Numeri 16:12-22
Hier is:
I. Het trotse antwoord van Dathan en Abiram en hun lasterlijke aantijging. Mozes had wat Korach te zeggen had, aangehoord en beantwoord, nu roept hij Dathan en Abiram op om met hun klachten te komen, vers 12, maar zij wilden aan zijn oproep geen gevolg geven, hetzij omdat zij zich nog schaamden om hem in het aangezicht te zeggen wat zij besloten hadden te zeggen, en dan is het een bewijs dat er nog enige bescheidenheid in hen was overgebleven, of liever, omdat zij zijn gezag niet wilden erkennen, en dan is het een bewijs van de grootste onbeschaamdheid. Zij spraken de taal van Farao zelf, die Mozes heeft getart, maar zij vergaten hoe duur hem dit te staan was gekomen. Indien hun brein niet zo ellendig verhit en hun hart niet zo verhard was geweest, dan zouden zij hebben kunnen bedenken dat, zo zij op deze boodschappers geen acht sloegen, Mozes hun spoedig in de naam van God boden des doods kon zenden. Maar aldus is het, dat de God van deze wereld de zinnen verblindt van de ongelovigen. Maar door dezelfde boden zonden zij hun artikelen van aanklacht tegen Mozes, en die aanklacht was zeer zwaar.
1. Zij beschuldigden hem hun een zeer groot kwaad aangedaan te hebben door hen uit te voeren uit Egypte, dat zij hatelijk een land noemen, vloeiende van melk en honing, vers 13. Zeker zij hadden in Egypte overvloed van uien, knoflook en vis, maar nooit heeft Egypte aanspraak gemaakt op melk en honing, doch daarmee wilden zij slechts de spot drijven met het beloofde land. Ondankbare ellendelingen! Om datgene voor te stellen als een hun aangedaan kwaad, hetgeen in werkelijkheid de grootste gunst was, die ooit aan een volk was bewezen!
2. Zij beschuldigen hem van het op hun leven toe te leggen, dat hij bedoelde hen te doden in de woestijn, ofschoon zij er goed verzorgd werden. En dat zij veroordeeld waren om in de woestijn te sterven, hadden zij toch zichzelf te wijten. Mozes zou hen genezen hebben, maar zij wilden niet genezen zijn.
3. Zij beschuldigen hem van een aanslag voor te hebben op hun vrijheid, dat hij bedoelde hen te knechten, door zich tot een overheer over hen te maken. Een overheer over hen! Was hij niet een teder, liefhebbend vader voor hen, hun trouwe dienaar om des Heeren wil? Waren hun niet hun bezittingen verzekerd, orde onder hen in stand gehouden, het recht onpartijdig bedeeld? Leefden zij niet in welvaart en eer? En toch klaagden zij, alsof Mozes' juk zwaarder was dan dat van Farao. En heeft Mozes zichzelf tot een overheer gemaakt? Verre van dien! Hoe gaarne zou hij in het begin het ambt afgewezen hebben! Hoe gaarne zou hij er naderhand niet menigmaal afstand van hebben willen doen! En toch wordt hij aldus in de zwartste kleuren geschilderd als een tiran en overweldiger.
4. Zij beschuldigen hem hen te hebben bedrogen, vers 14. Gij hebt ons niet gebracht in een land, dat van melk en honing vloeit, zoals gij beloofd hebt te zullen doen. En wiens schuld was dit? Hij had hen tot aan de grenzen er van gebracht, en stond op het punt om hen, met Gods hulp, in het bezit er van te stellen, maar zij hebben het van zich geworpen, er de deur van toegesloten tegen henzelf, zodat het zuiver en alleen hun schuld was, dat zij zich thans niet in Kanaän bevonden, en toch werpen zij er de schuld van op Mozes. "Zo is het, dat de dwaasheid des mensen zijn weg verkeert, en zijn hart zich tegen de Heere vergramt," Spreuken 19:3. 5. Zij beschuldigen hem in het algemeen van onoprechtheid, dat hij de ogen van deze mannen wil verblinden, om hen dan blindelings te laten gaan waar het hem behaagt. In alles wat hij voor hen deed was het zijn doel hun ogen te openen, en toch geven zij te kennen, dat hij voornemens was hun ogen te verblinden, opdat zij niet zouden zien dat zij misleid en bedrogen waren. Ook de wijsten en besten kunnen niet iedereen behagen, niet van iedereen het goede woord verkrijgen. Diegenen vallen soms onder de sterkste afkeuring, die de hoogste lof verdiend hebben. Menig goed werk had Mozes hun van de Vader getoond, en voor welk van die smaden zij hem?
