernamaals gelukkig (dat is, volmaakt heilig) te zijn.
II. Hun ongehoorzaam, plichtvergeten gedrag tegen God, waarom Hij hen rechtvaardiglijk het verbond had kunnen opzeggen, zodra Hij hen daarin opgenomen had, vers 13 :Zij werden weerspannig in de woestijn. Daar, waar zij zoveel gunsten van God ontvangen hadden, en zo afhankelijk van Hem waren, op weg naar Kanaän, daar waren zij vele malen openlijk weerspannig tegen de God, die hen leidde en voedde. Niet alleen wandelden zij in Zijn inzettingen niet, maar zij verwierpen Zijn rechten, als het houden niet waardig, in plaats van de Sabbat te heiligen, verontreinigden zij dien, ja zij verontreinigden die grotelijks. Eén van hen las hout, en velen gingen die dag uit om manna te verzamelen. Waarom God soms gereed was hen af te snijden, Hij zei meer de eens, dat Hij hen in de woestijn zou verdoen. Maar Mozes kwam tussenbeide, en de genade van God zelf met groter kracht, maar bovenal het belang van Zijn eigen heerlijkheid, opdat Zijn naam niet ontheiligd wierde voor de ogen van de heidenen, vers 14, opdat de Egyptenaars niet zouden zeggen, dat Hij ze met een boze bedoeling zo ver gebracht had, of, dat Hij niet in staat was hen verder te brengen, of, dat Hij dat goede land in `t geheel niet had, waarheen Hij gezegd had, dat Hij hen brengen zou, Exodus 32:12, Numeri 14:13, enz. De krachtigste motieven van Gods sparende genade zijn die, ontleend aan Zijn eigen heerlijkheid.
III. God besluit het levende geslacht in de woestijn af te snijden. Hij, die Zijn hand tot hen ophief, vers 6, hief nu Zijn hand tegen hen op, Hij, die Zijn belofte om hen uit Egypte te voeren, met een eed bevestigde, bevestigde nu met eed Zijn bedreiging, dat Hij hen niet in Kanaän brengen zou, vers 15, 16:"Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Zo waarachtig als Ik leve, zo deze mannen, die Mij nu tienmaal verzocht hebben, het land zullen zien, hetwelk Ik hun vaderen gezworen heb," Numeri 14:21-23, Psalm 95:11. Door hun verachting van Gods wetten, en in `t bijzonder van Zijn Sabbat, staken zij zichzelf een spaak in `t wiel, en hetgeen op de bodem van hun ongehoorzaamheid aan God was, dat was een geheime toeneiging tot de goden van Egypte: Hun hart wandelde hun drekgoden na. De ingenomenheid van hun hart met de wereld en het vlees, het geld en de buik (de twee voornaamste voorwerpen van de geestelijke afgoderij), is de wortel van de bitterheid, waaruit alle ongehoorzaamheid aan de goddelijke wet ontspruit. Het hart, dat die goden achterna wandelt, veracht Gods rechten.
IV. Het behoud van een zaad, waar een nieuwe proef mee zou genomen worden, en de bevelen aan dat zaad gegeven, vers 17. Hoewel zij dus de dood verdienden, en er toe veroordeeld waren, toch verschoonde Mijn oog ze Toen Hij op hen neerzag, had Hij medelijden met hen, en maakte geen voleinding met hen, maar gaf hun uitstel, totdat een nieuw geslacht opgegroeid was. Het is alleen aan Gods genade te danken, dat Hij niet reeds lang een voleinding met ons gemaakt heeft. Dit nieuwe geslacht wordt wel onderricht. In Deuteronomium herhaalde Mozes hun de wetten, die gegeven waren aan hen, die uit Egypte kwamen en bekrachtigde die, opdat hun kinderen ze als `t ware opnieuw volbrachten, als ze het land Kanaän binnengingen, vers 18. "Ik zei tot hun kinderen in de woestijn, in de velden van Moab: Wandelt in de inzettingen van uw God en wandelt niet in de inzettingen van uw vaderen, volgt hun bijgelovige gebruiken niet na en bewaart hun dwaze goddeloze gewoonten niet, doet weg hun ijdele wandel, waar niets voor te zeggen is, dan dat zij "van de vaderen overgeleverd is," Petrus 1:18. "Verontreinigt u niet met hun drekgoden, want gij ziet hoe gehaat zij zich daardoor bij God maakten. Maar onderhoudt Mijn rechten en heiligt Mijn Sabbaten", vers 19, 20. Als ouders zorgeloos zijn en hun kinderen geen goed onderricht geven, zoals zij behoren te doen, dan moeten de kinderen dat tekort aanvullen door het Woord van God zoveel te nauwlettender en ijveriger zelf te onderzoeken, als zij groot worden, en van het slechte voorbeeld van de ouders moeten de kinderen gebruik maken tot waarschuwing en niet tot navolging.
