Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 20
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
EN het geschiedde in het
1
zevende jaar, in de
2
vijfde
maand
, op den tiende derzelver maand, dat er mannen uit de
3
oudsten van Israël kwamen om den HEERE
4
te
a
vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.
2
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
3
Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Komt gij om Mij te vragen?
5
Zo waarachtig als
Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt de Heere HEERE!
4
Zoudt gij hun
b
6
recht geven,
7
zoudt gij hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de
8
gruwelen hunner vaderen bekend.
5
En zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik Israël
9
verkoos,
c
zo
10
hief Ik Mijn hand op tot het
11
zaad van het huis Jakobs, en maakte Mijzelven hun in Egypteland
d
12
bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de HEERE uw God.
6
Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land dat Ik voor hen uitgespeurd had,
13
vloeiende van melk en honig,
14
hetwelk het sieraad is van alle landen.
7
En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe
15
de verfoeiselen zijner ogen weg, en
16
verontreinigt ulieden niet met
17
de drekgoden van Egypte; Ik, de HEERE, ben uw God.
8
Maar zij waren wederspannig tegen Mij en wilden naar Mij niet horen;
18
niemand wierp de verfoeiselen zijner ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zeide Ik dat Ik
19
Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om
20
Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.
9
Doch Ik
21
deed het
22
om Mijns Naams wil, opdat hij niet
23
ontheiligd werd voor de ogen der heidenen in welker midden zij waren, aan
24
welke Ik Mij, voor
25
derzelver ogen, bekendgemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.
10
En Ik voerde hen uit
e
Egypteland, en bracht hen in de
26
woestijn.
11
27
Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend;
f
28
dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven.
12
Daartoe ook gaf Ik hun Mijn
g
29
sabbatten, om een
30
teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben,
31
Die hen heilig.
13
Maar het huis Israëls werd wederspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn rechten; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; en zij
h
32
ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zeide Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen.
14
Maar Ik
33
deed het om Mijns Naams wil, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen voor welker ogen Ik hen
34
uitvoerde.
15
Evenwel
35
hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land dat Ik
hun
gegeven had,
36
vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen;
16
Daarom dat zij Mijn rechten verwierpen
37
en in Mijn inzettingen niet wandelden en Mijn sabbatten ontheiligden, want hun hart
38
wandelde hun drekgoden na.
17
Doch Mijn oog verschoonde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen
39
voleinding met hen maakte in de woestijn.
18
Maar Ik zeide
40
tot hun kinderen in de woestijn:
41
Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt
42
hun rechten niet, en
43
verontreinigt u niet met hun drekgoden.
19
Ik ben de HEERE uw God,
44
wandelt in Mijn inzettingen, en onderhoudt Mijn rechten en doet dezelve.
20
En
45
heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen tot een
46
teken zijn tussen Mij en tussen ulieden, opdat gij weet dat Ik de HEERE uw God ben.
21
Maar die kinderen waren
ook
wederspannig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en Mijn rechten namen zij niet waar om die te doen; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten, dat
47
Ik zeide
48
Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen,
49
volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn.
22
Doch
50
Ik keerde Mijn hand af, en
51
deed het om Mijns Naams wil, opdat hij voor de ogen der heidenen niet zou
52
ontheiligd worden, voor welker ogen Ik hen uitgevoerd had.
23
Ik
53
hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de heidenen, en hen verstrooien in de landen;
24
Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzettingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en
54
hun ogen achter de drekgoden hunner vaderen waren.
25
Daarom gaf Ik hun ook
55
besluiten die
56
niet goed waren, en rechten
57
waarbij zij niet leven zouden.
26
En Ik
58
verontreinigde hen in hun giften, omdat zij
59
door het
i
vuur
deden doorgaan
60
al wat de baarmoeder opent;
61
opdat Ik hen verwoesten zou, teneinde dat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben.
27
Daarom, mensenkind, spreek tot het huis Israëls, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Hiermede nog hebben Mij uw vaderen gesmaad, dat zij
62
door overtreding tegen Mij overtreden hebben.