II. Mozes' rechtvaardige toorn om hun onbeschoftheid, vers 15. Hoewel Mozes de zachtmoedigste mens was, ontstak hij toch zeer daar hij in zich God gesmaad zag, hij kon het niet aanzien dat het volk zich in het verderf stortte, voor welks verlossing hij zoveel gedaan had. In zijn ontsteltenis:
1. Beroept hij zich op God ten opzichte van zijn oprechtheid, terwijl zij hem laaghartig eerzucht, hebzucht en tirannie aanwrijven door zich tot een overheer te maken. God was zijn getuige:
a. Dat hij zich nooit met iets van hen verrijkt heeft, ik heb niet een ezel van hen genomen, niet slechts bij wijze van steekpenning of door afpersing, maar ook niet bij wijze van beloning of geschenk voor al de goede diensten, die hij hun had bewezen, nooit heeft hij de soldij van een generaal of het traktement van een rechter, en nog veel minder de schatting van een vorst ontvangen. Hij verkreeg meer bezitting door Jethro's schapen te hoeden, dan toen hij koning werd in Jeshurun.
b. Dat hij hen nooit in iets benadeeld had, ik heb niet een van hen kwaad gedaan, neen, niet aan de minsten hunner, niet aan de slechtsten van hen, neen, niet aan hen, die het gemelijkst en tergendst voor hem waren, nooit heeft hij zijn macht misbruikt om het kwaad te ondersteunen. Diegenen, die zichzelf nooit bezoedeld hebben, behoeven niet te vrezen door anderen een smet aangewreven te worden, als de mensen ons veroordelen, kunnen wij gerust zijn, zo ons eigen hart ons niet veroordeelt.
2. Hij bidt God zich zijn zaak aan te nemen en hem te zuiveren, door Zijn ongenoegen te tonen als Korach en de zijnen, met wie ook Dathan en Abiram in verbintenis waren, wierook zullen offeren. Heere, zegt hij, zie hun offer niet aan. Hiermede schijnt hij te verwijzen naar de geschiedenis van Kaïn, die hij onlangs met eigen hand geschreven heeft, van wie gezegd is, dat de Heere hem en zijn offer niet aanzag, Genesis 4:5." Zij, die de tegenspreking van Korach gevolgd zijn, zijn de weg van Kaïn ingegaan," deze twee zijn samengevoegd, en daarom bidt hij, dat zij evenals Kaïn door God toornig aangezien zullen worden, en evenals hij te schande gemaakt zullen worden.
III. Het geschil tussen Mozes en zijn beschuldigers aan de beslissing van de Rechter onderworpen.
1. Mozes daagt hen uit om met Aaron de volgende morgen, ten tijde wanneer het reukwerk geofferd werd, te verschijnen, om dan de zaak aan het oordeel des Heeren over te laten, vers 16, 17. Daar hij hen door zijn kalme, liefdevolle redenering niet tot overtuiging kon brengen, is hij bereid om met hen voor de rechterstoel van God te verschijnen en Gods uitspraak af te wachten, teneinde deze twist te beslechten. Hij had zich reeds tevoren hiertoe verbonden, vers 6, 7, en hier voegt hij er slechts een beding aan toe, waaruit zijn grote toegevendheid blijkt voor de klagers, namelijk dat Aaron, wiens verhoging zij wraakten, hoewel thans door de inzetting Gods bevorderd tot de eer om reukwerk te branden binnen de tabernakel, zich echter bij deze gelegenheid op de plaats van een nieuweling zou stellen op gelijke voet met Korach aan de deur van de tabernakel, ja meer, Mozes zelf zou ook bij hen staan, zodat de klager alle eerlijke behandeling zou ondervinden, die hij slechts kon wensen, en alzo alle mond gestopt worde.
