Ezechiël 20:27-32
Hier gaat de profeet voort met de geschiedenis van hun weerspannigheid, om hen nog meer te vernederen, en toont hun,
I. Dat zij er in volhard hadden na hun vestiging in het land Kanaän. Hoewel God zovele malen Zijn ongenoegen betuigd had over hun goddelozen wandel, "toch hebben uw vaderen Mij hiermede gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben", vers 27. Het is een grote verzwaring van de zonde, als men zich niet wil laten waarschuwen door de slechte gevolgen van de zonde voor degenen, die zijn voorafgegaan: dat is God smaden, het is smadelijk van Zijn oordelen spreken, alsof zij van geen betekenis waren en niet waard er acht op te slaan.
1. God had Zijn belofte vervuld, als Hij hen in het land gebracht had, dat Hij gezworen had hun te zullen geven. "Hoewel hun ongeloof en hun ongehoorzaamheid de vervulling aanmerkelijk hadden vertraagd, toch was de belofte daarmee niet teniet gedaan". Het scheelde dikwijls niet veel in de woestijn, of zij werden afgesneden, er was maar een schrede tussen hen en de dood, en toch kwamen zij tenslotte in Kanaän. Gods Israël gaat de hemel binnen door de poorten van de hel, zo vele zijn hun overtredingen, en zo groot hun gebreken, dat het een wonder van genade is, dat zij tenslotte gelukkig worden, evenals de huichelaars ter helle varen door de poort des hemels. "De rechtvaardige wordt nauwelijks zalig (Per tot discrimina rerum tendimus ad caelum. De weg ten hemel loopt door duizend gevaren.)"
2. Zij hadden zijn gebod overtreden door hun gruwelijke afgoderij. God had hun bevolen, alle gedenktekenen van de afgoderij te vernietigen, opdat er geen verleiding zou zijn om Zijn heiligdom in de steek te laten, maar in plaats van hun de rug toe te keren, werden zij op hen verliefd, en als zij naar alle hoge heuvels zagen, vanwaar zij de schoonste uitzichten hadden, en alle dicht geboomte, waar zij de heerlijkste schaduw hadden (de eerste om de praal van hun afgoderij te tonen, de laatste om de schande er van te verbergen), offerden zij daar hun offers en zetten daar hun liefelijken reuk, die zij alleen op Gods altaar hadden mogen brengen. Daar gaven zij hun tergende offeranden, vers 28, dat is hun offeranden, die in plaats van God te bevredigen, of Hem te behagen, zeer tergend voor Hem waren-offeranden, die, ondanks hun kostbaarheid, misplaatst en daarom de Heere een gruwel waren.
3. Hardnekkig bleven zij daarbij, ondanks alle waarschuwingen, hun gegeven, vers 29 :Ik zei tot hen: Wat is die hoogte, waarheen gij gaat? Ik gaf hun dat in overweging, door Mijn knechten de profeten, opdat zij er over nadenken en hun geweten raadplegen zouden, wat zij daar eigenlijk deden. Wat is die hoogte, waarheen gij gaat? Wat is daar aanlokkelijks voor u, dat gij Gods altaren verlaat, waar Hij uw dienst opeist, om plaatsen te bezoeken waar Hij u verboden heeft te aanbidden? Weet gij niet, dat die hoogten van heidense afkomst zijn, en dat de dingen, die de heidenen offerden, aan de duivelen geofferd werden en niet aan God? Heeft Mozes u dat niet gezegd? Deuteronomium 32:17. "En wilt gij gemeenschap hebben met de duivelen?" Wat is die hoogte, waarhenen gij gaat, als gij Gods altaren de rug toekeert? O gij uitzinnige Israëlieten, wie of wat heeft u betoverd, dat gij de fontein des levens verlaat voor gebroken bakken, de eredienst, die God beveelt, en aannemen wil, voor die, welke Hij verbiedt, die Hij verafschuwt, en die Hij zal straffen? Nochtans is de naam daarvan genoemd: Hoogte, tot op deze dag toe, zij willen hun zin hebben, God en Zijn profeten mogen daartegen zeggen wat hun behaagt. Zij zijn er voor goed mee verbonden, zelfs onder de beste koningen werden zij niet weggenomen, het was een onmogelijkheid de naam "Hoogte" van hun lippen te weren, zij bleven die behouden in plaats van hun eigen eredienst. De zonde en de zondaar zijn niet gemakkelijk te scheiden.
