26. En Ik verontreinigde hen in hun giften; Ik verhinderde het niet, dat zij zich bezoedelden door hun offergaven, die zij ter ere van den Moloch brachten, omdat zij door het vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent, alle eerstgeborenen (
Leviticus 18:21); opdat Ik ze verwoesten zou, het gericht der verwoesting zou tegemoet voeren, ten einde dat zij door de straf, die over hen kwam, zouden weten, dat Ik de HEERE ben, hun Vader en God, dien zij verachtten, God in den volsten zin des woords, en dat hun verlaten niets dan ellende was.
Tegenover eigengemaakte wetgeving, tegenover welke de eerste generatie schuldig was, staat in Vers 19 de vernieuwing der wet van Sinaï. In zoverre echter de tweede generatie, die op de herhaling en vernieuwing betrekking heeft, den overgang in Kanaän teweeg brengt, ja, dit Israël reeds naar zijn beginsel in zich sluit, zo staat met die herhaling reeds de bedreiging met de ballingschap in Vers 23 in verband.
Ware het nieuwe geslacht in waarheid geestelijk nieuw geweest, zo zou het zulke ernstige waarschuwingen en sterke bedreigingen, als het 5de Boek van Mozes bevat, niet hebben nodig gehad. De gezindheid van het nieuwe geslacht was echter door alle voorafgegane strafgerichten nog geenszins ene geheel verbrokene geworden; nog altijd had de tucht Gods haar doel niet bereikt (Deuteronomium 29:4).
De Profeet onderscheidt wel het geslacht, dat uit Egypte trok, en dat God tot sterven in de woestijn had veroordeeld, van dat, hetwelk in de woestijn was opgegroeid; maar dit laatste, of de zonen van degenen, die in de woestijn waren gevallen, die in het land Kanaän werden gebracht, neemt hij vervolgens in Vers 27 met alle volgende geslachten als een geheel te zamen inbegrip der vaderen van het in zijnen tijd levende geslacht. Hieraan wordt nu werkelijk de straf uitgeoefend, die reeds gedreigd was, maar niet gedreigd als ene zodanige, welke reeds had moeten worden uitgeoefend, doch ten gevolge ener verschoning nog was uitgesteld. Integendeel was de tijd der verstrooiing van den beginne af niet nader bepaald, en zo sluit, wat tegenwoordig vervuld werd, met hetgeen vroeger gedreigd was, zich tot een geheel te zamen, ten gevolge van de reeds bij Mozes heersende beschouwing des volks in zijne successieve geslachten als ene aaneengeslotene eenheid.
Van vroegen tijd af zijn de uitleggers het daarover oneens geweest, wat men onder de niet goede en niet levend makende inzettingen en rechten moest verstaan, welke God volgens vers 25 aan het tweede geslacht in de woestijn (in zijn geheel met de volgende geslachten) gaf, en van welke in Vers 26 een voorbeeld wordt aangevoerd. Zeer ten onrechte denken vele kerkvaders aan de Goddelijke wet zelf, van welke God zelf hier betuigt, dat zij niet zalig maakt; wij moeten ons echter integendeel met die uitleggers verenigen, die erkennen, dat hier heidense zeden en godsdienst bedoeld zijn.
Wat hebben wij te verstaan door de besluitingen, welke niet goed waren, en de rechten, bij welke zij niet leven konden? Heeft men hier te denken aan de schaduwachtige geboden? Deze ware zeker moeilijk en uit dien hoofde zeer onaangenaam, (Handelingen 15:10); ook kon men door het waarnemen van deze lastige plechtigheden het leven niet erlangen. Maar die opvatting komt in het geheel niet overeen met het verband van zaken. Hier wordt blijkbaar gesproken van ene straf, welke de Israëlieten zich door hun wangedrag hadden op den hals gehaald. De Heere zegt uitdrukkelijk, Vers 24, 25: omdat zij Mijne Sabbatten ontheiligd hadden. Daarom, om deze hardnekkige ongehoorzaamheid, gaf Ik hun ook besluitingen, welke niet goed waren, en rechten, bij welke zij niet leven konden. Het geven derhalve van deze besluitingen en rechten was het gevolg en de rechtvaardige straf van Israëls ongehoorzaamheid aan Gods wetten. Haar hoe strookt het nu, dat God wetten zou gegeven hebben, tot ene straf van het overtreden Zijner wetten? Om nu niet eens op te merken, dat de benaming van besluitingen, welke goed waren, wat al te hard zij, voor de schaduwachtige geboden omtrent de plechtigheden van den eredienst. Wij verstaan daarom door de besluitingen en rechten, rechterlijke besluiten en vonnissen, welke niet goed, maar zeer nadelig waren, en de meest geduchte onheilen over het volk brachten, zware strafgerichten, onder welke zij niet leven konden. Dit beantwoordt allerduidelijkst aan het verband van zaken en de oorspronkelijke woorden hebben meermalen deze betekenis. Het is waar, die zelfde woorden komen ook in Vers 24 voor, maar in den zin van wetten en geboden. Dan het is ene sierlijke manier van spreken, antanaclasis genoemd, wanneer dezelfde woorden in onderscheidene betekenissen genomen worden.
Gods gericht begon daarmee, dat aan Israël de verkeerde instellingen en de dode rechten van Kanaän tot straf zijn gegeven: omdat zij niet Mijne goede wet wilden, heb Ik hun Kanaäns verkeerde wet gegeven.
God heeft de menselijke natuur zo ingericht, dat op den afkeer van Hem gehele verduistering en vernieling volgt, dat geen maat houden in dwaling en zonde, geen blijven staan op de middelste trappen mogelijk is, dat de mens, hoe gaarne hij ook zou willen blijven staan, tegen zijnen wil van trap tot trap moet naar beneden zinken; de afval van God is de schuld, de exces der dwaling en het zedelijk wegzinken is het verdiende lot, dat allen gaarne zouden willen ontgaan, wanneer dit in hun macht stond.
Juist dat, wat hun kwalijk bekomt en vol dood en verderf is, heeft de grootste aantrekkingskracht voor de mensen.
De kiem zelfs van dien openbaren afval, waarmee men later misdadig den afgodendienst huldigde (Vers 31), lag reeds in het geslacht der woestijn, hetwelk in Kanaän introk, en openbaarde zich slechts op verborgene, weinig in `t oog vallende wijze; daarom bestonden reeds Mozaïsche verboden, welke, voor die vermenging waarschuwden, en betrekking hadden op ene omkering van het gebod (Exodus 13:12) tot afgoderij.