2. Korach neemt de uitdaging aan, en verschijnt met Mozes en Aaron aan de deur van de tent van de samenkomst om zijn aanspraken te handhaven, vers 18, 19. Indien hij niet zo verregaand onbeschaamd ware geweest, dan zou hij de zaak niet zo ver hebben laten komen. Had hij niet onlangs gezien hoe Nadab en Abihu, de gezalfde priesters, dood ter aarde werden geworpen, omdat zij het hadden gedurfd reukwerk met onheilig vuur aan te steken, en kon hij met zijn medeplichtigen dan verwachten beter te zullen varen als zij reukwerk offeren met onheilige handen? En toch, om in de hoogte van zijn trots Mozes het hoofd te bieden, tart hij aldus de hemel, durft hij de Goddelijke aanneming van zijn reukwerk verwachten zonder door God gemachtigd te zijn het te brengen, zó ellendig wordt door de bedriegelijkheid van de zonde het hart verhard. Zij namen een ieder zijn wierookvat. Het waren wellicht enige van de wierookvaten, die deze hoofden van huisgezinnen gebruikt hadden bij hun huisaltaar, voordat dit deel van de Goddelijke eredienst beperkt was tot de priesterschap en het altaar in de tabernakel (en zij wilden ze weer in gebruik en in ere brengen), of misschien waren het gewone komforen, die voor gewoon dagelijks gebruik dienden. Nu zou men gedacht hebben dat Mozes de vergadering bijeengeroepen zou hebben tegen de rebellen om getuige te zijn van dit plechtig gericht, maar het schijnt dat Korach haar verzamelde tegen Mozes, vers 19, hetgeen te kennen geeft dat een groot deel van de vergadering het met Korach hield, hem ten dienste was, en hem welslagen toewenste, en dat Korach vol was van hoop dat hij zijn doel tegenover Aaron zou bereiken. Indien hij vermoed had wat de uitslag zou zijn, hij zou niet begeerd hebben, dat deze proefneming zo in het openbaar zou plaatshebben, maar weinig dacht hij, dat hij de vergadering bijeen had geroepen om getuige te zijn van zijn beschaming. Het gebeurt dikwijls, dat trotse, eerzuchtige mensen hun eigen grootheid denken te bevorderen terwijl zij dan slechts hun eigen, schandelijke val verhaasten.
IV. De gerechtszitting heeft plaats, de Rechter spreekt het oordeel uit, en dreigt het aan de gehele vergadering te zullen volvoeren.
1. De heerlijkheid des Heeren verscheen, vers 19. Dezelfde heerlijkheid, die verschenen is om Aaron in zijn ambt te installeren, Leviticus 9:23, verscheen nu om hem er in te bevestigen, en hen te beschamen, die hem tegenstaan en zijn mededingers willen zijn. De Shechina, of Goddelijke Majesteit, de heerlijkheid des eeuwigen Woords, die gewoonlijk binnen de voorhang tussen de cherubim woonde, werd nu openlijk gezien boven de deur van de tabernakel, ter verschrikking van geheel de vergadering, want, hoewel zij generlei gelijkenis zagen, konden zij toch waarschijnlijk aan het aanzien van het licht en het vuur duidelijk bemerken, dat God in toorn tegen hen was ontstoken, zoals toen Hij verschenen is, Hoofdstuk 14:10. Niets is voor hen, die zich van schuld bewust zijn, schrikkelijker dan de verschijning van de Goddelijke heerlijkheid, want zo'n hoogheerlijk Wezen moet wel een geducht vijand zijn.
2. God dreigde hen allen in een ogenblik te verteren, en daartoe gebood Hij aan Mozes en Aaron om zich uit het midden van hen af te scheiden, vers 21. Aldus toonde God wat hun zonde verdiend heeft, en hoe tergend zij voor Hem was. Zie hoe gevaarlijk het is om gemeenschap te hebben met zondaren, en ook maar in het minst met hen te delen. Velen van de vergadering zijn waarschijnlijk gekomen omdat anderen kwamen, de menigte volgende, of uit nieuwsgierigheid, om de uitslag te zien, maar niet gekomen zoals zij hadden behoren te komen, om getuigenis af te leggen tegen de rebellen, en zich openlijk vóór God en Mozes te verklaren, waren zij in gevaar om in een ogenblik verteerd te worden. Als wij de kudde volgen, waarin de duivel gevaren is, dan lopen wij gevaar van met haar om te komen.