28
63
Als Ik hen
64
in het land gebracht had over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven had om hetzelve hun te geven, zo zagen zij naar allen hogen heuvel en alle
65
dicht geboomte, en offerden daar hun offers, en gaven daar hun
66
tergende offeranden, en daar zetten zij hun lieflijken reuk, en daar
67
offerden zij hun drankoffers.
29
En Ik zeide tot hen: Wat is die
68
hoogte waarheen gij gaat? Nochtans is de naam daarvan genaamd Hoogte, tot op dezen dag toe.
30
Daarom, zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE:
69
Zijt gij
70
verontreinigd geworden
71
in den weg uwer vaderen, en
72
hoereert gij achter hun verfoeiselen?
31
73
Ja, met het offeren uwer gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uw drekgoden, tot op dezen dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis Israëls?
Zo waarachtig als
Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik van u gevraagd
74
worde!
32
Daarom, wat
75
in uw geest opgeklommen is,
76
zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende
77
hout en steen.
33
Zo waarachtig als
Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Zo Ik niet met een
78
sterke hand en
79
uitgestrekten arm, en met een
80
uitgegoten grimmigheid
81
over u zal regeren!
34
Want Ik zal u
82
uit de volken voeren, en u vergaderen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door een uitgegoten grimmigheid.
35
Daartoe zal Ik u brengen
83
in de woestijn der volken, en Ik zal met u aldaar
84
rechten
85
aangezicht aan aangezicht;
36
Gelijk als Ik gerecht heb met uw vaderen in de woestijn van Egypteland, alzo zal Ik met u rechten, spreekt de Heere HEERE.
37
En Ik zal ulieden
86
onder de roede doen doorgaan, en Ik zal
87
u brengen
88
onder den band des verbonds.
38
Daartoe zal Ik
89
die rebel zijn en die tegen Mij overtreden, uit ulieden
90
uitzuiveren; Ik zal hen
91
uit het land hunner vreemdelingschappen
92
uitvoeren, en zij zullen
93
in het landschap Israëls
94
niet
weder
komen; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
39
En gijlieden, o huis Israëls, alzo zegt de Heere HEERE:
95
Gaat heen, dient een ieder zijn drekgoden, ook
96
hierna, dewijl gijlieden naar Mij niet hoort; doch ontheiligt niet meer
97
Mijn heiligen Naam met
98
uw giften en met uw drekgoden.
40
Want
99
op Mijn heiligen berg, op den hogen berg Israëls, spreekt de Heere HEERE, daar zal Mij
100
het ganse huis Israëls in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen
1
aan hen nemen, en daar zal Ik uw
2
hefoffers eisen, en de eerstelingen uwer heffingen met al uw
3
geheiligde dingen.
41
Ik zal een welgevallen aan ulieden nemen
4
om den lieflijken reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren en u vergaderen zal uit de landen in dewelke gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u
5
geheiligd worden voor de ogen der heidenen.
42
En gij zult weten dat Ik de HEERE ben, als Ik u in het landschap Israëls gebracht zal hebben, in het land waarover Ik Mijn hand opgeheven heb om hetzelve uw vaderen te geven.
43
Daar
6
zult gij dan gedenken aan uw wegen en aan al uw handelingen waarmede gij u
7
verontreinigd hebt, en gij zult van uzelven een
8
walging hebben over al uw boosheden die gij gedaan hebt.
44
Zo zult gij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik met u gedaan zal hebben
9
om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, o huis Israëls, spreekt de Heere HEERE.
45
Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
46
Mensenkind,
10
zet uw aangezicht
11
naar den weg van het zuiden, en
12
drup tegen het zuiden, en profeteer tegen het
13
woud van het veld
in het
zuiden,
47
En zeg tot het
14
zuiderwoud: Hoor des HEEREN woord: Alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal
15
een vuur in u aansteken, hetwelk in u
16
allen
k
groenen boom en allen dorren boom verteren zal;
17
de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden
18
alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe.
48
En alle
19
vlees zal zien dat Ik, de HEERE, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust worden.
49
En ik zeide: Ach Heere HEERE,
20
zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van
21
gelijkenissen?