V. Het verzet van het volgende geslacht tegen God, waardoor zij zich eveneens aan Gods toorn blootstelden, vers 21. Die kinderen waren ook weerspannig tegen Mij. En hetzelfde, dat van de weerspannigheid van de vaders gezegd was, wordt hier van die van de kinderen gezegd, want zij waren een zaad van boosdoeners. Mozes zei tot hen, dat hij "hun weerspannigheid en hun harde nek kende," Deuteronomium 31:27. En Deuteronomium 9:24 :"Weerspannig zijt gij geweest tegen de Heere van de dag af, dat ik u gekend heb". Zij wandelden niet in Mijne inzettingen, vers 21, ja, zij verachtten Mijn inzettingen. Die Gods inzettingen niet gehoorzamen, verachten die, zij tonen, dat zij er geen hoge gedachten van hebben, en dus ook niet van Hem, Wiens inzettingen het zijn. Zij ontheiligden Gods Sabbaten, als hun vaders. De ontheiliging van de Sabbat is een open deur voor alle goddeloosheid, die de heilige dag verontreinigen zullen niets heilig houden. Van de vaderen werd gezegd, vers 16 :hun hart wandelde hun drekgoden na, zij vereerden hun afgoden, omdat zij ze liefhadden. Van de kinderen wordt gezegd, vers 24 :dat hun ogen achter de drekgoden van hun vaderen waren, zij waren aan de godsdienst ontgroeid, en voelden geen genegenheid voor welke god ook, maar zij vereerden de goden hunner vaderen, omdat zij die van hun vaderen waren en zij ze voor ogen hadden. Zij waren er aan gewend, en als zij toch goden moesten hebben, dan wilden zij er hebben, die zij zien konden en die zij hanteren konden. En wat hun ongehoorzaamheid aan Gods inzettingen verzwaarde, was, dat, als zij die gedaan hadden, dan hadden zij daardoor kunnen leven, vers 21. Zij hadden een gelukkig voorspoedig volk kunnen zijn. Die tegen hun plicht ingaan, gaan tegen hun belang in, zij willen niet gehoorzamen, zij willen niet tot Christus komen, opdat zij het leven hebben Johannes 5:40. En daarom is het rechtvaardig, dat die niet willen leven en voorspoedig zijn, zoals zij zouden doen in hun gehoorzaamheid sterven en omkomen in hun ongehoorzaamheid. Nu was het grootste voorbeeld van de weerspannigheid van dat geslacht en van hun afgoderij "de ongerechtigheid van Peor, zoals die hunner vaderen het gouden kalf was". "Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Israël," Numeri 25:3. Er werd een plaag in de vergadering des Heeren, die hen allen afgesneden zou hebben, als zij niet bijtijds door de ijver van Pinehas gestuit was, en toch erkenden zij in Jozua's tijd: "Wij zijn niet gereinigd van die ongerechtigheid tot op deze dag", Jozua 22:17, Psalm 106:29. Toen was het dat God zei, zijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen, vers 21, dat Hij Zijn hand tot hen ophief in de woestijn toen zij voor de tweede maal op `t punt stonden Kanaän binnen te gaan, dat Hij ze onder de heidenen verspreiden zou. Datzelfde zei Hij tot hen door Mozes in Zijn afscheidslied, Deuteronomium 32:20. Omdat zij Hem tot toorn verwekten door vreemde goden, zei Hij: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen, en vers 26, 27:Ik zou ze in alle hoeken verstrooien, ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde wat een verklaring geeft van vers 21, 22. Ik zei Mijn grimmigheid te zullen uitstoten, doch Ik keerde Mijne hand af, om Mijns naams wille. Als het bederf in de zichtbare kerk zo groot, en zo hemeltergend geworden is, dat wij reden hebben om te vrezen, dat zij geheel uitgeroeid zal worden, dan mogen wij toch vol vertrouwen zijn, tot onze troost, dat God Zijn eer redden zal, door Zijn plan uit te voeren, namelijk de kerk in stand te houden, zolang de wereld bestaat.