II. Dat dit geslacht, nadat het uit de bezitting verdreven was, onder de heerschappij gebleven was van dezelfde bedorven neigingen tot afgoderij, vers 30. Hij moet tot het tegenwoordige huis Israëls zeggen (van wie nu sommigen van de oudsten voor hem zaten) "Zijt gij verontreinigd geworden in de weg uwer vaderen? Na al wat God door een opeenvolging van profeten tot u gezegd, en door een reeks van oordelen tegen u gedaan heeft, zult gij u toch niet laten waarschuwen? Wilt gij even slecht zijn als uw vaders waren, en dezelfde gruwelen begaan, die zij begingen? Ik zie, dat gij het wilt: gij hebt er uw hart op gezet, tot de oude gruwelen terug te keren, gij offert uw gaven op de hoogten en doet uw kinderen door het vuur doorgaan, of gij doet het metterdaad of gij doet het in gedachte en voornemen, en zo zijt gij nog steeds afgodendienaars tot op deze dag toe." Deze oudsten schijnen nu van plan zich met de heidenen te verbinden, hun hart willen zij bewaren voor de God van Israël, maar zij willen vrij zijn om hun knieën te buigen voor de goden van de volken, waaronder zij leven, om meer aanzien en beter woonplaatsen onder hen te hebben. Nu wordt hier de profeet bevolen, tot de ontwerpers van dit plan, die een schikking wensen tussen God en Baäl, te zeggen, dat zij geen van beide hulp of troost zullen ontvangen.
1. Zij zouden er geen voordeel van hebben, dat zij in `t geheim de profeten des Heeren raadpleegden, want, omdat zij de afgoden nawandelden, wilde God niets met hen te doen hebben, vers 31 :Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, als Ik van u gevraagd worde. Wat Hij tevoren gezegd had, vers 3, en waarbij Hij uitvoerig de rechtvaardigheid aantoonde van wat Hij zei, herhaalt Hij hier, als dat, waarbij Hij wilde blijven. Zij moeten niet denken, dat zij Hem eren door hun vragen, noch ook een antwoord des vredes van Hem verwachten, zo lang zij volharden in hun liefde tot en hun verbond met hun afgoden. Die niet volkomen en oprecht zijn in hun godsdienst, zullen er ook de vruchten niet van plukken, ook kunnen wij geen troostrijke gemeenschap met God hebben in de geboden van de eredienst, tenzij wij daarin innerlijk en oprecht met Hem zijn. Wij doen niets met onze belijdenis, als het slechts een belijdenis is. Ja
2. Zij zullen er geen voordeel van hebben dat zij zich in `t openbaar schikken naar de gewoonten van hun buren, vers 32. Wat in uw geest opgeklommen is als de leidraad van een verfijnde politiek in de tegenwoordige moeilijke omstandigheden, en dat gij u wilt laten aanraden tot uw redding, om niet, door op u zelf te staan, u aan mishandeling bloot te stellen, het zal geenszins geschieden, het zal u geen voordeel opleveren. Gij zegt: "Wij zullen als de heidenen zijn, wij zullen met hen meedoen in de verering van hun goden, hoewel wij op hetzelfde ogenblik niet geloven dat het goden zijn maar hout en steen, dan zullen wij als de geslachten van de landen zijn, zij zullen niet weten, of spoedig vergeten zijn, dat wij Joden zijn, en zullen ons dezelfde voorrechten toestaan, als hun landgenoot. "Zegt hun", zegt God, "dat hun plan niet zal slagen. Of hun buren zullen hun niet toestaan deel te nemen aan hun eredienst, of zo zij het wel doen, zullen zij geen betere gedachten van hen hebben, maar wel slechtere, en zullen het beschouwen als veinzerij, en hen zelf als onbetrouwbaar, daar zij zo vals zijn tegenover hun God, en hun buren zouden bedriegen." Men wint niets door zondige inschikkelijkheid, en de vleselijke sluwheid van de huichelaars zal hun niet baten. Alleen zuiverheid en oprechtheid kunnen de mensen behouden, en hen bij God en mensen aanbevelen.