V. De nederige voorbede van Mozes en Aaron voor de vergadering, vers 22.
1. Hun houding was die van dringend smeken, zij vielen op hun aangezichten, zij wierpen zich ter aarde voor God als smekelingen, die vurig begeren sparende genade te verkrijgen. Hoewel het volk hen verraderlijk had verlaten en zich gevoegd had bij hen, die de wapens tegen hen hadden opgevat, betoonden zij zich toch getrouw aan de last die hun was opgedragen, als herders van Israël, die in de bres moesten staan als zij de kudde in gevaar zagen. Indien anderen tekortkomen in hun plicht jegens ons, dan ontheft ons dit niet van onze plicht jegens hen, van de verplichting, die op ons rust om hun welvaren te zoeken.
2. Hun gebed was een pleitend gebed, en het bleek een overwinnend gebed te zijn. God zou hen nu verdelgd hebben, indien Mozes "Zijn grimmigheid niet had afgekeerd," Psalm 106:23, maar verre zij het van ons te denken, dat Mozes meer lankmoedig, meer barmhartig was dan God, doch God vond het goed en nodig Zijn rechtvaardig misnoegen te tonen tegen de zonde van de zondaren door het vonnis, en tegelijkertijd Zijn goedheid en genade te tonen door het gebed van de heiligen te verhoren, en het vonnis te herroepen. Let in het gebed:
a. Op de titel, die zij God geven: God van de geesten van alle vlees. Zie wat de mens is, hij is een geest in vlees, een belichaamde ziel, een schepsel, wonderbaarlijk samengesteld uit hemel en aarde. Zie wat God is: Hij is de God van de geesten van geheel het mensdom. "Hij formeert de geest," Zacheria 12:1. Hij is "de Vader van de geesten," Hebreeën 12:9. Hij heeft het vermogen om ze te formeren, Psalm 33:15, en de macht om er over te beschikken, want Hij heeft gezegd: "Alle zielen zijn Mijne," Ezechiël 18:4. Zij geven hiermede te kennen dat, hoewel God als de God van de geesten van alle vlees in Zijn vrijmacht deze vergadering in één ogenblik zou kunnen verteren, het toch te hopen was dat Hij in Zijn genade hen zou sparen, niet alleen omdat zij het werk van Zijn handen waren en Hem toebehoorden, maar omdat Hij, de God zijnde van de geesten, wist wat maaksel zij zijn, en onderscheiden kon tussen de verleiders en de verleiden, tussen hen, die moedwillig en boosaardig zondigden, en hen, die door hun lagen en listen meegesleept waren, en daarom een verschil zou maken in Zijn oordelen.
b. De drangreden, die zij aanvoeren, en die tamelijk gelijk is aan die welke Abraham aanvoerde in zijn voorbede voor Sodom, Genesis 18:23 :"Zult Gij ook de rechtvaardige met de goddeloze ombrengen?" Zo luidt hier de pleitrede: een enig man zal gezondigd hebben, en zult gij U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen? Wel was het aller zonde om in deze zaak meegedaan te hebben, maar de grote overtreding lag bij hem, die het eerst dit verraad bedacht en op touw gezet heeft. Wat God in Zijn vrijmacht en strenge rechtvaardigheid ook moge doen, toch hebben wij reden te hopen, dat Hij niet om de zonde van een de gehele vergadering zal uitdelgen, maar dat, wijl gerechtigheid en vrede elkaar gekust hebben in het verlossingswerk van Christus, de barmhartigheid zal roemen tegen het oordeel. Mozes wist dat de gehele vergadering langzamerhand in de woestijn meest omkomen, toch is hij nu dringend en vurig in zijn gebed, dat zij niet allen opeens verteerd zullen worden, en zal hij het als een gunst beschouwen, om uitstel voor hen te verkrijgen: Heere! laat hem ook nog dit jaar.