38. Die de HEERE Mozes deels op, deels bij de berg Sinaï geboden heeft, ten dage dat hij de kinderen van Israël gebood, hun Zijn bevelen gaf, dat zij hun offeranden aan de HEERE in de woestijn van Sinaï zouden offeren; waarna zij dan, als de Heere geëindigd had Zijn bevelen te geven, van daar verder voorttrokken, het beloofde land tegemoet.
Overzien wij nu aan het einde van deze afdeling nog eenmaal de offers van het Oude Testament, dan kunnen wij die verdelen:
I. Met betrekking tot de materie of stof, waaruit zij bestaan.
1) In dierlijke of bloedige offers van dieren, daartoe geschikt, d.i. rein, wier gebruik ook de Israëlieten tot voeding vergund was (hoofdstuk 11); van deze echter slechts de zodanige, die tot het gewone huisvee behoren en daar gefokt en gekweekt worden, terwijl het wild, ook dat, waarvan het vlees gegeten mocht worden, zowel als vissen, uitgesloten is alzo:
a. Van het viervoetig gedierte het rund, het schaap en de geit van beide geslachten; toch heeft iedere offersoort haar bepaald voorschrift, welke diersoort en welk geslacht daartoe gebruikt moest worden.
b. Van het gevogelte de tortelduiven, evenals de jonge huis- en veldduiven, die intussen met uitzondering van enige reinigingsoffers, alleen door armen, als vergoeding voor de eerste soort mochten gebracht worden, en dus slechts de offers van mindere graad vormden, Terwijl de in hoofdstuk 14:4 bedoelde vogels voor een ceremonie (plechtigheid) dienden, welke nog niet tot het eigenlijke offer behoort.
2) In plantaardige of bloedeloze offers. Als eigenlijke offermaterie komt hier alleen de vrucht van graan en wijnstok in aanmerking, terwijl zout, olie en wierook slechts betekenisvolle toevoegselen tot de offers zijn, die aan deze nog een bijzonder karakter verlenen, dat zij niet van zichzelf hebben. Het eerste, de vrucht van graan, of nog juister van tarwe (gerstemeel kost uitsluitend bij het ijveroffer, Numeri 5:15 met bijzondere bedoeling voor) kon op drievoudige wijze als offer gebruikt worden.
a. Als grutten of gebroken koren.
b. Als fijnmeel.
c. Als gebak, en ook dit weer in drieledige vorm, of als in de oven gebakken, deels koeken met olie gekneed, deels dunne vladen met olie bestreken, of als gebak op de plaat of vlakke pan, dat, hard zijnde, in stukken gebroken werd, nadat het reeds als deeg met olie gekneed geworden was, nogmaals met olie bestreken werd, of eindelijk als gebakken in de pan, als in olie gekookte koeken. Zoals van de reine dieren alle wild met de vissen uitgesloten was, alzo ook van de vruchten alle, die meer buiten de mens om groeien, tuin- en boomvruchten. Het behoort namelijk tot het begrip van het offer, als een gave van de mens aan de Heere, dat het in volkomen zin van het woord eigendom van de mens is, zijn eigendom in het zweet van zijn aangezicht en met zorgvuldigheid en moeite verworven; want het komt hier overal niet op de gave zelf, welke de Heere wel niet nodig heeft, maar op de gever aan; zijn zelfovergave aan de Heere zal in de gave haar werkelijke, zicht- en tastbare uitdrukking vinden; daarom moest deze een zodanige zijn, die als een deel van zijn leven is, en in de hoogst denkbare graad tot hem in een innerlijke betrekking staat, om hem ook werkelijk te kunnen vervangen.
II. Met betrekking tot het ritueel of de wijze van offering zijn:
1. bij de bloedige offers te onderscheiden:
a. De voorstelling aan de Heere, waardoor hij, die het offer brengt, zijn verlangen te kennen gaf, om de gemeenschap met Hem, die daar woonde en beloofd had zich in genade aan Zijn volk te openbaren, te vernieuwen of te bekrachtigen, en waarmee zonder twijfel een onderzoek door de dienstdoende priesters verbonden was, of het offerdier ook met de wettelijke voorschriften overeenkwam.
