Deuteronomium 31:22-30
I. Hier is aan Jozua het bevel gegeven, dat God gezegd had, vers 14, hem te zullen geven, hetzelfde inderdaad, dat Mozes hem gegeven had, vers 7, Wees sterk en heb goede moed, vers 23. Jozua had nu van God zoveel gehoord van de boosheid van het volk, dat hij moet aanvoeren, dat dit wel een ontmoediging voor hem moest zijn. "Neen", zegt God, "hoe slecht zij ook zijn, gij zult uw onderneming ten einde brengen, want Ik zal met u zijn. Gij zult hen in het bezit van Kanaän stellen, indien zij er zich later door hun zonde weer zullen uitwerpen, dan zal dit uw schuld niet wezen noch een oneer voor u, heb dus goede moed."
II. De plechtige overgave van het boek van de wet aan de Levieten, om neergelegd te worden aan de zijde van de ark, wordt hier opnieuw verhaald, vers 24-26, en tevoren in vers 9. Maar hier alleen wordt hun gezegd waar zij dit kostbare origineel als een schat moeten bewaren, niet in de ark, daarin werden slechts de twee stenen tafelen bewaard, maar in een andere kist aan de zijde van de ark. Waarschijnlijk was dit hetzelfde boek, dat in het huis des Heeren werd gevonden, (op de een of andere wijze verlegd zijnde) in de dagen van Josia, 2 Kronieken 34:14, en zo kunnen misschien de volgende woorden: dat het aldaar zij ten getuige tegen u, inzonderheid wijzen op die gebeurtenis. die zolang daarna plaatshad, want het vinden van dit boek was de aanleiding, dat het in het openbaar door Josia zelf gelezen werd, als een getuigenis tegen het volk, dat toen bijna rijp was voor zijn verderf door de Babyloniërs.
III. Het lied, dat wij vinden in het volgende hoofdstuk, wordt hier aan Mozes overgegeven en door hem aan het volk. Hij heeft het eerst geschreven, vers 22, naardat de Geest Gods het hem ingaf, en toen sprak hij het voor de oren van de gehele gemeente van Israël, vers 30, en leerde het hun, vers 22, dat is: gaf er hun exemplaren van en beval aan het volk om het van buiten te leren.
Het werd eerst mondeling overgeleverd, en daarna in geschrift, aan de oudsten en ambtlieden als de vertegenwoordigers van hun onderscheidene stammen, vers 28, om door hen overgeleverd te worden aan hun onderscheidene geslachten en gezinnen. Het wordt hun overgegeven met een plechtig beroep op hemel en aarde, betreffende de duidelijke waarschuwing, die er hun door gegeven werd, tegen de noodlottige gevolgen van hun afval van God en met een verklaring van de weinige blijdschap en hoop, die Mozes in en voor hen had.
1. Hij geeft te kennen hoe weinig vreugde hij in hen gehad heeft, terwijl hij bij hen was vers 27. Het is niet in drift of in bitterheid des harten, dat hij zegt: ik ken uw weerspannigheid, vers 27, (zoals hij eens onbedacht gezegd heeft: Hoort toch, gij weerspannigen) maar als gevolg van een langdurige bekendheid met hen: gij zijt weerspannig geweest tegen de Heere. Van hun weerspannigheid tegen hem maakt hij geen melding, die had hij reeds lang vergeven en vergeten, maar van hun weerspannigheid tegen God moeten zij horen opdat zij er immer berouw van zullen hebben en haar nooit zullen herhalen.
2. Hoe weinig hoop hij hun-aangaande had, nu hij hen gaat verlaten. Naar hetgeen God nu tot hem gezegd heeft, vers 16, meer dan naar zijn eigen ervaring van hen, hoewel die ontmoedigend genoeg was, zegt hij hun, vers 29. Ik weet dat gij het na mijn dood zeker zult verderven. Het heeft bij deze goede en Godvruchtige man ongetwijfeld menige treurige gedachte opgewekt, toen hij de afval en het verderf voorzag van een volk, waarvoor hij zich zoveel moeite gegeven had om hun goed te doen en hen gelukkig te maken, maar het was zijn troost, dat hij zijn plicht gedaan had, en dat God verheerlijkt zal worden, indien niet in hun vestiging, dan toch in hun verstrooiïng. Zo heeft onze Heere Jezus kort voor Zijn dood voorzegd dat er valse christussen en valse profeten zullen opstaan, Mattheus 24:24, niettegenstaande welke, en in weerwil van allen afval van de latere tijden, wij vast kunnen vertrouwen dat de poorten van de hel niet zullen overmogen tegen de kerk, want het fundament Gods staat.