Vl. De oordelen Gods over hen, om hun weerspannigheid. Zij wilden de rechten en inzettingen, waarin God ze hun plicht voorschreef, niet in acht nemen, maar verwierpen ze, en daarom gaf God hun beschikkingen, die niet goed waren, en waarbij zij niet zouden leven vers 25. Hieronder kunnen wij verstaan de verschillende wijzen, waarop God hen strafte, toen zij in de woestijn waren-de plagen, die onder hen uitbraken, de vurige slangen, en dergelijke-en die als `t ware de rechten en inzettingen vervingen, omdat God er bevel toe gaf evenals Hij soms verlossingen bevolen had, en plagen over Israël bestelde, zoals hij de plagen over Egypte besteld had. Toen God zei: "Ik zal ze als in een ogenblik verteren" Numeri 16:21, toen Hij zei: "Neem alle hoofden des volks en hang ze op," Numeri 25:4, toen Hij hen met de vloek dreigde en beval "Amen" te zeggen op iederen vloek, Deuteronomium 27:28 toen gaf Hij hun beschikkingen, waarbij zij niet zouden leven. Hier wordt meer bedoeld dan gezegd, het zijn beschikkingen, waarbij zij moesten sterven. Die niet gebonden willen zijn door de voorschriften van de wet, zullen gebonden worden door het vonnis daarvan, want op de ene wijze of op de andere zal God de mensen treffen, Zacheria 1:6.. Geestelijke oordelen zijn de verschrikkelijkste, en daarmee strafte God hen. De rechten en inzettingen, die de heidenen in acht namen bij de eredienst van hun afgoden, waren niet goed, en bij de waarneming daarvan konden zij niet leven, en God gaf er hen aan over. Hij maakte hun zonde tot hun straf. Hij gaf hen over aan een verkeerden zin, zoals de heidense afgodendienaars, Romeinen 1:24, 26, gaf hen over aan de lusten van hun eigen hart, Psalm 31:12, strafte hen wegens die bijgelovige gewoonten, die tegen de geschreven wet waren door hen over te geven aan die welke tegen het licht en de wet van de natuur zelf waren hij liet hen over aan zich zelf, om zich schuldig te maken aan de onheiligste afgoderij, als de dienst van Baäl-Peor (Hij verontreinigde hen, dat is Hij liet hen zich verontreinigen, in hun giften, vers 26), en aan de meest barbaarse afgoderij, als de dienst van Moloch, toen zij hun kinderen, en in `t bijzonder de eerstgeborenen, op wie God bijzondere aanspraak maakte (de eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven) door het vuur lieten gaan, als een offer aan hun afgoden, opdat Hij hen aldus verwoesten zou, niet alleen om het rechtvaardiglijk te doen, maar ook met hun eigen handen, want dat moest noodzakelijk een grote verzwakking van hun gezinnen zijn en een vermindering van de eer en de kracht van hun land. God maakt soms de zonde tot haar eigen straf, en toch is Hij niet de auteur van de zonde, en meer is er niet nodig om mensen rampzalig te maken, dan ze over te geven aan hun eigen lage lusten en hartstochten. Geef hen over aan hun eigen raad, en zij zullen zich zelf ten verderve brengen en verwoesten. En aldus maakt God hun bekend, dat Hij de Heere is, en dat Hij een rechtvaardig God is, die zij zullen moeten erkennen, als zij zien hoeveel hun hardnekkige overtredingen tot hun eigen verwoesting bijdragen. Die God niet willen erkennen als de Heere hun heerser, zullen Hem moeten erkennen als de Heere hun Rechter, wanneer het te laat is.