b. De handoplegging, waardoor het goed bevonden offer door hem, die het gebracht had, tot zijn plaatsbekleder gesteld werd, opdat het werkelijk lijde en zinnebeeldig doe, wat hij eigenlijk zelf lijden moet, en wat hij geestelijk in en met dit wilde doen.
c. De slachting, waarmee door de eigen hand van de offeraar het dier nu werkelijk leed, wat het in zijn plaats lijden moest, de dood.
d. De bloedbesprenkeling, waarbij de priesterlijke middelaar het verse nog dampende bloed in de onmiddellijke nabijheid van de heerschappij van de goddelijke genade bracht, en voor hem, wiens ziel door dit bloed moest bedekt worden, genade verwierf.
e. De verbranding, òf van het geheel, òf van het beste, het edelste van het vlees, waardoor zinnebeeldig voorgesteld werd wat op geestelijke wijze de offeraar met zich moest laten doen.
f. De maaltijd, welke de Heere, daar, waar niet alles was verbrand geworden, van het overblijvende vlees òf alleen voor zijn dienaars, de priesters, òf tegelijk ook voor de offeraar verordende, voor die, om hen aan zijn tafel te spijzigen, voor deze om hem in Zijn gemeenschap te sterken.
2. Bij de onbloedige offers daarentegen is het ritueel veel eenvoudiger, daar hier de handoplegging, slachting en bloedbesprenkeling vanzelf wegvielen; deze offers werden in de regel, zo niet uitsluitend, in verbinding met een bloedig offer gebracht, aan deze lag deels de daardoor aangebrachte verzoening ten grondslag; deels ging met hun natuur ook hun ritueel daarop over.
III. Met betrekking tot hun betekenis verdeelt men de offers:
1. In zodanige, welke gebracht werden door hen, die nog in de staat van genade of in de Verbondsgemeenschap met de Heere leefden, en tot bevestiging of versterking van die gemeenschap dienden.
a. Brandoffers.
b. Spijs- en drankoffers.
c. Dankoffers (lof-, gelofte- en vrijwillige offers). Terwijl in het brandoffer de offeraar zich opnieuw aan de Heere tot een volkomen en eeuwig eigendom overgaf, en in spijs- en drankoffer de vruchten van de heiliging van zijn leven Hem zinnebeeldig aanbood, verblijdde hij zich aan de maaltijd, bij het dankoffer gehouden, over zijn gemeenschap met Hem. 2. In de zodanige die gebracht werden door hen, die buiten de genadestaat zich bevonden, en waardoor de wederopname in de Verbondsbetrekking moest bewerkt worden. Dat zijn de eigenlijke zoenoffers, namelijk:
a. De zondoffers, welke de verzoening van een enkele begane misdaad, welke voor verzoening vatbaar was, bedoelden.
b. De schuldoffers, die hetzelfde bedoelden, maar slechts daar in aanmerking kwamen, waar behalve de verzoening van de zonde tegelijk de genoegdoening voor een tegen de Heere of de naaste begane rechtsverkrachting in aanmerking kwam. Vergeten wij niet, dat ook aan de beide andere van de bloedige offers, het brand- en dankoffer, het denkbeeld van verzoening eigen was, dat zij namelijk altijd weer opnieuw de algemeen menselijke zondigheid moesten verzoenen; zo riep de grote, door het gehele leven van de oudtestamentische gemeente heengaande allegorie of beeldspraak van de offers heen, bestendig: Zoekt de vergeving van uw zonden (zoenoffer), wijdt u aan de Heere met lichaam en ziel toe (brandoffer), doet recht en gerechtigheid (spijs- en drankoffer), verblijdt u in Zijn gemeenschap, dankt Hem voor Zijn genade; roept Hem aan in de nood (dankoffer). In de plaats van de allegorie is in het Nieuwe Testament de geschiedkundige werkelijkheid getreden, en wel in het leven, lijden en sterven van onze Heer en Heiland, Jezus Christus, die alle verschillende eigenschappen van het offer in het Oude Testament over verschillende offers verdeeld en door een offerritueel van verschillende vormen uitgedrukt, in zich verenigt. De brief aan de Hebreeën geeft daarover meer licht, en ook zullen wij ter gelegener tijd daar aanwijzen, hoe het een offer, dat Christus in Zichzelf gebracht geeft, niet alleen alle oudtestamentische offers in zich heeft opgenomen, maar ook ze alle zeer ver overtreft..